Menu Close

Familie van Herman is er schrikbarend slecht aan toe

Dankzij Herman werden pogingen om koeien te voorzien van menselijke genen wereldberoemd. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat de onderzoekers kampen met grote problemen – uitzonderlijk veel kalfjes komen dood, te zwaar of helemaal niet ter wereld.

‘SCHRIKBARENDE CIJFERS’ – zo noemt de Utrechtse hoogleraar dr A. H. Willemse de jongste gegevens over vruchtbaarheidsproblemen na pogingen om genetisch veranderde koeien ter wereld te brengen. Uit resultaten die het Leidse bedrijf Gene Pharming Europe bv, uitvoerder van het onderzoek, aan Minister Bukman van landbouw verstrekte, blijkt volgens Willemse, hoogleraar fertiliteitsstoornissen aan de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht, zonneklaar dat het werk gepaard gaat met grote problemen tijdens de zwangerschap en bij de geboorte.

Een greep uit de cijfers: van de 75 koeien die na het inbrengen van een behandeld embryo drachtig werden, ondergingen tot nu toe 17 een spontane abortus. Van de 45 draagmoeders die een vrucht tot het einde uitdroegen, baarden er zes dode kalveren. Van de 39 levendgeboren dieren moesten er 17 via een keizersnede worden gehaald. Vijf van de levendgeborenen zijn inmiddels op jonge leeftijd overleden.

“Dat hier sprake is van een verstoord welzijn en een aantasting van de gezondheid – met name waar het gaat om keizersneden – zal geen zinnig mens kunnen ontkennen,” zegt Willemse. Hij vergelijkt de resultaten van het onderzoek met de situatie in de doorsnee Nederlandse veestapel. Het percentage abortussen ligt dan ten minste vijf tot zes keer hoger, het percentage doodgeboren kalfjes is bijna tweemaal zo groot. Het aantal keizersneden op melkveebedrijven varieert in Nederland tussen de een en tien procent, afhankelijk van het ras en de kruising – de 38 procent uit de experimenten van Pharming kunnen volgens Willemse ‘uitzonderlijk hoog’ worden genoemd.

De Utrechtse hoogleraar staat in zijn observatie niet alleen. Na bestudering van de cijfers ziet ook de Wageningse hoogleraar veeteeltwetenschap dr J. Noordhuizen voldoende redenen om ‘de wenkbrauwen te fronsen’.

“De hoge aantallen doodgeboorten, abortussen, keizersneden en overleden kalveren zijn reden tot zorg,” stelt hij. Het probleem is alleen dat het om zo weinig dieren gaat, dat je die zorg wetenschappelijk nooit hard zult kunnen maken. Daarvoor zijn vergelijkende proeven nodig met honderd of misschien nog wel meer drachtige koeien.”

Overigens strekt de zorg van Noordhuizen verder dan de geboorteproblemen. y noemt het ‘opvallend’ en ‘wel verrekte toevallig’ dat in zo’n kleine groep dieren zeldzame aandoeningen als hydrops ascites en schistozoma reflexa opduiken.

Ook drs O. Postma, directeur van Gene Pharming Europe bv, zitten de cijfers ‘niet lekker’. “Ook wij zijn niet tevreden met het hoge aantal abortussen en zware geboorten.” Postma tekent wel aan dat niets er tot nu toe op wijst dat het inbrengen van de menselijke genen de problemen veroorzaakt – iets wat ook de andere deskundigen benadrukken. Postma: “En dat was toch de centrale vraag in het onderzoek.” Dr L.F.M. van Zutphen, hoogleraar proefdierkunde in Utrecht, bepleit dan ook dat snel wordt onderzocht of de problemen iets met het overbrengen van genen te maken hebben, of dat veeleer het bewerken en kweken van de embryo’s verantwoordelijk is.

Van maar één dier – de beroemde stier Herman – is aangetoond dat hij in al zijn cellen het menselijke gen heeft ingebouwd en dus ‘transgeen’ is. Met Herman lijkt niets aan de hand – hij staat blakend van gezondheid in Lelystad op proefboerderij ‘t Gen van het landbouw-instituut IVO/DLO. Postma’s collega, wetenschappelijk directeur dr H. de Boer, is er ook van overtuigd dat, wanneer er straks meer transgene runderen zullen zijn, niemand het verschil met gewone koeien zal kunnen zien. Maar geboorteproblemen bij halfzusjes en -broertjes, neefjes en nichtjes van Herman blijven in zo’n vergelijking natuurlijk buiten beeld.

Vanaf het begin leek er op ‘Project P 796’, zoals het onderzoek officieel heeft, weinig zegen te rusten. In samenwerking met IVO/DLO wil Gene Pharming koeien maken die in hun melk menselijke eiwitten afscheiden. Wellicht, is de gedachte, kunnen die worden ingezet bij de behandeling van allerlei kwalen. Het eerste project richtte zich op de genen voor de menselijke eiwitvarianten van lactoferrine en lysozym.

Om de ‘superkoe’ tot stand te brengen moet een menselijk gen, aangevuld met een stukje DNA dat ervoor zorgt dat het gen alleen in de melkklier actief wordt, bij de lichaamscellen van een koe worden ingebracht.

Het procédé van Gene Pharming begint in het slachthuis. Van geslachte koeien worden de eierstokken verzameld en nagekeken op levende eitjes. In het laboratorium worden die eitjes bevrucht met sperma van een goede stier.

Direct nadat ei- en spermacel zijn versmolten tot een eencellig embryo, wordt via een flinterdunne injectienaald het menselijke gen naar binnen gespoten. Als het goed is, nestelt het ingebrachte gen zich snel tussen het al aanwezige DNA. Wanneer de embryocel gaat delen, krijgt elke nieuwe cel een kopie van het extra gen mee.

In de praktijk werkt de methode minder voorspoedig: in verreweg de meeste gevallen ‘slaat het gen niet aan’ – Herman is de enige van 45 gecontroleerde kalfjes die het gen in alle cellen heeft opgenomen. Sommige kalfjes, zo bleek niet lang geleden, hebben het gen wel in een deel van hun cellen – ‘Ineke’ bijvoorbeeld had een transgene placenta. Daaruit kan worden opgemaakt dat het gen soms pas wordt opgenomen nadat het embryo zich al enkele malen heeft gedeeld.

Nadat het gen is ingespoten, brengt het embryo nog een paar dagen door in een laboratoriumschaaltje. Pas dan wordt het ingebracht bij een tochtige koe, in de hoop dat het in de baarmoeder een plaatsje zal vinden. Of het embryo het gen ook echt heeft opgenomen, is dan nog niet bekend.

In de nabije toekomst zal dat waarschijnlijk anders worden, verwacht directeur Postma van Gene Pharming. Het bedrijf werkt aan een methode om, wanneer het embryo uit 16 tot 32 cellen bestaat, daar één van af te halen. Wanneer die het gen blijkt te bezitten, kan de rest van het embryo de baarmoeder in. Zo niet, dan kunnen kosten én moeite worden gespaard. Verwacht wordt dat in zo’n vroeg stadium het embryo één celletje zonder schadelijke gevolgen kan missen.

Vier keer zijn inmiddels series koeien drachtig gemaakt met op deze manier behandelde embryo’s. De eerste keer leverde dat, naast Herman en Ineke, zestien levend geboren kalfjes, één spontane abortus en twee doodgeboren vruchten op. Twee kalfjes overleden kort na de geboorte. Vijf kalfjes waren dermate groot, dat ze met een keizersnee gehaald moesten worden.

In een poging de sterfte onder de foetussen terug te brengen, besloten de onderzoekers de behandelde embryo’s in de tweede serie een dag langer – zes dagen – in de reageerbuis te houden. De problemen werden echter alleen maar groter. Zeven van de twintig zwangerschappen braken nu spontaan af, een kalfjestweeling werd dood geboren. Het gemiddelde geboortegewicht was buitengewoon groot – 50,2 kilogram – zodat in acht van de twaalf resterende gevallen een keizersnede noodzakelijk was. Zes maanden later waren nog eens drie van de elf levend geboren kalfjes overleden.

Bij de derde serie proeven werd daarom de kweektijd voor de embryo’s weer teruggebracht tot vijf dagen. Achttien zwangerschappen leidden desondanks tot zes spontane abortussen, twee dood geboren en tien levendgeboren kalfjes. Wel lag het gemiddelde geboortegewicht weer een stuk lager – op 39 kilogram.

Een vierde serie zwangerschappen, die momenteel nog loopt, bestond aanvankelijk uit 16 drachtige koeien. Inmiddels zijn drie spontane abortussen geregistreerd.

Directeur Postma van Gene Pharming Europe bv heeft enkele mogelijke verklaringen voor de geboorteproblemen die de experimenten omringen. Een daarvan is dat er eierstokken uit het slachthuis worden gebruikt – niemand weet van welke koe de eieren afkomstig zijn. Wanneer de eicel bijvoorbeeld hoort bij een groot en zwaar ras, kan dat, ondanks het gebruik van sperma van een stier die doorgaans kleine kalfjes geeft, leiden tot grote foetussen. Binnenkort is dit probleem uit de wereld, hoopt het bedrijf: dan zal men in staat zijn om, zoals bij menselijke in-vitro-fertilisatie heel gewoon is, via een kleine operatie eitjes van levende koeien af te nemen.

Een tweede factor die volgens Postma meespeelt, is de kweektijd van de behandelde embryo’s. Uit het feit dat het geboortegewicht en het percentage keizersneden na de tweede proefserie weer is gedaald, put Postma goede hoop dat de problemen tenminste voor een deel zijn overwonnen. “Het is nog te vroeg om te beweren dat nu is bewezen dat de langere kweektijd de oorzaak was, maar duidelijk lijkt mij dat er een verband is tussen de kweektijd en het optreden van geboorteproblemen. Het goede nieuws van de derde serie is, dat er kennelijk wat aan te doen is. Wij verwachten dat die trend in de vierde serie zal worden bevestigd.”

Voor het aanhoudend hoge percentage spontane abortussen heeft Postma nog geen verklaring. Anders dan Willemse, die twee tot vier procent als ‘normale’ waarde in de veestapel hanteert, beschouwt Postma tien tot vijftien procent als gewoon.

Anders dan de dode of te zwaar geboren kalveren, konden de spontaan afgedreven foetussen niet op hun erfelijk materiaal worden getest – meestal werd geen vruchtweefsel teruggevonden, en als er al iets werd gevonden was het erfelijk materiaal te ver gedegenereerd. Niet uitgesloten kan dus worden, dat de abortussen wel degelijk met transgene embryo’s in verband moeten worden gebracht.

De vraag die zich opdringt, is of de grote gezondheidsproblemen die nu zichtbaar worden moeten leiden tot een stopzetting, al dan niet tijdelijk, van het onderzoek van Gene Pharming. Niet voor niets stelde immers een speciale ethische commissie vorig jaar vast dat vervolgonderzoek met nakomelingen van Herman niet tot gezondheids- en welzijnsschade voor de runderen mag leiden. Het probleem is alleen, dat dat advies betrekking had op een vervolg-onderzoek, en niet op ‘project P 796’ – dat was al door minister Bukman goedgekeurd voordat de ethische commissie bestond.

Uit de ingewikkelde kluwen van ministeries, commissies, vergunningen, wetsartikelen en samenwerkingsverbanden die rond het onderzoek is ontstaan, komt één beeld duidelijk naar voren: Gene Pharming lijkt niet te kunnen worden gedwongen het lopende experiment halverwege aan de ethische commissie voor te leggen. Het artikel dat onderzoekers onderwerpt aan de toetsing van een ethische commissie, behorend bij de vorig jaar door de Tweede Kamer aangenomen Wet Gezondheid en Welzijn van Dieren, is nog niet in werking getreden. Dat het fokproject met Herman vorig jaar wèl door de ‘commissie-Schroten-II’ werd beoordeeld, zoals Bukmans ethische commissie wordt genoemd, kwam doordat de minister voor zijn eigen instituten op de nieuwe wet vooruitloopt, en Gene Pharming toen nog samenwerkte met IVO/ DLO – een instituut van het ministerie van landbouw. Die samenwerking is inmiddels voor alle projecten, op Herman zelf na, beëindigd.

De directie van Gene Pharming belooft overigens in de toekomst nieuwe plannen wel vrijwillig aan de ethische commissie te zullen voorleggen. Dat zal bijvoorbeeld gelden voor een recent aangekondigd project waarin transgene koeien worden gebruikt om het eiwit ‘collageen’ te produceren.

De bereidheid om het eerste project, het maken van koeien die lactoferrine en lysozym produceren, halverwege opnieuw aan een ethische toets te onderwerpen, lijkt echter niet groot. Postma: “Ik weet niet beter dan dat wij in de huidige fase nog steeds voldoen aan de voorwaarden uit de oorspronkelijke toestemming.”

Dat er in de ethische commissie met argusogen naar de geboorteproblemen in Polsbroek wordt gekeken, zal inmiddels duidelijk zijn.

Een van de leden, dr P.R. Wiepkema, hoogleraar ethologie aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen, stemde vorig jaar schoorvoetend in met het fokprogramma van Herman, met het oog op de mogelijk grote medische toepassingen. “Bovendien wilde ik toen geen proeven veroordelen op incidenten – in de eerste serie werd er nog slordig gewerkt. Maar wanneer de problemen structureel blijken te zijn, en daar begint het afgaande op deze getallen op te lijken, dan zal ik op mijn standpunt terugkomen. Want dat staat voor mij als een paal boven water: we moeten geen experimenten gaan doen die ernstige geboortemoeilijkheden opleveren. En deze problemen liegen er niet om.”

Related Posts