Menu Close

VS worstelen met internet-belasting

Staatscourant, augustus 2001

Binnenkort eindigt in de Verenigde Staten een driejarig moratorium op het heffen van belasting op Internet. Over wat ervoor in de plaats komt woedt een ingewikkelde politieke strijd.

WASHINGTON — Een glunderende president Clinton zette zijn handtekening onder de wet toen, in 1998, succesvolle Internet-bedrijven als paddestoelen uit de grond leken te schieten. Het geloof in de ‘nieuwe economie’ was ongeveer op zijn hoogtepunt. Niets mocht de bloei van de nieuwe sector belemmeren, meenden zowel Clinton als het Amerikaanse Congres — zelfs geen belastingen. Dus werden zij het eens over een moratorium: de toegang tot Internet mocht drie jaar lang niet worden belast.

Als op 20 oktober aanstaande dat moratorium afloopt, ligt de droom van een onkwetsbare Internet-economie in duigen. E-commerce-bedrijven zakken dezer dagen vooral door de grond. Bij duizenden tegelijk zetten ze hun werknemers op straat. ‘Nú invoeren van belasting op Internet’, zei kort geleden vice-gouverneur Jane Swift van Massachusetts, `zou gelijk staan aan het gooien van een anker naar een drenkeling, in plaats van een reddingsvest.’

Hoe logisch die constatering ook moge lijken, een belastingvrij Internet staat in de VS voor het eerst ter discussie. Afgelopen week stuurden de gouverneurs van veertig Amerikaanse staten een brandbrief naar het Congres. Als lokale overheden de groeiende Internet-handel niet op de een of andere manier kunnen belasten, schreven zij, dreigt niet alleen een gevaarlijke en oneerlijke achterstand voor winkels van steen; ook de lokale schatkisten dreigen langzaam maar zeker leeg te lopen, met alle gevolgen van dien.

In weerwil van de malaise op de aandelenbeurs neemt de handel via Internet nog steeds toe. Inmiddels vinden in de VS voor miljarden dollars per jaar aan goederen en diensten hun weg naar de consument. De toekomstvoorspellingen lopen uiteen, maar volgens het General Accounting Office — de ‘Rekenkamer’ van het Congres — dreigen overheden bij ongewijzigd beleid over twee jaar al 12,5 miljard dollar (13,7 miljard Euro) aan belastinginkomsten mis te lopen.

Hoewel het land als geheel minder afhankelijk is van consumptieve belastingen dan Europa, moeten veel staten wel degelijk een aderlating vrezen: in zes staten komt zelfs meer dan de helft van de begroting binnen door op elke verkooptransactie een percentage van vijf tot vijftien procent te heffen.

`De rekensom is heel eenvoudig,’ stelde senator Bob Graham (Florida) tijdens een debat: `Geen belasting op Internet-handel betekent minder geld voor scholen en politie-agenten.’

Toch heeft het feit dat staten miljarden dollars mislopen ironisch genoeg weinig te maken met het nu aflopende moratorium op Internet-belasting: dat moratorium verbood alleen exclusief op Internet gerichte heffingen, zoals op de abonnementen van netwrk-providers. Over goederen of diensten die via Internet-kabels worden besteld of geleverd, sprak de wet zich niet uit.

Het werkelijke probleem zat hem al die tijd in een uitspraak van het federale Supreme Court. Al in 1992 bepaalden de opperrechters dat de Amerikaanse staten op elkaars grondgebied geen belastingen mogen heffen.

Voor staten lag daarmee theoretisch maar één optie open: de heffing niet innen bij de verkoper, maar bij de consument. Veel staten kennen inderdaad een ‘verbruiksbelasting’, bedoeld om lagere tarieven in naburige staten aan te vullen tot het plaatselijke niveau. Maar in de praktijk geldt deze belasting als nauwelijks te innen. Dit jaar vroeg de staat Maryland voor het eerst zijn belastingbetalers alle buitenstaatse aankopen op te geven. Dat vrijwel niemand dat doet, is zelfs voor de overheid zelf geen verrassing.

De Supreme Court had echter zelf de weg naar een oplossing gewezen: als het Congres toestemming gaf, dan kon het belastingverkeer tussen staten zonder grondwettelijk bezwaar op gang komen.

Daarmee belandde de kwestie in een impasse. Want het Congres toonde geen haast de gevraagde toestemming te verlenen — zeker niet zolang het land meer dan zevenduizend lokale belastingstelsels telt, elk met zijn eigen productcategorieën en tarieven. Internetwinkels blootstellen aan deze overdosis aan regels zou zeker het einde betekenen.

Inmiddels hebben echter negentien staten hun belastingsystemen op elkaar aangepast en zijn veel andere bezig dat voorbeeld te volgen. Door die vereenvoudiging kan een Internetwinkel voor elke combinatie van klant en product snel berekenen hoeveel belasting zou moeten worden geïnd. Tijd dus, schrijven de gouverneurs in hun brandbrief, voor het Congres om zijn zegen te geven aan lokale belasting op verkopen via postorderbedrijven of Internet. Zoniet — en hier komt de stok achter de deur — dan zou het op zijn minst moeten weigeren het moratorium op speciale Internet-heffingen met vijf jaar te verlengen.

Nog geen twee maanden voor het verstrijken van de deadline hebben voor- en tegenstanders van belasting op Internet-handel steun in het Congres verzameld. Maar omdat geen van beide zijden zich verzekerd weet van een comfortabele meerderheid, is in de achterkamers van Senaat en Huis het traditionele armpje-drukken over een compromis al begonnen.

Komt men er niet uit, dan is over twee maanden het moratorium op Internet-heffingen de facto voorbij. Dan zullen staten zich, nog steeds niet bevoegd Internetverkopen aan te pakken, als hongerige wolven op lokale Internetdiensten storten. Maar linksom of rechtsom lijkt, zelfs in Amerika, de tijd van een nieuwe economie zonder belastingen nu toch definitief voorbij.

Related Posts