Menu Close

Een Duisenberg voor gemanipuleerde sla

Staatscourant, 24 januari 2000

Met een ‘Europese FDA’ wil Brussel het geschokte vertrouwen van Europeanen in hun voedsel herstellen. Het Amerikaanse bureau geldt als het symbool voor slagvaardig optreden op het gebied van voedselveiligheid. Maar is die FDA wel zo oppermachtig?

WASHINGTON — Consumenten in de Verenigde Staten krijgen regelmatig te horen dat zij in hun supermarkt het veiligste voedsel ter wereld kopen. De meesten van hen blijken dat te geloven: volgens een recente Gallup-peiling beschouwt tachtig procent van de Amerikanen het voedsel in hun winkelwagen als veilig. Bovendien heeft driekwart van de respondenten een redelijk tot groot vertrouwen in de autoriteiten die over het voedsel waken.

Aan de overzijde van de oceaan is het vertrouwen minder gerust. Van de Europese consumenten twijfelt een op de drie aan de veiligheid van zijn voedsel. De overheid wordt er zelfs ronduit gewantrouwd: vraag een Europeaan of Brussel de waarheid spreekt over voedselveiligheid, en nog geen twintig procent zegt ‘ja’.

In werkelijkheid is de situatie waarschijnlijk nog erger: het Europese opinie-onderzoek dateert van voorjaar ’98. Toen had de gekke-koeienziekte — en de jarenlange, onterechte geruststellingen van de Britse overheid daarover — het vertrouwen van de consument al zwaar ondermijnd, maar de crisis rond de Belgische dioxinekippen, die leidde tot ontruimde winkelschappen, moest nog komen.

Op zich zijn de cijfers al alarmerend. Maar wat de toestand echt dringend maakt, is de komst van nieuwe generaties voedingsmiddelen die het moeten hebben van het vertrouwen van de consument. Biotech-bedrijven investeerden, vaak met steun van de overheid, miljarden euro’s om gewassen in het laboratorium genetisch te verbeteren— — maar in de kranten heerst de angst voor Frankenfoods.

Dat men in Brussel, bij pogingen om deze vertrouwenscrisis te bestrijden, licht jaloers naar de Verenigde Staten kijkt, is dus geen wonder. Vooral de Food and Drug Administration (FDA), die toezicht houdt op voedsel, cosmetica en medicijnen, geniet in Europa een bijna mythische reputatie: een machtig, onafhankelijk lichaam heet het te zijn, dat bij producenten én consumenten gezag afdwingt en zo orde op de markt bewaart.

De ‘Europese FDA’ heet daarom in de wandelgangen het voedsel-instituut dat in Brussel wordt voorbereid — en in Nederland wordt gevestigd, als het aan Haagse lobbyisten ligt. De European Food Authority noemt Europees Commissaris David Byrne (gezondheid en consumentenbescherming) het liever, in het plan dat hij op 12 januari ontvouwde.

Net als de Amerikaanse FDA zou de Europese versie een wetenschappelijke opdracht krijgen: zes- tot achthonderd onderzoekers zouden in de voedselketen speuren naar gezondheidsrisico’s. Hun onafhankelijk advies zou breed bekend worden gemaakt. Op die manier, hoopt Byrne, ontstaat een gezaghebbend orgaan waar geen consument, fabrikant of politicus omheen kan. Maar in de reacties op het plan overheerst kritiek: zonder uitvoerende macht mist de Europese FDA de autoriteit van haar Amerikaanse zuster, heet het, en zal zij het geschonden vertrouwen niet kunnen herstellen.

Toch is de Amerikaanse FDA minder machtig dan Europese critici vaak denken — of het toezicht op de Amerikaanse voedselmarkt echt beter is dan dat in Europa, is zeer de vraag. De FDA mag elke voedselverwerkende fabriek slechts eens in de tien jaar inspecteren, en eigenhandig ingrijpen of bestraffen is er niet bij. Wanneer giftige waar wordt ontdekt, krijgt de fabrikant het verzoek die vrijwillig van de markt te halen; gebeurt dat niet, dan staat de ‘machtige’ FDA de weg naar de rechter open — alleen die kan producenten dwingen hun waren terug te trekken, en eventueel beboeten.

Het is niet de enige reden waarom de Amerikaanse controle op voedselveiligheid minder robuust is dan soms wordt gedacht. Meer dan in Europa wordt aan de onafhankelijkheid van controlerende instanties getwijfeld — FDA- inspecteurs stappen regelmatig over naar de industrie. Bovendien, vindt het Center for Science in the Public Interest, een consumenten-lobbygroep in Washington DC, is de Amerikaanse regelgeving een ratjetoe: twaalf federale instanties zien toe op de naleving van vijfendertig voedselwetten.

Een vegetarische diepvriespizza, bijvoorbeeld, valt onder de FDA. De zelfde pizza met salami, daarentegen, valt onder het landbouwministerie, die vleesproducten van boerderij tot supermarkt mag inspecteren. De vraag wie toeziet op een ei is dermate controversieel, dat geen enkele instantie uitbraken van de Salmonella-bacterie scherp in de gaten houdt.

Volgens de lobby-organisatie is er maar éen oplossing: een nieuwe voedselwet en de oprichting van één onafhankelijke Food Safety Administration, met de bevoegheid zelf op te treden of boetes uit te delen — precies de organisatie die Europese consumenten-bonden voor zich zien.

Het rotsvaste vertrouwen van de Amerikaanse consument is waarschijnlijk niet ontstaan omdat de FDA zo oppermachtig is. Het is ook een kwestie van imago: na zeventig jaar is de naamsbekendheid van het bureau zo groot, dat voor elke Amerikaan, ja zelfs voor menig Europeaan, de letters F-D-A symbool staan voor een overheid die over haar consumenten waakt — zelfs als die overheid besluit om genetisch gemodificeerd voedsel niet al te streng te testen.

Natuurlijk moeten goedbetaalde inspecteurs en wetenschappers dioxine-incidenten proberen te voorkomen, en zou een sterke, centrale Food Authority nóg efficiënter kunnen controleren. Maar willen Europeanen weer in dat toezicht gaan geloven, en zich onbekommerd zetten aan een kropje genetisch gemodificeerde sla, dan is er nog iets anders nodig: een symbool van onafhankelijke integriteit.

Wat Europa écht nodig heeft, is een Wim Duisenberg voor de voedselveiligheid.

Related Posts