Het telkens ophogen van de rivierdijken is een heilloze weg. Beter is het polders aan te wijzen die bij hoog water mogen onderlopen. Dit stelt het Centrum voor Milieukunde van de Leidse universiteit, dat de voordelen van zon systeem onderzocht.
Wanneer het Maaswater in Brabant een paar eeuwen geleden de bewoners te hoog tegen de dijken stond, deinsden de Brabanders niet terug voor rigoureuze maatregelen: ze prikten de Gelderse dijken aan de overkant door. De overburen stonden dan weliswaar tot hun middel in het water, bij hèn was de druk dan tenminste van de ketel.
In de achttiende en negentiende eeuw werd deze ruwe techniek geperfectioneerd. Napoleon maakte er, op advies van zijn eigen ‘commissie-Boertien’, zelfs officieel beleid van. Een stelsel van circa veertig ‘overlaten’ voorkwam dat bij hoge waterstanden grote gebieden moesten worden ontruimd. Door economisch minder interessant land moedwillig te laten onderlopen, bleef de rest een overstroming bespaard.
Het wordt tijd, vindt dr Frans Klijn, fysisch geograaf bij het Leidse Centrum voor Milieukunde (CML), dat Nederland zich weer bekeert tot dit oude systeem van waterkering. Want doorgaan op de weg van dijkverhoging leidt tot nieuwe problemen.
Bij Rijkswaterstaat is het idee, zegt een woordvoerder, niet meer echt serieus in studie. “Maar ik sluit niet uit dat het nu weer in discussie komt.”
Op aanmoediging van oud-milieuminister Nijpels werkte Klijn zijn ideeën een paar jaar geleden uit.
Dat resulteerde in het rapport ‘Van rechte dijk tot groene rivier’, waarin hij vaststelde dat Nederland zich halverwege de vorige eeuw heeft bekeerd tot het geloof in de mogelijkheid het water met torenhoge dijken te kunnen bedwingen. Maar juist deze strategie van de ‘weerstand’ leidt tot steeds grotere problemen: de rivieren stromen steeds sneller, de vloedgolven worden frequenter en hoger en de winterbeddingen slibben dicht. Klijn noemt zijn alternatief de ‘strategie van de veerkracht. Zoals een rietstengel meewiegt in de wind, zo moet de aanvoer van rivierwater flexibel worden opgevangen in een bedding die meebeweegt met de hoeveelheid water.
In de praktijk betekent dat: de dijken niet verhogen, maar juist op sommige punten verlagen. Zo creëer je ‘overlaten’ die bij dreigende overstromingen overtollig water opvangen, zodat het peil in de rivier een halve meter zakt. Klijn erkent dat het moeilijk kan zijn gebieden te vinden die straffeloos kunnen onderlopen. In totaal zouden enkele honderden vierkante kilometers nodig zijn om de huidige problemen met de Rijn op te lossen.
Opdeling van grote polders in kleine ‘bassins’ zou kunnen helpen, denkt Klein. Bewoners van de overlaten zouden met ringdijken of terpen kunnen worden beschermd, en als dank flinke schadevergoedingen krijgen.
“Op het ogenblik is het toch een beetje Russische roulette,” vindt Klijn. “Wanneer je alle dijken zo «ver ophoogt tot iedereen het zelfde overstromingsrisico loopt, moeten bij problemen alle gebieden geëvacueerd. Je weet immers nooit van tevoren waar het mis kan gaan.” Met een overlaat-systeem weet je van tevoren in welke volgorde gebieden op een beheerste manier zullen overstromen, en kunnen elders de bewoners rustig blijven zitten.
Of het ervan komt, is zeer de vraag weet Klijn. “Waarschijnlijk is het een te grote cultuuromslag je aanpassen aan het water, in plaats van je met hoge dijken te verweren.”