Het gekrakeel rond de genetisch gemanipuleerde stier Herman maakt duidelijk hoe in Nederland nog wordt geworsteld met de ethische vragen rond genetische manipulatie – met dieren, maar ook met planten of mensen. In een poging het maatschappelijke debat op gang te brengen, vindt komende maand voor het eerst een Publiek Debat plaats waarin ‘gewone mensen’ zich afvragen of we mogen knutselen met de erfelijkheid van dieren. Te laat, vinden sommigen echter.
TOEN DE Tweede Kamer zich vlak voor de kerst boog over de vraag of de genetisch gemanipuleerde stier Herman dochters mag krijgen, was de innerlijke worsteling van het gezicht van sommige Kamerleden af te lezen. Tot op op het laatste moment werden zij heen en weer geslingerd tussen de beloften van onderzoekers, de hoop van ernstig zieke patiënten, de bezwaren van ethici en de felle protesten van actievoerders van de dierenbescherming. Genetisch manipuleren – of ‘modificeren’, zoals wetenschappers het nu liever noemen – van dieren: mag dat, en zo ja, onder welke voorwaarden?
De Tweede Kamer gaf uiteindelijk in grote meerderheid het groene licht. PvdA en VVD stemden voor, D66 en Groen Links tegen. Binnen de fractie van het CDA heerste verwarring: de meeste leden waren voor, negen stemden tegen.
Deze week voegde de Eerste Kamer een nieuw hoofdstuk toe aan de politieke verwarring. In een door alle partijen gesteunde motie droeg de Senaat minister Bukman van Landbouw op te onderzoeken of andere manieren zijn om biomedische eiwitten als ‘humaan lactoferrine’ te maken dan via het knutselen met menselijke genen in koeien. Wanneer uit zo’n onderzoek blijkt dat een van de alternatieve methodes levensvatbaar is, moet het onderzoek met Herman worden gestaakt. De senatoren riepen daarmee niet alleen Bukman tot de orde, maar ook hun collega’s uit de Tweede Kamer, die met vagere toezeggingen genoegen hadden genomen.
Om de chaos compleet te maken, bepaalde de Haagse rechter een dag later dat Bukman geen verwijten treffen bij zijn beslissing het doorfokken met Herman toe te staan.
Het besef begint te groeien dat ons door de voortgang in de biotechnologie een aantal hachelijke vragen wordt opgedrongen. Tegelijk wordt echter ook duidelijk dat niemand weet wie die vragen moet beantwoorden. Wetenschappers kijken naar de politiek, politici kijken naar wetenschappers. De leek staat, zo blijkt ook uit consumentenonderzoek, buitenspel, al was het maar omdat er sprake is van een onoverbrugbare kenniskloof.
Om deze impasse te doorbreken, werd in Denemarken zes jaar geleden voor het eerst een ‘publiek debat’ georganiseerd. Het evenement was een beetje afgekeken van een Amerikaans idee, dat al in 1977 door de National Institutes of Health werd toegepast. Daar werd een panel van deskundigen bijeengebracht om tijdens een consensus conference de risico’s en de mogelijkheden van nieuwe medische technieken in kaart te brengen en tegen elkaar af te wegen.
In Denemarken pakte men in 1987 de zaak nog democratischer aan. Het Publiek Debat werd hier gevoerd door leken zonder vakkennis, in plaats van door deskundigen: hùn wensen en vragen stonden centraal. Die vragen werden vervolgens beantwoord door een breed scala van wèl terzake deskundigen. Doel was onder meer om een groot publiek over de kwestie te informeren – de hoop bestond dat het mediagenieke evenement veel aandacht van de massamedia zou trekken. Terecht, naar bleek: op de radio en tv verschenen heuse samenvattingen.
Belangrijk vonden de Denen het echter ook om ‘gewone mensen’ te betrekken bij een discussie die tot dan toe grotendeels buiten hen om was gevoerd. Ten slotte probeerde men te bereiken wat tot op dat moment maar niet lukte: een afweging te maken van alle voors en tegens, door een gezelschap afkomstig uit alle hoeken van de samenleving.
Tot op dit moment hebben de Denen vier publieke debatten gevoerd: De thema’s waren ‘Biotechnologie in landbouw en industrie’, ‘voedseldoorstraling’, het ‘menselijk-genoomproject’ en ‘biotechnologie bij dieren’. Vooral de eerste bleek een grote invloed te hebben op de politieke discussie over het onderwerp. Omdat het Deense parlement tegelijkertijd in een debat over de kwestie was verwikkeld, lieten de parlementariërs hun oren hangen naar de conclusies van het lekenpanel: subsidies voor genetische experimenten op landbouwhuisdieren werden geschrapt.
Het ‘Deense model’ krijgt nu ook elders navolging. In Nederland sloegen de stichting Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek (PWT) en de Nederlandse organisatie voor Technologisch Aspectenonderzoek (NOTA) de handen ineen. Met geld van de ministeries van Landbouw, Onderwijs en Economische Zaken bereidden zij het afgelopen jaar een Nederlands Publiek Debat voor. Net als in Denemarken zal de eerste aflevering zijn gewijd aan genetische manipulatie met dieren. Ook in Engeland wordt inmiddels aan zo’n debat gewerkt.
Lekenpanel
Voor de Nederlandse editie werden via advertenties in dagbladen mensen opgeroepen zich aan te melden als lid van het ‘lekenpanel’. Uit de 111 reacties selecteerde men 16 deelnemers die geen binding hebben met biotechnologisch onderzoek of met belangengroepen die zich met het onderwerp bezighouden. De samenstelling van het panel is zo breed mogelijk gemaakt: panelleden zijn er van jong (22 jaar) tot oud (73), van lasser tot onderwijskundige en van Groningen tot Maastricht. De afgelopen maanden is het panel twee weekeinden bijeen geweest – de eerste keer om zich te laten onderwijzen in de eerste beginselen van het onderwerp, de tweede keer om te bepalen welke vragen zij willen stellen en aan wie.
De ontknoping van het debat volgt over enkele weken. Dan zullen de panelleden in Den Haag drie dagen lang beraadslagen over een antwoord op de vraag: ‘Genetische modificatie, mag dat?’
Een groot aantal gerichte vragen hebben ze al opgesteld. Welke mogelijkheden liggen door de biotechnologie in het verschiet? Zal dat betere medicijnen of medische behandelingen opleveren? Heeft een genetisch gemanipuleerd dier last van zijn nieuwe genen? Wat is eigenlijk ‘de intrinsieke waarde van een dier’? Is er een verschil tussen het manipuleren met bacteriën of met dieren? Wie beslist er nu of experimenten mogen doorgaan? Kan Nederland achterblijven als andere landen doorgaan? Wat gebeurt er als gemanipuleerde dieren uit hun stal ontsnappen? Kunnen kwaadwillenden misbruik maken van het onderzoek?
Uit een lijst van vijftig deskundigen die bereid waren naar Den Haag te komen, heeft het panel er twaalf uitgekozen. Onder hen bij voorbeeld dr H. de Boer, leider van het onderzoek met het stiertje Herman bij het bedrijf Gene Pharming Europe bv; dr L. Reijnders, werkzaam bij de stichting Natuur en Milieu; dr E. Schroten, voorzitter van de ethische commissie die in meerderheid het werk met Herman toelaatbaar achtte en drs M. Linskens, werkzaam bij de Dierenbescherming.
Na afloop van de driedaagse bijeenkomst zal het panel zich terugtrekken om een ‘slotverklaring’ op te stellen. Of de panelleden hun mening zullen hebben bijgesteld, zal blijken wanneer de – nu nog verzegelde – formulieren met hun aanvankelijke opvattingen uit de kluis worden gehaald.
Als het aan de organisatoren ligt, is het Publiek Debat met deze verklaring echter niet beëindigd. Nadrukkelijk willen zij dat, ook in Nederland, de politiek zich iets van de conclusies van het panel zal aantrekken. Om die reden zal het eindrapport onmiddellijk worden aangeboden aan W. van Gelder, voorzitter van de Vaste Vommissie voor het Wetenschapsbeleid in de Tweede Kamer. Dat is opmerkelijk, omdat het onderwerp wordt behandeld door een heel andere Kamercommissie: die voor landbouw.
Voorzitter P. Blauw (VVD) van die commissie wil wel uitleggen waarom hij niet bereid was op een zondag zijn gezin in de steek te laten om 270 kilometer zuidwestwaarts het rapport in ontvangst te nemen. “Ik wil niet negatief zijn, maar ik vind deze mensen een beetje wereldvreemd. Men had dit moeten doen vóórdat we in de Kamer worstelden en woelden met de Welzijns- en Gezondheidswet voor dieren, of met de beslissing over Herman. Ook een discussie van drie dagen zal niets meer kunnen veranderen aan de uitkomst van die besluitvorming: het ‘nee-tenzij’-principe.”
Van de Kamer, vindt hij, kan niet worden verwacht dat die na zo’n debat opeens op de schreden terugkeert: er moet ook een consistent beleid zijn. Hooguit wil hij nog praten over de toepassing van het ‘tenzij’. Blauw: “Men is gewoon te laat – de race is gelopen.”