Voor de tweede keer in zestien jaar overweegt het Amerikaanse Supreme Court of homoseksuele burgers grondwettelijk recht hebben op seks. De zaak vestigt niet alleen de aandacht op conservatieve lokale wetten, maar leidt ook tot discussie of het hoogste rechtscollege een eigen ‘vergissing’ mag corrigeren.
Je zou het een ironische samenloop van omstandigheden kunnen noemen. In de Amerikaanse hoofdstad Washington opende het Holocaust Museum, gelegen aan de oever van de Potomac-rivier, onlangs een tentoonstelling over de vervolging van homoseksuelen in Nazi-Duitsland. Het zou nog tot 1994 duren, vertelt een bord op de expositie, voordat West-Duitsland de laatste restjes van haar discrimerende wetgeving had opgeruimd.
Wat het bord vergeet te vertellen, is dat bezoekers bij het verlaten van de tentoonstelling zelf ook moeten oppassen. Want aan de overkant van de rivier, op gezichtsafstand van het museum, riskeren homoseksuele Amerikanen nog stééds gevangenisstraf. ‘Een ieder die vleselijke gemeenschap heeft met een man of vrouw via de anus dan wel via of met de mond, dan wel zich vrijwillig aan zulke gemeenschap onderwerpt, is schuldig aan een misdrijf,’ luidt namelijk paragraaf 18 van de staat Virginia.
Virginia staat niet alleen, blijkt uit een overzicht van burgerrechtenorganisaties. Veertien van de vijftig Amerikaanse staten kennen ‘sodomie-wetten’ — wetten die vrijwillig homoseksueel geslachtsverkeer strafbaar stellen als ‘misdaad tegen de natuur’. Tien daarvan verbieden élke vorm van seks waarbij andere dan de geslachtsorganen betrokken zijn, los van het geslacht van de partners (al worden heteroseksuele overtreders vrijwel nooit vervolgd). In vier staten geldt het verbod expliciet alleen homoseksueel geslachtsverkeer.
Vorige maand besloot het hoogste federale rechtscollege opnieuw te beoordelen of zulke verboden nog zijn te rijmen met de Grondwet van de federatie. Opnieuw, want zestien jaar geleden deed ze dat ook.
Toen, in 1986, delibereerde de Supreme Court over de zaak Bowers versus Hardwick, waarin verdachte Hardwick in Georgia was veroordeeld wegens anale seks in zijn slaapkamer. Georgia kende op dat moment een strenge sodomiewet, met gevangenisstraffen tot twintig jaar. Meestal werd de wet zeer willekeurig toegepast; in de praktijk was het vooral een middel waarmee burgers elkaar een hak konden zetten. Wie bij een echtscheiding bijvoorbeeld de voogdij wil over de kinderen, is een flink eind op weg als aangetoond kan worden dat manlief zich schuldig maakte aan illegale seks.
Vijf van de negen opperrechters oordeelden in 1986 dat de Amerikaanse Grondwet geen fundamenteel recht verschaft op ‘sodomie’, en dat afzonderlijke staten zulke handelingen als zijnde ‘immoreel’ mogen verbieden, ook al gebeuren ze in de privé-sfeer. De uitspraak leidde destijds tot grote commotie – veel homo’s meldden zichzelf uit protest bij politiebureaus om een proces verbaal te eisen.
Juridisch werd het echter pas écht interessant toen één van de opperrechters, Lewis Powell, drie jaar na pensionering publiekelijk toegaf ‘waarschijnlijk een fout’ te hebben gemaakt met zijn onverwachte maar doorslaggevende stem. Want volgens sommigen is dát uiteindelijk de reden dat de Supreme Court zich nu alweer bereid toont de centrale vraag te behandelen: het hoogste rechtscollege voelt de noodzaak zichzelf te corrigeren.
De nieuwe zaak, Lawrence versus Texas, draait om een homoseksueel stel in Houston, dat door een boze buurman in de val werd gelokt. De buurman belde de politie met de (valse) tip dat ze wapens in huis hadden. Agenten vielen de woning binnen, maar stuitten niet op geweren maar op het vrijende stel. Na een nacht in de cel kregen zij elk een boete van tweehonderd dollar aan de broek.
Velen verwachten dat het hoogste rechtscollege dit keer het grondwettelijk recht op privacy zal laten prevaleren boven de wens van staten het seksueel verkeer van burgers te controleren. Dat zou een bom leggen onder de resterende wetten tegen ‘sodomie’. De grote vraag wordt echter: op grond waarvan? In de afgelopen zestien jaar, voerde Texas in zijn pleitnotitie fijntjes aan, is ‘sodomie’ toch niet opeens een grondwettelijk recht geworden? Kan een hooggerechtshof dat consistentie en betrouwbaarheid hoog in het vaandel voert, haar eigen interpretatie van de Grondwet zomaar omkeren, alleen omdat ze zelf inmiddels wat ruimer denken?
Tot nu toe vond de Supreme Court zelf van niet: om een oude uitspraak omver te werpen is meer nodig dan rechters met een andere mening: er moeten duidelijke aanwijzingen zijn dat de verandering breed wordt gedeeld. Eén mogelijke ontsnappingsroute voor het college zal daarom zijn dat het aantal staten dat sodomie verbiedt verder is afgenomen — 50 in 1960, 25 in 1986, nu nog maar 14. En volgens opiniepeiler Gallup vindt nu 52 procent van de Amerikanen dat homoseksuele relaties legaal moeten zijn, tegen 33 procent in 1986.
Of deze verschuivingen genoeg zijn om een ‘rectificatie’ van de Supreme Court op te baseren, zal niet voor iedereen even duidelijk zijn. Lawrence versus Texas zal komend voorjaar de Amerikaanse gemoederen flink in beweging brengen — óók onder juristen.