VSNU-voorstel gepresenteerd op studiedag GRUNK
Na het onderzoek zal de komende jaren het Wetenschappelijk Onderwijs aan de beurt zijn voor een flinke kwaliteitscontrole. Kort geleden benoemde Deetman de eerste Inspecteurs voor het Wetenschappelijk Onderwijs. En vorige week presenteerde rector-magnificus Bleumink, namens de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), een plan voor de evaluatie van het Universitaire Onderwijs.
De kwaliteit van het Onderwijs moet omhoog en daar is een mentaliteitsverandering voor nodig, was de boodschap. Negatief sanctioneren, het afstraffen van gebrek aan kwaliteit, moet daarom voorlopig worden vermeden.
Praten over de ’kwaliteit van het onderwijs’ is een hachelijk zaak. Onderwijs is een zeer wijds begrip, om nog maar te zwijgen van de kwaliteit van het onderwijs. Die omvat vrijwel alles van de didactische vaardigheden van de docent tot de kleur van het schoolbord, van de deugdelijkheid van practicum-materiaal tot het nabespreken van tentamens.
Eén van de belangrijkste studenten-grieven is dat op veel plaatsen de indruk bestaat dat wetenschappers hun onderwijstaak verwaarlozen ten gunste van hun onderzoek. Want aan de andere kant van het universitaire bedrijf Is men, weliswaar onder financiéle druk, langzamerhand wèl gewend geraakt aan kwaliteitsbeoordeling van het wetenschappelijk onderzoek. Publicatiepunten en beoordeling door externe deskundigen, verenigd in een visitatiecommissie, zijn daarbij de niet onomstreden, maar wel meest toegepaste methoden.
Maar ook slecht of helemaal niet georganiseerde onderwijs-evaluaties, docenten die niet bereid zijn tot verbeteringen en slechts op de arbeidsmarkt aansluitende studieprogramma’s baren de studenten zorgen.
Inspecteurs
De aandacht van studentenzijde voor de kwaliteit van het Universitaire onderwijs is niet van vandaag of gisteren: al jaren roept de studentenbeweging, of wat daar van over is, om meer aandacht voor dit onderwerp.
De laatste tijd komt er echter ook van hogerhand beweging aan het onderwijsfront. Kortgeleden be-_ noemde minister drs. W.J. Deetman twee Inspecteurs voor hetWetenschappelijk Onderwijs, die een taak zullen krijgen in het be-_ waken van de kwaliteit van het Nederlandse Wetenschappelijk Onderwijs, zoals hun veel talrijker collega’s al veel langer in andere vormen van onderwijs doen.
En vorig jaar spraken de Nederlandse Universiteiten met de Minister af dat ook op het gebied van onderwijs visitatiecommissies zullen gaan opereren, om zo objectief mogelijk kwalitatieve vergelijkingen mogelijk te maken. Hoe die visitatiecommissies eruit moesten komen te zien werd nog niet afgesproken: dat was iets dat de universiteiten eerst maar eens zelf moesten bekijken. Dat in overeenstemming met het beleid sinds ’de HOAK-nota’, waarin de Minister kwaliteitsverbetering koppelde aan meer autonomie voor de Universiteiten.
Dialoog
Vorige week werd dan eindelijk duidelijk hoe de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, de VSNU, zich de samenstelling en werkwijze van die visitatiecommissie voorstelt.
Op de door de GRUNK georganiseerde studiedag presenteerde de Groningse rector magnificus prof.dr. E. Bleumink de door hen uitgedokterde blauwdruk voor de ’externe’, maar ook voor de interne evaluatie van het onderwijs.
Om met het laatste te beginnen: in de visie van de VSNU zullen de toekomstige inspanningen vooral gericht moeten zijn op het stimuleren van een algemene dialoog, niet alleen tussen universiteiten en de Minister, maar juist ook op de faculteiten. Dáár zullen de knelpunten gesignaleerd moeten worden, en zal de discussie over de kwaliteit van het onderwijsproces op gang moeten worden gebracht. Met het proces wordt alles aangeduid tussen instroom en uitstroom (afstuderen) van de studenten.
Verbetering van dat onderwijsproces is in de visie van de VSNU niet mogelijk door strakke regels aan de faculteiten op te leggen; die zouden immers toch maar omzeild worden. Ze hoopt haar doel eerder te bereiken. door een herwaardering van het Onderwijsverslag van de faculteiten: het jaarlijks overzicht van wat er op het gebied van onderwijs gebeurt. Nu is dat meestal een hamerstuk, of zelfs nog minder.
Studenten in de diverse faculteitsraden en -commissies kunnen in de ogen van Bleumink een grote rol spelen door de inhoud van dat verslag weer tot volwaardig agendapunt te maken en zo de discussie over de kwaliteit van het onderwijs weer op gang brengen. Op deze manier zouden de gerehabiliteerde Onderwijsverslagen ook goede beleidsinstrumenten kunnen worden voor faculteit en College van Bestuur.
Onderwijsverslagen eens in de 5 jaar als basis moeten dienen voor de ’externe evaluatie’, oftewel het werk van de visitatiecommissies. In de VSNU-visie zouden dergelijke visitatiecommissies niet per universiteit moeten opereren, maar per sector of vakgebied. De commissies zouden moeten bestaan uit deskundigen op het specifieke gebied, voor een deel uit het buitenland. Want vooral in kleine vakgebieden zal het in een klein land als Nederland moeilijk zijn voldoende onbevooroordeelde deskundigen te vinden.
Een bezoek aan de te onderzoeken faculteit van 2 à 3 dagen zal een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden van de commissies moeten vormen. Aan de hand van een checklist zal moeten worden gepraat met besturen en commissies, maar ook met panels van hoogleraren en studentvertegenwoordigers. In die gesprekken zouden zaken als het onderwijsprogramma, de begeleiding, examenregelingen, maar ook het voorzieningen-peil aan de orde moeten komen.
Sancties
Ook een andere spreker op de studiedag, dr. D.W. Bresters, een van de twee nieuwe Inspecteurs en oudRector Magnificus van de Universiteit van Amsterdam, liet zijn gedachten gaan over een profiel van de visitatiecommissies. Hij kwam daarbij op ongeveer hetzelfde beeld als de VSNU.
Zijns inziens moeten de commissies, in ieder geval de eerste jaren, alleen ten doel hebben de Universiteiten te helpen bij het verhogen van de kwaliteit van hun onderwijs. Hijzelf zal zich concentreren op het informeren van de Minister over hoe de commissies functioneren, en het beoordelen van hun rapporten.
”De opzet van die visitatiecommissies is niet dat een negatieve uitslag leidt tot sancties’’, benadrukte Bresters, ’’maar tot verbetering’’. Alleen wanneer die verbeteringen zouden falen, zouden sancties overwogen moeten worden. Eventuele dalende studenten-aantallen bij slecht bekendstaande opleidingen vormen indirect natuurlijk ook een sanctie. Maar”, voegde hij er meteen fijntjes aan toe, “als de minister zo’n uitslag toch gebruikt als argument voor bezuinigingen kan ik hem dat natuurlijk niet verbieden’’.
Maar al zou hij het betreuren, ook dan zouden de Universiteiten in zijn ogen niet te hard mogen klagen. Hebben zij niet altijd verontwaardigd geroepen dat de Minister bezuinigde zonder naar kwaliteitsverschillen te kijken? “Voor de minister zal het wel moeilijker worden om irrationele beslissingen, zoals U in Groningen noch onlangs hebt meegemaakt, te nemen”, aldus Bresters, doelend op de opheffing van de Groningse subfaculteit Tandheelkunde.
De GRUNK mag terugzien op een nuttige poging de discussie over de kwaliteit van het onderwijs binnen de RUG weer aan te zwengelen. Wel zouden ze een volgende keer de praktijk meer tot zijn recht laten komen door ook onderwijsgéver en studenten als spreker uit te nodigen. Want uiteindelijk zal het bij hen, vroeg of laat, moeten gebeuren.
