Menu Close

Raadselachtig virus komt van hertmuis

Een plotselinge uitbraak van een onbekende, dodelijke ziekte leidde in mei van dit jaar tot onrust in Amerikaanse indianenreservaten. Inmiddels is een nieuwe variant van een oud virus als de veroorzaker ontmaskerd. Ook in Nederland worden knaagdieren, de belangrijkste dragers van het virus, nu extra goed in de gaten gehouden.

GROOT WAS de opschudding dit voorjaar, toen in het zuidwesten van de Verenigde Staten in korte tijd tientallen indianen stierven aan een geheimzinnige nieuwe ziekte. De slachtoffers, bijna allemaal indianen in de kracht van hun leven, woonden in reservaten rond het gebied van de ‘vier hoeken’ – het punt waar vier westelijke Amerikaanse staten bijeen komen: Colorado, Utah, Arizona en New Mexico.

De slachtoffers werden in eerste instantie opgenomen met algemene, griepachtige ziekteverschijnselen: koorts, spierpijn en dergelijke. Maar na een paar dagen kregen ze plotseling problemen met de ademhaling. Al na enkele uren leidde de aantasting van de longen bij het merendeel van de patiënten tot een akelige verstikkingsdood.

De speculaties over de oorzaak van de geheimzinnige epidemie waren al snel niet van de lucht – te meer daar de eerste berichten over de ziekte samenvielen met de Internationale Aidsconferentie in Berlijn. En ook nu inmiddels met grote waarschijnlijkheid is vastgesteld dat een nieuwe variant van een al bekende virus-familie de schuldige is, zijn samenzweringstheorieën nog niet van tafel. Zoals eerder ook bij het aidsvirus gebeurde, duiken geruchten op over betrokkenheid van het Amerikaanse leger. Die zou virussen, in voorraad in verband met onderzoek naar biologische wapens, hebben laten ontsnappen. Raketwapens die bij wijze van test naar het getroffen gebied zijn afgeschoten, en zo het virus hebben verspreid, moeten dit wat bizarre scenario completeren.

Na de eerste ziektegevallen brachten de Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention in Atlanta, om paniek onder de bevolking te voorkomen, snel een groot aantal onderzoekers op de been om de oorzaak van de epidemie vast te stellen. Ze boekten snel succes – nog geen maand na het eerste sterfgeval hadden de aanwijzingen tegen een hoofdverdachte zich opgestapeld: een virus van een type dat vooral door knaagdieren wordt overgebracht – een ‘hantavirus’. De variant werd niet, zoals gebruikelijk, genoemd naar zijn vindplaats uit vrees dat de plaatselijke indiaanse bevolking dat als een belediging zou opvatten. In plaats daarvan werd de naam Pulmonary Syndrome Hantavirus gekozen.

Korea

Ironisch genoeg was dit razendsnelle detective-werk juist te danken aan kennis die door het Amerikaanse leger was opgedaan ten tijde van de crisis in Korea, in 1951. Toen werden duizenden VN-soldaten getroffen door een virus dat acute nierontstekingen veroorzaakte. Antistoffen tegen deze ‘Seoel’-variant van de hantavirussen bleken nu te reageren met weefsel van de nieuwe patiënten. Toen vervolgens ook knaagdieren uit de omgeving van de patiënten eenzelfde reactie vertoonden, was het pleit eigenlijk al beslecht. Moderne genetische en immunologische onderzoektechnieken zorgden voor snelle en nauwkeurige gegevens.

Vorige week presenteerden de Amerikaanse onderzoekers de tussenstand van hun speurwerk op een congres in Atlanta. Inmiddels heeft men een groot deel van het erfelijk materiaal van het geheimzinnige virus ontrafeld. Daar staat tegenover dat het complete virus nog niet is geïsoleerd – hantavirussen hebben zich nooit gemakkelijk laten isoleren of kweken – een gegeven dat de schimmige theorie over betrokkenheid van het Amerikaanse leger er niet plausibeler op maakt.

Sporen van het virus werden in verschillende soorten knaagdieren aangetroffen, waaronder huismuizen, ratten en eekhoorns. Eén soort voert de lijst echter met vlag en wimpel aan: de deer mouse – in het Nederlands ‘hertmuis’ genoemd. Het is een muisje van een decimeter lang, met grote oren en ogen en een donzige vacht.

In het getroffen gebied komen ze algemeen voor, maar afgelopen voorjaar, zo bleek, was er sprake van een ware plaag – waar normaal ‘ongeveer drie muizen per hectare werden geteld, liepen er nu dertig rond. In bijna dertig procent van al die hertmuizen kan het virus worden aangetoond. De besmette personen hebben het virus waarschijnlijk opgepikt uit door de lucht zwevende, minuscule resten van uitwerpselen, wellicht van muizen die zich in hun huizen ophielden.

Al is de opsporing van de dader razendsnel gegaan, daarmee zijn nog niet alle vragen beantwoord. Zo is niet duidelijk waar de nieuwe virus-variant vandaan komt, en of hij kortgeleden is ontstaan of al veel langer rondwaarde. Onbekend is ook of er factoren zijn die het besmettingsrisico vergroten of verkleinen. Kunnen, bij voorbeeld, loslopende huiskatten het virus overbrengen – direct, via hun eigen besmetting, of indirect, doordat ze gevangen muizen het huis binnenslepen?

Tegen de ziekte zelf is voorlopig weinig te beginnen. Tot nu toe zijn voor zover bekend 26 mensen overleden – ruim twee derde van het aantal ziektegevallen. Inmiddels is er toestemming om nieuwe patiënten op goed geluk te behandelen met een algemeen antiviraal middel, al heeft niemand daar veel vertrouwen in, omdat de ziekte zich pas op het allerlaatste moment onderscheidt van een ordinair griepje.

Het voorkomen van nieuwe ziektegevallen is daarom vooralsnog het belangrijkste, bij voorbeeld door knaagdierpopulaties goed in de gaten te houden en zo nodig te bestrijden. Daarbij is het wel oppassen geblazen, want wanneer de bewoners massaal muizevallen gaan zetten, zou het aantal besmettingen wel eens snel kunnen toenemen – naast een muizeval liggen vaak uitwerpselen van de muis-in-doodsnood.

De eerste golf ziektegevallen is overigens al lang over zijn hoogtepunt heen. Maar sommigen vrezen dat zich, met het intreden van de winter, een nieuwe golf zal aandienen – muizen zouden de vrieskou kunnen gaan verruilen voor de behaaglijkheid van verwarmde woonhuizen. Niemand weet of de epidemie van dit voorjaar een enkele uitbraak was, of een eerste voorbode van meer onheil – andere hantavirus-epidemieën kennen ook een zomer- en een winterpiek. Geruststellend voor de indianen is wel dat het aantal hertmuizen het vertrouwde niveau van drie per hectare bijna weer heeft bereikt.

Bilthoven

Ab Osterhaus, viroloog bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne in Bilthoven, heeft vorige week met zijn Amerikaanse collega’s afgesproken dat Nederlandse bloed- en weefselmonsters de komende tijd in Atlanta op het nieuwe virus kunnen worden gecontroleerd. De kans dat daarbij exemplaren van het nieuwe virustype worden aangetroffen, acht hij echter niet groot. “Wij houden de Nederlandse knaagdieren, maar ook de exotische soorten die als huisdieren worden verkocht, systematisch in de gaten,” aldus Osterhaus. “Het moet nog bewezen worden, maar op grond van wat ik nu weet, ben ik er bijna van overtuigd dat het nieuwe virus met de testen die wij gebruiken, al tevoorschijn zou zijn gekomen.”

In Nederland begon het zoeken naar hanta-virussen enkele jaren geleden toen een stam laboratoriumratten besmet bleek. Inmiddels is duidelijk dat, vooral rond Enschede en de grensstreken ten zuiden van die stad, een hantavirus jaarlijks enkele tientallen personen met een nierinfectie in het ziekenhuis doet belanden. Maar, zegt Osterhaus, dat is alleen het topje van de ijsberg. Want uit steekproeven uit het bloed van donoren blijkt dat een tot twee procent van de plaatselijke bevolking wel eens met het virus in aanraking is geweest. Verreweg de meesten merken daar weinig of niets van. In de grensstreek treden vooral woelmuizen op als drager van het virus.

De Nederlandse hantavirussen zijn tot nu toe allemaal van het ‘Puumula-type’. Deze variant vertoont, blijkens de voorlopige onderzoeksresultaten, iets meer overeenkomsten met het nieuwe type dan de Koreaanse Seoel-variant. Hoewel Osterhaus in Nederland geen enkel ziektegeval kent zoals in de VS, wordt weinig aan het toeval overgelaten. Verdachte monsters zullen de komende tijd in Atlanta worden onderzocht – hier in Nederland een goed afgeschermd laboratorium opzetten zou veel duurder uitpakken. Boswachters en andere beroepsgroepen die door hun werk veel met knaagdieren in contact komen, worden regelmatig gecontroleerd. Ook dierentuinen en dierenwinkels, waar exotische knaagdieren door een rage soms plotseling in grote aantallen opduiken, worden goed in de gaten gehouden. Osterhaus: “Het moet natuurlijk geen hetze worden. Maar je moet altijd alert blijven.”

Related Posts