Menu Close

BIOTECHNOLOGIE: De angst voor het onbekende

Afgelopen zondag spitten anonieme actievoerders drie proefvelden om met genetisch veranderde landbouwgewassen. Gevreesd wordt dat ook andere veldproeven het eind van de zomer niet zullen halen. Over de risico’s van biotechnologie is nog maar weinig bekend. Maar de maatschappelijke discussie komt maar moeizaam los.

IN DE NACHT van afgelopen zondag sloegen onbekende actievoerders voor het derde achtereenvolgende jaar toe op de Nederlandse akkers. Proefvelden met landbouwgewassen, die in het laboratorium van een nieuw gen waren voorzien dat hen beter bestand moest maken tegen ziekte of bestrijdingsmiddelen, werden onherstelbaar omgeploegd. Een essentiële stap in de introductie van ‘genetisch gemodificeerde’ gewassen werd zo met succes gesaboteerd.

Het was niet de eerste keer dat veldexperimenten door ploegende actievoerders werden afgebroken. In Wageningen rooiden twee jaar geleden de ‘Ziedende Bintjes’ voortijdig de genetisch veranderde aardappelen van de eerste en enige veldproef bij het Instituut voor Plantenveredelingsonderzoek. Een jaar later hielden ‘Woedende Escorts’ huis op de twee experimentele aardappelvelden in Wageningen en Emmeloord. Dit jaar was het de beurt aan de ‘Razende Rooiers’, die een maïsveld in het Zeeuwse Rilland en twee aardappelvelden in Bant (Noordoostpolder) en Wageningen bewerkten.

De anonieme actievoerders verdedigen hun daad in een lange persverklaring. “De landbouw wordt afhankelijker van multinationals”, stellen zij. “Boeren moeten straks genetisch veranderd zaad kopen, met daarbij een zak van het bijbehorende bestrijdingsmiddel. Boeren in ontwikkelingslanden raken van de ene dag op de andere hun middelen van bestaan kwijt, omdat door biotechnologie hun gewas als grondstof overbodig is geworden.”

De veldproeven bedreigen volgens de ‘rooiers’ ook het milieu. Bovendien, vinden zij, bouwt biotechnologie voort op de ‘gedachte dat de natuur er ligt om uit te buiten. “De biotechnologische mafia kan vrijwel ongestoord zijn praktijken uitoefenen. Aan ons de opgave om ze een hak te zetten. Onze actie is bedoeld om de discussie los te maken, maar ook om daadwerkelijk biotechnologie te saboteren. Een veldproef is tijdrovend, kwetsbaar en kostbaar, en moeilijk even over te doen.”

Basta

Dat laatste klopt: de schade voor de getroffen bedrijven is aanzienlijk. Kweekbedrijf Van der Have in Rilland onderzocht gemanipuleerde maïsplanten. Het bedrijf had een gen ingebouwd dat de maïs moet beschermen tegen het onkruidbestrijdingsmiddel ‘Basta. Zo kan het onkruid met meer gif worden bestreden, terwijl de maïs de chemische aanval probleemloos doorstaat.

De veldproef moest twee vragen beantwoorden: zijn de planten inderdaad Basta-resistent geworden, en groeien ze verder uit tot normale planten. Het eerste deel van de proef was reeds – met succes – afgerond. Nu de stengels dit weekeinde echter tot vlak bij de grond zijn afgeknipt, blijft stap twee onuitgevoerd. “We moeten weer een jaar wachten”, aldus directeur drs C. Noome van Van der Have. “En onze concurrenten in de open Europese zaadmarkt zitten niet stil, dus het kan een uiterst kostbaar jaar worden.”

Ook de andere twee betrokken firma’s, Mogen International nv uit Leiden en Hettema uit Emmeloord, raakten met hun aardappelproeven een jaar achterop.

Omdat nog heel weinig bekend is over de risico’s voor het milieu van planten met ‘vreemde’ genen, moet voor alle veldproeven afzonderlijk toestemming worden gevraagd bij de Voorlopige Commissie Genetische Modificatie (VCOGEM). Die bekijkt of vooraf voldoende laboratoriumproeven zijn uitgevoerd, en schrijft eventueel voorzorgsmaatregelen voor, zoals insectennetten of bloemgaasjes, die het verspreiden van stuifmeel voorkomen. Wat er in écht open terrein zou gebeuren, is natuurlijk een heel andere vraag.

Uit het feit dat de eerste actie in 1989 direct het allereerste, Wageningse veldexperiment ruïneerde, kan afgeleid worden dat de daders in kringen rond de Landbouwuniversiteit te vinden zijn. Tot en met vorig jaar lukte het om alle veldexperimenten te saboteren, en Van der Have-directeur Noome vreest dat ook dit jaar nog vele veldjes zullen volgen. “Ik heb hier een pamflet voor me waaruit blijkt dat ze tot in detail op de hoogte zijn van de locaties”, zegt hij. “Ik ben er redelijk van overtuigd dat het plan is om ook dit jaar geen plant boven de grond te laten staan.”

Informatie over aangevraagde veldexperimenten ligt voor iedereen ter inzage, onder meer in de bibliotheek van het ministerie van volksgezondheid, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM). Zowel dat ministerie als de VCOGEM zeggen, ondanks de acties, niet aan die openbaarheid te willen tornen. VROM-ambtenaar mr drs P.J. van der Meer: “De actievoerders suggereren een waas van geheimzinnigheid rondom die experimenten, maar dat is onterecht. Ik heb hen via-via wel eens aangeboden – we weten ongeveer in welke hoek ze gezocht moeten worden – om eens te komen praten. Het zijn geen sukkels, ze weten waar ze het over hebben. Maar daar gaan ze niet op in. Er zijn volstrekt openbare inspraakprocedures van zes maanden, maar die laten ze onbenut. Dat vind ik onhandig, dom en laf.”

Van der Meer vreest wel dat het steeds moelijker zal worden om bedrijven uit te leggen dat hun aanvragen in alle openheid afgehandeld moeten worden. Maar de Hinderwet bepaalt dat ten minste de plaats, het gewas en de veiligheidsmaatregelen openbaar zijn, zodat omwonenden bezwaar kunnen aantekenen.

Goede zaak

Toch zegt ook Noome, wiens bedrijf overigens eigendom is van een boerencoöperatie (Suikerunie), aan de openheid vast te willen houden. “We willen de mensen ervan overtuigen dat wij met een goede zaak bezig zijn. We nodigen ook vaak mensen uit om te komen kijken bij onze proefvelden, zodat we kunnen uitleggen wat we doen.” Uiteindelijk, en dat begrijpt Noome ook, moeten de producten afgezet worden op de markt, en dat kan alleen wanneer die markt de biotechnologie heeft geaccepteerd.

Was het aantal veldexperimenten vorige jaren nog te overzien, nu neemt het aantal potentiële doelwitten snel toe. De VCOGEM verleende afgelopen jaar veldproefvergunningen voor enkele tientallen locaties. Het ging om proeven met genetisch veranderde aardappelen, suikerbieten, koolzaad- en maïsplanten en chrysanten. Niet al die plaatsen zijn benut – het bedrijf PAGV vroeg vergunning aan voor 34 velden, waarvan maar twaalf worden gebruikt, zodat eventuele vernielers op een dwaalspoor komen.

De komende jaren zal het aantal proefvelden zich gestaag blijven uitbreiden. Alleen al Van der Have wil suikerbiet, koolzaad, grassen, maïs, granen, uien, zonnebloemen, sla, komkommer en tomaat gaan modificeren. Volgens de stichting Natuur en Milieu komen ook aubergines, paprika’s, bloemkolen, augurken, erwten en meloenen aan de beurt.

Ook Natuur en Milieu noemt de door de VCOGEM voorgeschreven veiligheidsmaatregelen onvoldoende om het milieu te beschermen. Overigens maakt een medewerker van de stichting, dr Lucas Reijnders, zelf deel uit van de 17 leden tellende VCOGEM. ‘Een rituele schaamlap’, noemen de actievoerders hem daarom, die verhult dat de commissie wordt bevolkt door ‘fervente voorstanders’ van biotechnologie. Dat laatste is echter onjuist, vindt de Wageningse hoogleraar dr J.C. Zadoks. Zelf zit hij in de VCOGEM op voordracht van natuurbeschermingsorganisaties, en ook de Gezondheidsraad, de Raad voor de Milieuhygiëne, de Landbouwadviesraad en de Arbo-raad hebben eigen deskundigen in de commissie.

Monsters

De radicale acties van de Razende Rooiers staan niet helemaal op zichzelf. Ook elders in de samenleving begint het voorzichtig te rommelen. Nog onlangs toonde Brandpunt, de actualiteitenrubriek van de KRO, lugubere monsters en griezelige laboratoria begeleid door dreigende muziek (VROM-ambtenaar Van der Meer: “ongegronde stemmingmakerij waarvoor zelfs Privé zich nog zou schamen”). De Consumentenbond protesteert tegen de ‘heimelijke’ introductie van het eerste biotechnologisch gemaakte voedingsproduct in de Nederlandse supermarkt: de nieuwe zuivelproducten dreigen te worden gaan verkocht zonder dat het etiket duidelijk vermeldt dat genetisch veranderde bacteriën hebben meegeholpen bij de fabricage. Drie maanden geleden richtte de bond, samen met Konsumentenkontakt, de kritische stichting Consument en Biotechnologie op, die hen de komende jaren van advies moet voorzien.

Natuurlijk wijzen de meeste betrokkenen de illegale acties van de Razende Rooiers met kracht af. Maar sommigen uitten wèl tevredenheid over een positief neveneffect: de discussie over wat wel, en wat niet mag in de biotechnologie – of het nu gaat om bacteriën, planten of dieren – komt er misschien eindelijk door van de grond. Want daarover zijn actievoerders, bedrijven, overheidsinstanties en consumentenorganisaties het wel eens: dat debat is dringend nodig.

Kennis over technieken geeft geen vertrouwen

NEDERLANDERS, DUITSERS EN DENEN weten van alle Europeanen het meest over biotechnologie. Tegelijk zien zij in de nieuwe biologische technieken ook de meeste gevaren. Dat blijkt uit een enquête, die in opdracht van de Europese Commissie in alle lidstaten van de EG werd gehouden. Het onderzoek maakte deel uit van een halfjaarlijkse peiling waarmee de meningen over telkens andere onderwerpen in kaart worden gebracht.

Van de 12.800 ondervraagden denkt de helft dat biotechnologie zijn leven zal veraangenamen. Daarentegen vreest tien procent juist een verslechtering. In Nederland en Denemarken, niet geheel toevallig de landen die het verst zijn gevorderd met regelgeving rond genetische experimenten, ligt dat percentage twee keer zo hoog.

De ondervraagden mochten van zeven toepassingsgebieden van de biotechnologie aangeven of ze gestimuleerd moeten worden. Met de meeste toepassingen had een meerderheid van hen geen problemen. Dat gold alleen niet voor onderzoek om vee sneller te laten groeien of beter bestand te maken tegen ziekten (iets minder dan vijftig procent). Het knutselen met genen van dieren voor het ontwikkelen van levensreddende medicijnen of onderzoek aan menselijke ziekten vond slechts dertig procent moreel aanvaardbaar.

Liefst 95 procent gaat akkoord met het creëren van bacteriën die olievlekken opruimen, hoewel 58 procent dat wel ‘riskant’ vindt. Onderzoek om de kwaliteit van voedsel te verbeteren wordt door 65 procent gesteund, hoewel 72 procent er niet helemaal gerust op is.

Vrijwel iedereen vond dat de overheid streng toezicht moet houden. Slechts zeven procent vertrouwt echter de informatie die overheden over biotechnologie verspreiden. Nog minder vertrouwen geniet het bedrijfsleven (1,3 procent). Universiteiten worden geloofd door 17 procent, milieu-organisaties door 23 procent en consumentenorganisaties door 27 procent van de mensen.

Overigens wisten niet alle ondervraagden even goed wat biotechnologie precies is. Zo dacht een op de drie Denen dat biotechnologie niets te maken heeft met het stellen van kankerdiagnoses. Een klein deel, tien tot twintig procent, zag zelfs geen verband met ‘het verbeteren van bestaande kruisingsmethoden’ of ‘het maken van nieuwe organismen met behulp van erfelijk materiaal uit andere soorten’.

Related Posts