Menu Close

Rechters terug naar de collegebank

Advocatenblad, 29 september 1999

Het duurde bijna vijftien jaar voordat de genetische vingerafdruk goed in het Wetboek was geregeld. Maar intussen zijn er alweer nieuwe technieken, willen rechercheurs DNA-profielen gebruiken om inbraken op te lossen en zet nieuwe kennis over genen en hersenen begrippen als vrije wil onder druk.
Modern biologisch onderzoek verovert de samenleving, en doet ook op de rechtspraak zijn invloed gelden. In de Verenigde Staten keren rechters daarom terug naar de collegebanken, voor introductielessen in menselijke genetica.

Het is 1994. In de Amerikaanse staat Delaware komt de 37-jarige Jeffrey Chase, na twintig jaar in de gevangenis te hebben gezeten wegens ontvoering en poging tot moord op een klein meisje, voor het eerst in zijn volwassen leven vrij. Hoewel hij geldt als onhandelbaar en gewelddadig, keert Jeffrey terug in zijn ouderlijk huis — zijn ouders, een 72-jarige oud-directeur van de padvinderij en een 71-jarige voormalige onderwijzeres, hebben zich nooit afgewend van de zoon die zij ooit als vier maanden oude baby adopteerden.

Een maand later zijn beiden dood — neergeschoten door hun zoon, aldus concludeert later een lekenjury van de rechtbank. Na de schuldigverklaring vechten Jeffrey’s advocaten voor zijn leven. Zij produceren psychiatrische rapporten die spreken van hyperactiviteit en een `antisociale gedragsafwijking’. Maar zij willen en krijgen meer: een grondig onderzoek naar eventuele erfelijke afwijkingen die Jeffrey meer dan anderen hebben voorbestemd tot zijn gewelddadige gedrag.

Op Jeffrey’s genen, blijkt uit de tests, is wel het een en ander aan te merken. Zo zorgen ze voor een teveel van het hormoon cortisol, dat volgens wetenschappers leidt tot hypergevoeligheid, en zijn agressieve uitbarstingen zou kunnen verklaren. Een afwijking in de lever zorgde voor een geestvernauwend afbraakproduct van Ritalin, het middel dat hij slikte tegen hyper-activiteit. Een ander gen wijst volgens sommige onderzoekers op aanleg voor schizofrenie, terwijl weer een andere hem extreem impulsief maakt. Daarbovenop komt nog een gen dat, aldus de laatste onderzoekingen, kan leiden tot symptomen van vroege dementie, nog voor de ziekte van buitenaf kan worden vastgesteld.

De jury, die moet beslissen of Jeffrey de doodstraf krijgt, worstelt met de ingewikkelde vragen. De openbare aanklager vindt al die genetica maar irrelevante onzin, en krijgt steun van prominente wetenschappers in de getuigenbank: hoe Jeffrey’s genen hem ook hebben dwarsgezeten, hij wist altijd wat goed was en wat kwaad. Maar de verdediging presenteert een eigen wetenschappelijk elite-team, dat Jeffrey bestempelt tot slachtoffer van zijn eigen DNA — een patiënt, die op zijn minst moet worden gespaard van de dood door een injectienaald.

De zaak-Chase is een schoolvoorbeeld van de manier waarop moderne erfelijkheid begint door te dringen tot in de rechtszaal. Het is ook letterlijk een schoolvoorbeeld: het maakt deel uit van het lespakket dat honderden Amerikaanse rechters dezer dagen op hun bordje krijgen. De namen in de zaak zijn vanwege de privacy veranderd, al is dat eigenlijk niet meer nodig: ondanks zijn problematische genen is Jeffrey Chase inmiddels terechtgesteld.

Niet alleen de jury zat met de wetenschappelijke vragen in de maag. Ook Amerikaanse rechters, hoewel niet direct verantwoordelijk voor een vonnis, worstelen in toenemende mate met het onderscheiden van feiten en borrelpraat, van wetenschap en pseudowetenschap — een taak die volgens sommigen zonder scholing in moderne biologie bijna onuitvoerbaar is.

‘Binnen tien jaar kan geen rechter of advocaat meer functioneren zonder een behoorlijke kennis van de biologie,’ zegt Franklin Zweig, jurist en directeur van het in de Amerikaanse stad Washington gevestigde Einstein Institute for Science, Health and the Courts (EINSHAC). Al drie jaar organiseert hij conferenties voor Amerikaanse rechters op het gebied van de milieubiologie, de hersenwetenschappen en moleculaire genetica. ‘De biologie geeft de rechtspraak voortdurend nieuwe, machtige hulpmiddelen, die aan de andere kant steeds weer nieuwe vragen oproepen,’ aldus Zweig in zijn kantoor in het Moultrie Courthouse, het gebouw van het Superior Court van het District of Columbia.

Hoeveel zegt een genetische vingerafdruk, wanneer een broer van de verdachte de dader zou kunnen zijn? Is een DNA-spoor te vervalsen? Kan een verdachte de misdaad minder worden toegerekend, wanneer hij genetisch lijkt voorbestemd impulsief en gewelddadig te worden? Heeft hij recht op strafvermindering? Of moet hij juist voor altijd opgeborgen?

De gemiddelde rechter heeft er doorgaans weinig moeite mee toe te geven een typische alfa te zijn: op de middelbare school werden exacte vakken gemeden, en als het even kon ook wiskunde, bekenden Amerikaanse rechters tegenover Zweig. Als dat niet helemaal lukte, dan gold statistiek voor hen als het onbetwiste dieptepunt. Tot voor kort was dat voor de meeste rechters geen probleem: gezond verstand, aangevuld met menselijke nieuwsgierigheid, overwon de complicaties van het doorsnee forensisch bewijsmateriaal. Als de deskundige zegt dat twee haren gelijk zijn, dan zullen weinigen dat tegenspreken.

Maar die tijden zijn voorbij, meent Zweig, nu de druppelende invloed van de wetenschap de omvang van een waterval heeft aangenomen. De genetische vingerafdruk was het eerste, duidelijke voorbeeld van de manier waarop moderne biologie het juridische systeem overrompelde. Veertien jaar geleden werd de techniek, afkomstig uit wetenschappelijke laboratoria, voor forensisch gebruik geschikt gemaakt. Negen jaren gingen voorbij voordat men het binnen het Amerikaanse rechtssysteem eens was over de juridische toepassing van de revolutionaire identificatiemethode. Inmiddels is het niet makkelijk een zaak te vinden waar ze níet wordt toegepast.

‘Het kostte meer dan 160 beroepszaken, en alleen al daarmee honderden miljoenen dollars, om de meeste rechtbanken in dit land zover te krijgen dat ze de genetische vingerafdruk accepteerden,’ zegt Zweig. ‘En nog stééds zijn er rechters die niet alle aspecten van de genetische vingerafdruk als bewijs aanvaarden.’

Maar voor de rechters is het leed nog niet geleden: de inmiddels erkende genetische vingerafdruk wordt in razend tempo door nieuwe varianten vervangen, met hun eigen technische afkortingen en beperkingen. Zweig, in biologisch jargon: ‘Het kostte negen jaar om de RFLP-methode geaccepteerd te krijgen. Nu het zover is, heeft de PCR-methode het eigenlijk al overgenomen. Nu komt de STR-techniek in zwang, en binnenkort is het tijd voor de SNP-methode. Elke techniek confronteert rechters met nieuwe principes, nieuwe valkuilen, nieuwe deskundigen, nieuwe claims van voor- en tegenstanders.’

De geschiedenis van de genetische vingerafdruk illustreert, aldus Zweig, dat juristen zonder biologische kennis niet meer goed kunnen functioneren. En dat zal te meer gelden na de omwenteling die de biologie het komende decennium in petto heeft: het Humaan Genoom-project, dat over een paar jaar alle menselijk DNA in kaart zal hebben gebracht, hoopt samen met nieuw hersenonderzoek immers gedragsoorzaken bloot te leggen waarover we tot nu toe slechts konden filosoferen.

Voor Amerikaanse rechters vormt het angelsaksische systeem van common law, waarin zij het aangedragen bewijsmateriaal niet zelf beoordelen, maar alleen optreden als poortwachter voor de lekenjury, bij dit alles nog een complicerende factor. Een leger van deskundigen (en pseudodeskundigen) trekt door het land om jury’s met wetenschappelijk bewijsmateriaal te bombarderen. Er zijn er zelfs die er een volledige betrekking aan hebben — de grootste bemiddelaar voor getuigen-deskundigen heeft er alleen al vijftienduizend in de kaartenbak.

Aan de rechter de taak te bepalen welke deskundigen in de rechtszaal thuishoren: om te voorkomen dat de lekenjury in verwarring wordt gebracht door omstreden, onbewezen, of irrelevante theorieën, dient hij vooraf pseudowetenschap van `echte’ wetenschap te onderscheiden. Dat loopt niet altijd goed af, gezien bijvoorbeeld de geruchtmakende rechtszaken over siliconen-implantaten: hoewel wetenschappers in overgrote meerderheid menen dat de implantaten niet schadelijk zijn, veroordeelde een jury de fabrikant ervan toch tot indrukwekkende schadevergoedingen.

Niet dat de angelsaksische rechter zelf geen experts te hulp mag roepen: in de praktijk maakt hij er alleen zelden gebruik van. Rechters vrezen dat jury’s alleen hún deskundigen nog zullen geloven, zonder dat duidelijk is waaraan ze die autoriteit hebben verdiend. Volgens de prestigieuze American Association for the Advancement of Science (AAAS) ligt de oplossing daarom in een soort eregalerij van wetenschappers, wier kennis en onpartijdigheid boven twijfel verheven is. Met dit gezag zouden zij rechters en jury’s kunnen vertellen wat wel, en wat niet wetenschappelijk verantwoord is. Deze zomer begon de AAAS een vijfjarig proefproject. Een commissie van wetenschappers en juristen zal rechters op verzoek een erkende expert adviseren.

Maar zelfs met een eregalerij van gerespecteerde deskundigen, weet Zweig, voelen de meeste rechters weinig voor zo’n oplossing – die immers nog steeds zou suggereren dat zij hun oordeel in handen leggen van wetenschappers die zelf niet vrij zijn van belangen, te beginnen met de status van hun vakgebied. Adviezen om wetenschappers onder te brengen binnen de rechtbank zelf werden tot nu toe door de Amerikaanse wetgever genegeerd. En discussies over de wenselijkheid van meer gespecialiseerde rechters en jury’s leveren nog weinig tastbare resultaten op.

Drie jaar leidt Zweig nu EINSHAC, een instituut dat met steun van de overheid probeert een deel van de Amerikaanse rechters bij te scholen in drie biologische wetenschapsgebieden: milieu, hersenwetenschappen en genetica. Een buitenkans, zegt Zweig zelf: voor bijscholing van rechters is in de Verenigde Staten nauwelijks geld beschikbaar. Elfhonderd van de circa dertigduizend rechters zijn inmiddels langs geweest, nog eens duizend krijgen de komende drie jaar de kans hun kennis bij te schaven.

De rechters krijgen een intensieve behandeling: drie tot vier dagen in een afgezonderd conferentie-oord, met één gerenommeerde onderzoeker op vier juristen. Korte maar krachtige plenaire voordrachten worden afgewisseld met groepsdiscussies, waarin wetenschappelijke kanten van concrete zaken worden bediscussieerd. De docenten vertellen de rechters niet wat ze moeten doen — ze leggen uit hoever de wetenschap is, en wat andere rechters tot nu toe met die kennis hebben gedaan.

‘Maar we zorgen er ook voor dat rechters en onderzoekers informeel met elkaar kennismaken,’ zegt Zweig. ‘De meeste van onze rechters kennen geen enkele wetenschapper van nabij. Ze zien ze voorbij komen in de rechtszaal, maar daar beschouwen ze hen als “ingehuurde kanonnen”, en die vertrouwen ze niet. Wanneer zich in de getuigenbank een sterke getuige meldt met een wetenschappelijke achtergrond, die begint te strooien met ingewikkelde nieuwe ontwikkelingen, dan voelen ze zich alleen maar ongemakkelijk.’

Afgelopen zomer verdiepten honderd rechters zich bijvoorbeeld in de gedragsgenetica — een veld dat nog in de kinderschoenen staat, maar dat zich volgens sommige biologen explosief zal uitbreiden. Waarom raakt de één verslaafd, en heeft de ander geen problemen? De aanleg ervoor ligt in de genen, aldus de onderzoekers, en kan binnenkort eenvoudig worden opgespoord.

Zweig: ‘Erfelijke aanleg voor verslavingsgedrag is inmiddels al een heel gewoon thema, en een enkele advocaat begint nu al de kracht van het argument te herkennen. Het zal niet lang duren voor elke advocaat het idee zal willen gebruiken om cliënten vrij te pleiten. Wij hebben in de Verenigde Staten tien miljoen strafzaken per jaar; bij de helft daarvan gaat het over verslaving aan alcohol of drugs. Je kunt je voorstellen dat elke nieuwe vondst, elke nieuwe behandeling op dit gebied, onmiddellijk op een groot gehoor mag rekenen. Elk van onze onderwerpen zal straks zijn weerslag hebben op honderdduizenden rechtszaken.’

Sceptische juristen werpen tegen dat de vrije wil de basis vormt van alle rechtssystemen, en dat zolang die nog aanwezig is geen erfelijke aanleg of hormonale afwijking de verantwoordelijkheid van het individu zal wegnemen. Dat de erfelijkheid een rol speelt was al lange tijd bekend, en nieuwe details daarover zijn voor de rechtspraak dus niet erg relevant.

‘Natuurlijk zal het fundament niet worden aangetast,’ pareert Zweig zulke kritiek. ‘Maar ik denk dat de nieuwe kennis wel degelijk relevant is, omdat we tot nu toe weinig wisten over hoe erfelijke aanleg zich vertaalt in daadwerkelijk gedrag. Ik hoop dat we binnen tien jaar kunnen zeggen, op basis van de genetische achtergrond van een dader, of een therapie een goede kans van slagen heeft.’

‘Toen ik naar de universiteit ging, dertig jaar geleden, gold verbetering van wetsovertreders in elk Amerikaans ressort als een van de doelstellingen van het strafrecht, naast afschrikking, vergelding, opsluiting of bestraffing. Bijna overal is verbetering nu als oogmerk losgelaten. Maar als de wetenschap ons nieuwe methoden geeft om in te grijpen, dan krijgt het misschien een nieuwe kans. Rechters zullen dan moeten vaststellen wie verbeterlijk, en wie onverbeterlijk is — de laatsten zullen er ook zijn. Maar alles is beter dan een gevangeniscel voor iedereen, zoals nu.’

Een begrip als toerekeningsvatbaarheid zal niet verdwijnen, erkent Zweig, maar wel scherper worden gedefinieerd. ‘Concepten als vrije wil en individuele verantwoordelijkheid zullen worden uitvergroot. Ik twijfel er geen moment aan dat de meeste mensen hun gedrag voor het grootste deel kunnen beheersen. Maar sommige mensen kunnen het niet: hun cognitieve processen raken overweldigd door hun emotionele reacties.’

‘Wie daar voorbeelden van wil zien, moet eens hier beneden gaan kijken, bij de rechtszaken over kindermishandeling. De een na de ander. Wat maakt dat een volwassene de schedel van een kind kan inslaan? De meeste mensen doen het niet, en zullen het ook nooit doen. Maar we zien steeds meer een nauw omlijnde groep mensen die hun gewelddadigheid richten op kinderen. Ik geloof dat op het snijvlak van hersenwetenschappen en genetica nieuwe inzichten en behandelingen zullen ontstaan, en verklaringen waarom sommige mensen zich kunnen inhouden en andere niet. Waarom bij sommigen het denkproces wordt stopgezet, en woede wordt omgezet in geweld. Natuurlijk is niet alles erfelijk. Maar tweelingonderzoek leert ons dat de genen een grote rol spelen — veertig tot zeventig procent, volgens de meeste van onze wetenschappelijke adviseurs.’

‘Bent u ooit in een maximaal beveiligde gevangenis geweest? Probeert u het eens, kijk of het u bevalt. Het is het ergste wat we op dit moment te bieden hebben, afgezien van de dood. We hebben nieuwe hulpmiddelen nodig. Als rechtbanken er met hulp van de medische biologie weer in zouden slagen mensen productief te laten functioneren, in plaats van ze op te sluiten in massale totalitaire inrichtingen, dan is dat winst, voor ons allemaal.’

Related Posts