Bijna was het historische boekwerk verdwenen met het grof vuil. Hadden bouwvakkers niet gezegd dat de verlaten opslagkelder over twee dagen zou worden geruimd, en hadden twee senaatsmedewerkers daarop hun nieuwsgierigheid niet de vrije loop gelaten, dan was het kasboek over de eerste negentig jaar van de Amerikaanse Senaat nu vermalen tot oud papier.
Nadat twee medewerkers van het Senate Democratic Policy Committee wat oude dossiers van hun eigen afdeling hadden veiliggesteld, neusden ze op goed geluk nog wat rond. Tussen dozen met vergeelde ziekenfondsformulieren zagen ze, achteloos op een plank gesmeten, een stapel oude boeken. Eén oogde wel heel bijzonder: in zwaar canvas gebonden, gevuld met zwierige, verbleekte letters. Het opschrift: ‘Beloning en Reiskostenvergoeding Senatoren — 1790-1881.’
Binnen enkele minuten bevestigde Senaats-archivaris Richard Baker de unieke vondst: het ging om het originele kasboek van de Senaat, waarin tientallen senaatsvoorzitters, onder wie historische grootheden als John Adams en Thomas Jefferson, de kleinste inkomsten en uitgaven met hun handtekening hadden bekrachtigd.
Volgens een reconstructie van de archivaris werd het historische document in 1963, om onduidelijke redenen, door de financiële administratie van de Senaat opgevraagd uit de National Archives. De afdeling moet het hebben laten liggen toen ze rond 1982 naar elders verhuisde, en de kelders onder het Capitool aan hun lot overliet.
De bijna vergeten, door muizen gefrequenteerde kamers bevonden zich onder de majestueuze trappen van het Capitool, de zetel van het Amerikaanse Congres. De trappen worden momenteel afgebroken om plaats te maken voor een groot ondergronds bezoekerscentrum.
Naast historische handtekeningen geeft het kasboek een menselijk doorkijkje in het reilen en zeilen van de nog jonge Amerikaanse democratie. Zo bevat het een minutieus overzicht van de declaraties van senatoren, die per zittingsdag zes dollar verdienden — volgens historici in die dagen goed voor ongeveer 25 liter rum.
Omdat senatoren lange afstanden overbrugden naar New York, en later naar Philadelphia resp. Washington, kregen zij bovendien 30 cent per mijl, met een maximum van 20 mijl per dag. Dat bood de mogelijkheid tot creatief declareren. Jefferson Davis bijvoorbeeld, de senator die twintig jaar later de zuidelijke Confederacy zou aanvoeren, declareerde in 1840 volgens het kasboek vierduizend mijl voor een retour Mississippi-Washington — twee keer zo veel als de werkelijke afstand.
Zesentwintig senatoren kostten in 1791 ruim 54 duizend dollar. Inmiddels kosten honderd senatoren jaarlijks het driehonderdvoudige. Maar hun salaris is per zittingsdag nog steeds goed voor 25 liter heel redelijke rum.
