De internationale bestrijding van terrorisme heeft een schoolvoorbeeld opgeleverd van de beperkingen van de vingerafdruk en de risico’s van het wereldwijd koppelen van bestanden.

Een advocaat aan de westkust van de Verenigde Staten bracht afgelopen maand twee weken door in de cel op verdenking van betrokkenheid bij de bomaanslag in Madrid. Ten onrechte, bleek naderhand: de identificatie van de man, de 37-jarige Brandon Mayfield, hoewel bevestigd door vier `onafhankelijke’ vingerafdruk-experts, bleek foutief.
In werkelijkheid was de afdruk, gevonden op een plastic zak met ontstekingsmechanismen in een busje nabij de plek van de aanslag, afkomstig van een Algerijn. Maar de fout kwam pas aan het licht nadat de Spaanse politie de collega’s in de VS herhaaldelijk had gewaarschuwd, en twee Amerikaanse rechercheurs voor de tweede keer naar Madrid reisden om de originele afdruk te bekijken.
Mayfields vingerafdruk zat in de FBI-bestanden door een inbraak die hij als tiener pleegde.
Het Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) gaf de schuld aan de ‘slechte kopie’ die de Spaanse collega’s verspreidden. De dienst zei te zullen bezien of richtlijnen voor het gebruik van kopieën moeten aangepast. Een internationale commissie zal onderzoeken hoe experts 15 overeenkomsten konden zien tussen de vingerafdrukken — wereldwijd erkend als een perfect match.