Menu Close

In de broeikas slinkt de woestijn

Over de hele wereld bestaat vrees voor de gevolgen van oprukkende woestijnen. Amerikaanse onderzoekers moesten tot hun eigen verrassing echter constateren dat de Sahara sinds 1984 juist is geslonken.

DE CONSTANTE STROOM berichten over de geleidelijke opwarming van de aarde en de gevolgen van de aanhoudende droogte op Afrikaanse vasteland doen wellicht anders vermoeden, maar de omvang van Sahara is tussen 1984 en 1990 met ongeveer zeven procent afgenomen.

Dat hebben drie Amerikaanse onderzoekers, enigszins tot hun eigen verbazing, moeten concluderen uit een vergelijking van satelliet-opnamen van de Centraalafrikaanse plantengroei tussen 1980 en 1990. Vorige week publiceerden zij de resultaten van hun onderzoek in het wetenschappelijke tijdschrift Science.

Al sinds het begin van deze eeuw circuleren theorieën over de vermeende groei van de woestijnen, en algemeen werd dan ook aangenomen dat ‘s werelds grootste woestijn, de Sahara, in die tijd flink in omvang is toegenomen. De schuld daarvoor werd gelegd bij grote perioden van droogte, tezamen met menselijke activiteiten: het gebied ten zuiden van de woestijn, de Sahel, zou te intensief zijn begraasd en bewerkt, en bossen zouden zijn gekapt om in de behoefte aan brandhout te voorzien.

Bewijs

Een overtuigend bewijs voor een dergelijke groei ontbrak tot nu toe echter. Dat kwam niet alleen doordat het begrip ‘woestijn’ altijd slecht gedefinieerd is geweest, maar ook doordat de grens tussen woestijn en niet-woestijn vanaf de grond nauwelijks te bepalen is: het woestijngebied gaat in het zuiden uiterst geleidelijk over in de Afrikaanse steppe – een al even slecht gedefinieerd begrip. Per kilometer neemt de gemiddelde neerslag per jaar met niet meer dan 1 millimeter af.

In het Noorden ligt de grens wel vast, in de vorm van het langgerekte Atlasgebergte van Marokko en Algerije en de kust van de Middellandse Zee.

De Amerikaanse onderzoekers, onder leiding van Wilbur Newcomb van het ruimtevluchtcentrum Godard van de NASA, hebben geprobeerd de leemte te vullen met foto’s afkomstig van twee weersatellieten. De satellieten vingen licht op in het rode en bijna infrarode gedeelte van het spectrum.

De intensiteit van de eerste soort licht hangt samen met de hoeveelheid bladgroen, afkomstig van groene planten, beneden op de grond – hoe meer chlorofylkorrels gebruik maken van het rode licht om zonne-energie vast te leggen, des te minder kan worden teruggekaatst naar boven. De hoeveelheid van het tweede lichttype houdt verband met verstrooiing van zonlicht door de bladeren in het plantendek.

De onderzoekers trokken een – betrekkelijk willekeurige, maar in ieder geval redelijk nauwkeurig vast te stellen – grens tussen de Sahara en de Sahel: de lijn waar, op grond van de waarnemingen aan de plantengroei, verondersteld wordt in een jaar 200 millimeter regen gevallen te zijn. Volgens de satellietfoto’s besloeg in 1980 de zo gedefinieerde Sahara 8,6 miljoen vierkante kilometer – bijna 250 keer Nederland. Gedurende de jaren daarna schoof de grens zuidwaarts. In 1984, het droogste jaar van deze eeuw, werd het ‘record’ bereikt: de 200-millimeterlijn lag toen gemiddeld 250 kilometer zuidelijker dan vier jaar ervoor. Het oppervlak van de woestijn was daardoor met zestien procent toegenomen, tot 10,0 miljoen vierkante kilometer.

In de jaren na 1984 keerde het tij. In 1988 mat de Sahara nog 8,9 miljoen vierkante kilometer – elf procent minder dan vier jaar daarvoor. De zuidgrens van de woestijn had zich in die periode bijna 190 kilometer noordwaarts verplaatst. Na 1988 werd de trend weer omgebogen, en tot 1990 schoof de grens 80 kilometer naar het zuiden, waardoor de Sahara weer aangroeide tot 9,4 miljoen vierkante kilometer.

De onderzoekers zijn nog het meest verbaasd over de enorme jaarlijkse fluctuaties. Zo kwam er alleen al tussen 1982 en 1983 ruim een half miljoen vierkante kilometer zandwoestijn bij. Tussen 1984 en 1985 verdween er juist drie kwart miljoen. De jaarlijkse variatie was het grootst in Mauretanië, en het grensgebied van Niger en Tsjaad, en het kleinst in Mali en Soedan.

Door de grote schommelingen mag, aldus de onderzoekers, aan hun resultaten nog geen definitieve conclusie worden verbonden over lange-termijnbewegingen van de zuidgrens van de Sahara. Daarvoor zullen wellicht nog veertig jaar lang vergelijkbare metingen nodig zijn, waarvoor hun getallen hooguit een goed uitgangspunt bieden. Met de nu gepubliceerde onderzoeksresultaten is dus nog niet echt afgerekend met theorieën dat de Sahara zou uitdijen. Anderzijds bieden ze aan dergelijke ideeën ook geen steun.

Binnenkort zullen we ook weten of de gevonden fluctuaties ook in andere woestijngebieden terug zijn te vinden. De onderzoekers zijn druk doende de foto’s van andere woestijnen te analyseren.

Related Posts