Menu Close

Ontbrekende schakel in de evolutie van de mens

Toen de Nederlandse arts Eugène Dubois honderd jaar geleden bekend maakte dat hij op Java de lang gezochte ‘ontbrekende schakel’ tussen mensaap en mens had gevonden, geloofden weinigen hem. Toen bijna ieder ander door nieuwe bewijzen was overtuigd, was hij zelf inmiddels weer van mening veranderd. De wetenschappelijke weg van de ‘rechtopgaande aapmens’ kende vele kronkels.

‘IS HET van moeders- of vaderskant dat u afstamt van de apen”, vroeg in 1860 tijdens een publiek debat de sluwe bisschop van Oxford, Samuel Wilberforce, onder grote hilariteit aan de zoöloog Thomas Huxley. De laatste, fel verdediger van Charles Darwin, had volgens de overlevering een snedig antwoord klaar – liever stamde hij af van een aap dan van iemand die zijn gebruikte om de waarheid te verbergen.

Dat antwoord kon echter niet verhullen dat het ‘sluitstuk’ van Darwins evolutietheorie, de ontstaansgeschiedenis van de mens, allesbehalve stevig op zijn voetstuk stond. Niet in de laatste plaats was dat te wijten aan het pijnlijke gebrek aan bewijs dat er levensvormen hebben bestaan die het midden houden tussen aap en mens.

Darwin zelf had er trouwens in zijn werk al vele malen – vergeefs, meestal – op gehamerd: het idee dat mensen zouden afstammen van apesoorten zoals wij die vandaag de dag kennen, stoelt op een grove misvatting van zijn theorie. In werkelijkheid, meende Darwin, heeft de mens, Homo sapiens, met mensapen als gorilla’s en chimpansees alleen voorouders gemeen: mens en mensaap vormen verschillende takken aan één gemeenschappelijke stam.

In de decennia na het beruchte Oxford-debat sleepte de discussie over de afstamming van de mens zich voort. Doorbrak bleven uit: bewijzen voor het bestaan van een ‘tussenvorm’ kwamen niet boven water. Het vinden van deze ontbrekende schakel – the missing link – groeide voor sommige wetenschappers uit tot een obsessie.

Tot die wetenschappers behoorde ook Eugène Dubois (1858-1940), een medicus afkomstig uit Limburg die zich had weten op te werken tot lector in de anatomie in Amsterdam. Zó gegrepen door de speurtocht naar menselijke voorouders was hij, dat hij nauwelijks een jaar na de benoeming aan de universiteit alweer ontslag nam, om zich aan te melden als ‘Officier van Gezondheid’ van het koloniale leger in het toenmalige Nederlands-Indië. Die overstap diende maar één doel: graven naar de missende schakel in de menselijke evolutie in de tropen van Zuidoost-Azië.

Ook Darwin had al het vermoeden uitgesproken dat de voorouder van de mens in tropische sferen gezocht moest worden. Het feit dat de mens zijn vacht was kwijtgeraakt, wees immers op een warm klimaat. Zuidoost-Azië genoot de voorkeur, omdat daar nog steeds apen als de orang oetan en de gibbon leven. Vooral de laatste soort, die een wat wankele rechtopgaande gang kent, werd beschouwd als nauw verwant aan de mens. Indië, de enige Nederlandse kolonie in deze streken, leek dus voor Dubois aan alle gewenste voorwaarden te voldoen.

In 1889 wordt Dubois door het leger vrijgesteld om op Sumatra opgravingen te doen. Hij vindt er duizenden fossiele kiezen van orang oetans, een mensaap die op dat eiland inmiddels was uitgestorven. Van een ‘aapmens’ echter geen spoor. In 1890 verlegt Dubois daarom zijn werkterrein naar midden-Java.

In 1891 is het daar raak: bij het dorp Trinil, aan de oever van de rivier de Solo, vindt Dubois een kies die niet aan een bekende apesoort valt toe te schrijven. Ironisch genoeg realiseert Dubois zich de waarde van de vondst niet direct – hij dicht de kies toe aan een onbekende chimpansee-soort. Ook als een meter verderop een schedeldak aan de oppervlakte komt, passend bij een schedel met een inhoud tussen die van een aap en die van een mens in, verandert hij niet van gedachten. Zelfs de vondst, twaalf meter verderop, van een dijbeen dat onmiskenbaar hoort bij een rechtop-lopend wezen, brengt hem niet aan het twijfelen: hij heeft wel een aap ontdekt die meer op een mens lijkt dan welke andere aap ook, maar de zo gewenste missing link blijft uit.

Teleurgesteld doopt hij zijn vondst Anthropopithecus erectus – de rechtopgaande mensaap (het Griekse woord voor mens is ‘anthropo’, dat voor aap is ‘pithecus’).

Pas wanneer Dubois twee jaar later in Nederland de schoongemaakte beenderen nader bestudeert, realiseert hij zich alsnog de waarde van zijn ontdekking – hij heeft wel degelijk, voor het eerst in de geschiedenis, de fossiele resten van een vroege voorloper van de mens gevonden. Hij hernoemt zijn fossiel van ‘mensaap’ tot ‘aapmens’: Pithecanthropus erectus. De aapmens zou zeven- tot achthonderdduizend jaar geleden hebben geleefd. In 1894 publiceert hij zijn revolutionaire vondst in een geschrift.

Jaren van verhitte debatten met sceptische vakgenoten volgen – de meesten weigeren te geloven dat de gevonden beenderen niet aan een gewone aap hebben toebehoord. Ook drie extra ‘menselijke’ dijbeenderen, die pas in Nederland uit de stapels opgegraven botten worden gevist, overtuigen de critici niet.

Pas na 1927, wanneer in de buurt van Peking de resten opduiken van tientallen mensachtigen die sprekend lijken op de vondst van Dubois, krijgt de Nederlander het gelijk aan zijn zijde. Zó menselijk zijn de door hem gevonden botten, oordelen de collega-geleerden opeens, dat de naam ‘Pithecanthropus’ eigenlijk misstaat: opnieuw wordt de vondst van Dubois dus omgedoopt, ditmaal in Homo erectus – de rechtopgaande mèns.

Dankzij nieuwe opgravingen wordt vervolgens stapje voor stapje het gat verder ingevuld: van mensaap, via respectievelijk Australopithecus (zoals de in Afrika ontdekte ‘Lucy’), Homo habilis (de eerste werktuiggebruiker) en Homo erectus tot Homo sapiens.

Tot de weinigen die tegen het eind van de jaren dertig niet gelooft dat de vondst bij Trinil de naam Homo waard is, behoort… Dubois zelf. In de loop der jaren heeft hij zoveel theorieën over zijn fossielen zien passeren, dat hij wederom van mening is veranderd. Homo erectus, houdt hij tot aan zijn dood in 1940 vol, was niets meer dan een ordinaire gibbon. De ‘Peking-mensen’ zijn volgens de oude Dubois in werkelijkheid niets anders dan gedegenereerde Neanderthalers – een vroege vorm van Homo sapiens.

Zelfs wanneer de Duits-Nederlandse paleontoloog Ralph von Koenigswald naar midden-Java terugkeert en in 1937 veertig nieuwe fossiele brokstukjes tot één Homo-erectus-schedel aan elkaar lijmt, laat Dubois zich niet overtuigen – hij gelooft niet dat de stukjes écht bij elkaar hebben gehoord. Later, lang na zijn overlijden, wordt zijn ongelijk, en dus zijn eerdere gelijk, alsnog bewezen: röntgenfoto’s tonen aan dat de schedelnaden van de reconstructie van Von Koenigswald netjes op elkaar aansluiten. Pithecanthropus erectus II, zoals Von Koenigswald zijn vondst eigenwijs noemt, bevestigt definitief de historische waarde van Dubois’ Pithecanthropus erectus I.

In het Leidse ‘Pesthuys’ is vanaf vandaag een tentoonstelling over de vondsten van Dubois en de evolutie van de mens te zien. Naast fossielen en fraaie reconstructies van onze voorouders zijn er ook authentieke gereedschappen, kaarten en aantekeningen van Dubois zelf aanwezig. Klapstuk vormen de originele fossielen van zijn Pithecanthropus erectus. voor het eerst te bezichtigen door het algemene publiek. Inl: 071-143844.