Menu Close

Nieuwe NWO-voorzitter Peter Nijkamp: ‘De koek moet groter’

Interdisciplinaire samenwerking, internationalisering, meer geld voor de wetenschap en nog hogere eisen aan NWO-onderzoek: dat zijn de meest urgente onderwerpen voor Peter Nijkamp bij zijn aantreden als voorzitter van NWO.

EEN ECONOOM aan het hoofd van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek — dat is eigenlijk wel een logisch idee, vindt prof. dr. Peter Nijkamp (1946), eind maart door onderwijsminister Hermans benoemd tot voorzitter van het Algemeen Bestuur van NWO.

Natuurlijk: nog altijd ligt bij NWO — afgemeten aan de verdeling van onderzoekssubsidies — het zwaartepunt in de exacte, technische en medische wetenschappen, en komen gamma-onderzoekers zoals hij er met tien procent van het budget relatief bescheiden af. Maar als halve wiskundige kan hij met al die bèta-collega’s prima praten, weet Nijkamp. En bovendien weet hij, als econoom, als geen ander hoe moeilijk het is om met schaarste om te gaan. “Binnen NWO”, voorspelt de nieuwe voorzitter, “zullen we voorlopig absoluut geen overvloed aantreffen.”

Dat de grootste verdeler van onderzoekssubsidies de komende jaren zal worden geleid door iemand die lange tijd aan de andere kant van de tafel zat, is al evenzeer als voordeel aan te merken, meent Nijkamp. Jaren lang behoorde de VU-onderzoeker — mede dankzij een Spinoza-premie die hij mocht ontvangen — tot de meest productieve en geciteerde wetenschappers in het land; nu krijgt hij, als aanbieder van subsidies, de kans zaken aan te pakken die hem als klant zijn opgevallen.

“Ik ben en blijf een wetenschapper”, zegt Nijkamp in de grijze betonnen VU-werkkamer die hij — naar hij in een vlaag van openhartigheid bekent — al jaren zoveel mogelijk probeert te ontvluchten. “Maar dat neemt niet weg dat de belangstelling geleidelijk steeds meer uitging naar het wetenschapsbeleid. In deze fase van mijn loopbaan ontstaat nu eenmaal de neiging verantwoordelijkheid op te pakken.”

“Over NWO kan ik inmiddels spreken vanuit twee soorten ervaringen: als klant en als iemand die alvast een beetje in de keuken heeft mogen meekijken. Vanuit beide posities ken ik NWO als een geoliede machine — een goed lopende, professioneel opgezette organisatie, met een toegewijde staf. Maar dat laat onverlet dat er een aantal punten zijn waarop ik mij in de komende periode wil richten.”

“Het eerste punt dat in mijn ogen aandacht nodig heeft, is dat er een toenemende behoefte is aan kruisverbindingen tussen gebiedsbesturen. Die besturen, hun naam zegt het eigenlijk al, zijn toch een beetje als kleine staatjes die hun territorium verdedigen — een beetje zoals Europa zich na de Middeleeuwen ontwikkelde. Op zich doen ze hun werk voortreffelijk. Maar door al die aparte koninkrijkjes komen interdisciplinaire initiatieven tussen gebiedsbesturen minder gemakkelijk aan bod. Er is behoefte aan specie om te voorkomen dat de zaken te ver uit elkaar groeien.”

“Een tweede punt waar we goed over moeten nadenken is de evaluatie van het onderzoek dat door ons wordt gefinancierd. NWO-onderzoek staat borg voor kwaliteit. Daarom mag de meetlat hoger liggen dan bij het reguliere eerste of derde geldstroomonderzoek gebruikelijk is. NWO-onderzoekers hebben geen last van beslommeringen die veel van hun collega’s aan de universiteit wel hebben: deelname in commissies en besturen, overleg, verplichtingen in het onderwijs. Van NWO-onderzoek mag je daarom, denk ik, verwachten dat het uitstijgt boven de thans gehanteerde — overigens ook reeds strikte — universitaire normen. Hoever erboven we willen uitkomen lijkt me een punt waarover we moeten praten.”

“Een derde punt waarop ik zwaar wil inzetten is internationalisering. Wetenschappers in Nederland doen verschrikkelijk veel mooie dingen, en velen van hen opereren al internationaal. Maar er zijn ook velden waar het woord internationalisering nog nauwelijks is doorgedrongen. Toch is naar mijn gevoel, in een verenigd Europa en een globaliserende wereld, alle wetenschap per definitie internationaal. Het kan niet zo zijn dat je in Nederland allemaal dingen op eigen gezag en helemaal alleen gaat doen. Dat geldt om te beginnen natuurlijk voor sommige takken van alfa- en gamma-onderzoek die tot nu toe een weinig internationale insteek hadden — zulk onderzoek moet in toenemende mate ook internationaal worden uitgevoerd. Maar het geldt ook voor bèta-onderzoek.”

Neem bijvoorbeeld het onderzoek naar het menselijk genoom. Dat is een belangrijk onderzoeksveld met veel Nederlands potentieel. Maar ons land moet naar mijn overtuiging niet denken dat het voldoende is daar op zich zelf veel geld in te stoppen. Dat soort onderzoek is inmiddels te veelomvattend om uitsluitend binnen de BV Nederland uit te voeren, zonder ook een vorm van internationale samenwerking. We moeten een open oog houden voor ontwikkelingen elders.”

“We moeten in mijn ogen naar een situatie waarin een deel van onze nationale onderzoeksmiddelen en de bestaande EU-middelen bij elkaar worden gelegd; er moet een soort European Research Council komen, waar Europese onderzoekers gezamenlijk een beroep op kunnen doen. De discussie daarover is elders al begonnen: de Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG) heeft al een deel van haar budget afgezonderd voor Europese samenwerkingsprojecten. Het zal een moeilijk debat worden, maar vroeg of laat zal duidelijk zijn dat een pooling van onderzoeksgelden in het belang van Europa en van Nederland is.”

Zou het Nederlandse aandeel van zo’n European Research Council uit het bestaande NWO-budget betaald moeten worden?

“Het is natuurlijk evident dat het in dat geval een hele moeilijke zaak zou worden. Het is mijn inziens dus onvermijdelijk dat er extra geld beschikbaar komt; voor internationalisering, voor de uitvoering van onze strategienota, voor meer riskant onderzoek en voor geavanceerde investeringen. Een toename van de middelen is een must, daar ben ik absoluut van overtuigd. En daarin sta ik gelukkig niet alleen. In november hebben alle Nederlandse wetenschapsorganisaties unaniem aan de minister van OCenW gemeld dat er via NWO minimaal 100 miljoen euro extra op tafel moet komen. Minimaal. We moeten in Nederland meer ruimte krijgen voor vernieuwend fundamenteel onderzoek.”

Zulke pleidooien komen verdacht bekend voor. Het is al bijna een traditie dat voor het aantreden van een nieuwe regering door de Nederlandse wetenschap om meer geld wordt gevraagd.

“Maar het is dit keer wel voor het eerst dat ook andere organisaties zoals de werkgevers zich bij dat pleidooi hebben aangesloten. Hen spreek ik er trouwens ook op aan: een van de grote zorgen in Nederland is momenteel dat grote bedrijven hun fundamentele onderzoek aanzienlijk hebben gereduceerd.”

“Op de een of andere manier is onderzoek de afgelopen tien jaar beschouwd als een luxe. Dat idee kun je misschien wel tijdelijk hebben, maar niet structureel. Op termijn gaat zich dat wreken. Het wreekt zich trouwens nu al. Kijk naar de ontwikkeling van software. We beleven momenteel een grote dip in de Nederlandse wiskunde- en informaticasector. Toch maken grote bedrijven zich daar maar beperkt druk over. Die denken: goede software-ingenieurs of wiskundigen vinden we ook wel elders, bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie, en dat voor een kwart van een Nederlands salaris. Als Nederland in software-ontwikkeling een leidende rol wil blijven spelen, dan zullen we als land zelf moeten investeren. En zo kun je tientallen voorbeelden noemen.”

Toch leken zulke pleidooien tot nu toe vaak aan dovemansoren gericht. De indruk is dat politici er niet meer van ondersteboven raken. Is Nederland nog wel het ‘kennisland’ waarover iedereen het zo vaak heeft?

“Als je kijkt naar alles wat er in ons land aan onderzoek wordt uitgegeven, dan is dat nog redelijk veel, zij het soms via ingewikkelde wegen. Een groeiend deel gaat alleen op aan de organisatie en de verspreiding van kennis, omdat dat in de politiek lang als een zwak punt is beschouwd. Inmiddels is er mede daardoor sprake van een onbalans: er is te weinig over voor echt wetenschappelijk onderzoek. Sinds eind jaren tachtig zijn de budgetten in de eerste en tweede geldstroom stukje bij beetje naar beneden gegaan. Die neergang is nog volstrekt onvoldoende hersteld.”

“Ik vind overigens dat die gebrekkige politieke belangstelling ook ons wetenschappers zelf valt aan te rekenen. Wij zijn er, als universiteiten en wetenschappelijke wereld, niet in geslaagd wetenschap als een belangrijk onderwerp op de politieke agenda te krijgen. Natuurlijk kun je blijven zeggen dat beleidsmakers ons niet zien zitten. Maar de werkelijkheid is dat wij ons wetenschappelijke product slecht aan de man brengen. Ik heb de afgelopen tijd gesproken met verschillende politici. En ik kan echt niet zeggen dat er geen belangstelling is voor wetenschap.”

“Wat we eraan kunnen doen? Veel meer dan in het verleden direct communiceren met ministers, met Kamerleden, maar ook met hoge ambtenaren op departementen of met de industrie; hun duidelijk maken dat we de wetenschap nodig hebben voor elk belangrijk onderwerp in Nederland — of het nou gaat om gezondheid, veiligheid of segmentatie in de samenleving.”

In haar strategienota heeft NWO negen thema’s genoemd waarop ze onderzoek wil stimuleren. Maar op die lijst komen maatschappelijke problemen als veiligheid, migratie of mobiliteit niet voor.

“De strategienota is in een redelijk kort tijdsbestek ontwikkeld na overleg met het veld. Als je uit een lijst van honderd, tweehonderd onderwerpen tot clusters moet komen en tevens sterke punten moet kiezen, dan kun je niet verwachten dat het resultaat helemaal dekkend en transparant is. Dat vind ik persoonlijk niet zo dramatisch. Bij schaarse middelen moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt, en het is prachtig dat onderzoek gesteund kan worden dat ook internationaal hoog scoort. Een nieuwe voorzitter moet niet direct beginnen die lijst aan te passen. Maar het is duidelijk dat die thema’s geen eeuwigheidswaarde hebben. Over een paar jaar zal een cyclus ontstaan waarin we oude thema’s kunnen afbouwen en nieuwe kunnen opzetten. Toch zou ik er ook tegen zijn om bij elk nieuw politiek hangijzer onmiddellijk te zeggen: hup NWO, weer een nieuw thema. Binnen de competitie om andere NWO-middelen is er voldoende ruimte om op zulke ad-hoc vragen in te spelen.”

“Mijn grootste zorg is juist dat speciale programma’s evenals deze thema’s een te groot beslag op het budget van NWO gaan leggen. Nu al zijn er gebiedsbesturen die zeggen: we hebben dit jaar geen geld om een open competitie te houden voor aio-achtige projecten. Die besturen treft geen verwijt — als het geld er niet is, houdt alles op. Maar het blijft onacceptabel. Het betekent dat we politici duidelijk moeten maken dat de ondergrens is bereikt. Als de open competitie verdwijnt, dan gaat het ten koste van de kwaliteit. Dan raken we de bodem.”

U begon met te zeggen: als econoom kan ik omgaan met schaarste. Toch lijkt u de oplossing vooral te zoeken in méér geld.

“Met schaarste omgaan betekent: de koek herverdelen. Maar het betekent ook: zorgen dat de koek groter wordt.”