De biologische bestrijding van insectenplagen neemt een hoge vlucht. Naast Natuurlijke vijanden worden steeds vaker natuurlijke ziekteverwekkers als schimmels, bacteriën en virussen op vraatzuchtige insecten losgelaten. Maar de nieuwe methoden blijven duurder dan het spuiten met gif. En de overheid twijfelt aan de wenselijkheid van een massale verspreiding van virussen.
DE BIOLOGISCHE bestrijding van insectenplagen in de landbouw is bezig aan een gestage opmars. Nu meer en meer de keerzijden van de chemische bestrijding zichtbaar worden, klinkt in brede kring de roep om ‘alternatieve’ methoden waarmee vraatzuchtige insecten te lijf kunnen worden gegaan. Want niet alleen raken bodem, grondwater en oppervlaktewater vervuild met schadelijke stoffen, de insecten zelf tonen zich in toenemende mate ongevoelig voor al dat gif. Een nieuw soort gif verliest zijn werkzaamheid soms al binnen enkele jaren, en het wordt met het jaar moeilijker om nieuwe stoffen te vinden.
Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wil om al die redenen ‘milieuvriendelijker bestrijdingsmiddelen’ stimuleren. Verschillende bedrijven hebben zich geïnteresseerd getoond voor het op grote schaal produceren van biologische middelen.
Maar de introductie stuit op een groot aantal hindernissen. Spuiten met gif blijft, zolang de schade aan het milieu niet in de kostprijs wordt doorberekend, meestal veel goedkoper dan biologische alternatieven. Sommige vormen van biologische bestrijding zijn bovendien nog niet toegestaan omdat de kennis over de risico’s ontbreekt.
Vijand
Bij de klassieke vorm van biologische bevrijding gaat men op onderzoek uit in het gebied waar het te bestrijden insect van nature voorkomt. Het doel is daar op het spoor te komen van een natuurlijke vijand van het insect, die ook in een land als Nederland kan overleven. Belangrijk is wel dat die vijand, eenmaal geïmporteerd, het niet heeft voorzien op andere inheemse en nuttige insecten.
Tot nu toe toonden vooral sluipwespen en roofmijten, afkomstig uit bij voorbeeld Zuid-Amerika, zich zeer effectief in het decimeren van plagen van witte vlieg, spint en dergelijke. Maar het kweken en uitzetten van deze huurmoordenaars is een kostbare affaire: per hectare landbouwgrond kost het 1500 tot 2000 gulden – vele malen duurder dan chemische middelen, die soms niet meer dan een paar tientjes per hectare vergen.
De laatste jaren kwamen echter nieuwe, soms aanzienlijk goedkopere biologische bestrijdingsmethoden binnen handbereik. Ze gebruiken geen vijanden die de insecten tot prooi kiezen, maar organismen die hen van binnenuit ziek maken. Een hele reeks ziekteverwekkers is daarbij beschikbaar – aaltjes, schimmels, bacteriën en virussen.
Van deze ziekteverwekkers mogen alleen de aaltjes zonder speciale toestemming gebruikt worden. Het betreft aaltjes die hun dodelijke arbeid in samenwerking met bacteriën verrichten. Aaltje dring in de mond of de anus van de insectenlarve binnen, en laat in het maagdarm-kanaal de met hem samenlevende bacteriën los. De bacteriën vermeerderen zich, en doden de larve binnen enkele dagen, waarna het aaltje zich tegoed doet aan de stoffelijke resten. Voor het insect goed en wel is opgevreten bevat het vele duizenden nieuwe aaltjes.
Duur
Een keerzijde van het gebruik van de aaltjes is dat ze zich gewoonlijk niet beperken tot één insectensoort, maar ook andere – nuttige – soorten te grazen nemen. Ook werken ze nauwelijks boven de grond. Maar het belangrijkste is dat ze buitengewoon duur zijn – tot wel 100.000 gulden per hectare.
Ook onder schimmels zijn honderden soorten bekend die ziekten bij insecten kunnen verwekken. Van maar weinig soorten is de werking echter in detail bekend, en als de kennis al voldoende is, dan blijkt meestal dat de toepassingsmogelijkheden beperkt zijn. Schimmels stellen uitzonderlijk hoge eisen aan hun omgeving – wanneer de luchtvochtigheid niet tussen de 95 en 100 procent is, en de temperatuur tussen 20 en 30°C, weigeren ze elke dienst.
Ondanks deze beperkingen zijn inmiddels toch successen geboekt. In diverse delen van de wereld wordt de colorado-kever bestreden met schimmelsoorten. Voor Nederlandse kassen zijn nog geen werkzame schimmels bekend, maar de introductie van een soort tegen luizen en witte vlieg wordt wel verwacht.
Aan het inzetten van bacteriën als ziekteverwekker kleven problemen. Veruit de meeste voor insecten schadelijke bacteriën bedreigen ook de gezondheid van hogere dieren, inclusief de mens. Bovendien valt het vaak niet mee ze in de benodigde hoeveelheden te kweken.
Eén type bacterie bleek tot nu toe wel succesvol: Bacillus thuringiensis, kortweg aangeduid als ‘Bt’. Verschillende stammen van Bt richten zich zelfs op verschillende groepen insecten, zoals vlinders, vliegen of kevers. Over de hele wereld worden inmiddels miljoenen hectares landbouwgrond met Bt behandeld, wat deze bacterie tot het meest gebruikte ziekteverwekkende bestrijdingsmiddel maakt.
Bacillus thuringiensis dankt zijn dodelijk werking aan de gifstof ‘delta-endotoxine’. Het gif verlamt het maag-darm-kanaal van het insect, dat daardoor al na enkele minuten zijn vraat moet staken. Het duurt nog dagen tot het dier uiteindelijk sterft en tot een slijmerige massa vervalt, maar in die tijd wordt geen schade aan het gewas meer toegebracht.
In de praktijk is voor een hectare grond een kleine kilo bacteriën nodig, afhankelijk van de bacteriestam goed voor enkele tientallen tot enkele honderden guldens.
Groente-uiltje
Bt wordt al ingezet bij de teelt van onder meer katoen en tabak. Ook in de bosbouw maakt men er dankbaar gebruik van. In Nederlandse kassen wordt de bacterie gebruikt om het groente-uiltje, het koolwitje en het koolmotje te bestrijden. Helaas zijn er voor veel insectensoorten nog geen geschikte bacteriestammen gevonden.
Veel onderzoek richt zich daarom op het, via genetische manipulatie, construeren van nieuwe bacteriestammen. Overigens kan de kennis ook op een andere manier worden ingezet: Belgische onderzoekers slaagden er al in het gen voor delta-endotoxine over te brengen in de cellen van tabaksplanten. Een hap van de veranderde plant wordt gulzige insecten zo direct fataal.
Een van de insecten die tot nu toe ongevoelig is voor Bt-stammen, maar ook voor steeds meer chemische bestrijdingsmiddelen, is de Florida-mot. De rups ervan richt in uiteenlopende gewassen als mais, katoen en sierbloemen grote schade aan. Het insect kwam in 1976 naar ons land, als verstekeling met vliegtuigladingen chrysanten-stekjes uit het zonnige Florida. Die import ontstond nadat door de oliecrisis de stookkosten in Nederlandse kassen hoog opliepen.
Sindsdien is geen chrysanten-kas meer veilig voor de mot. Dat is vervelend, want op de exportmarkt moeten de bloemen honderd procent gaaf zijn, er mag geen enkel insect in te vinden zijn.
Onderzoekers van de Wageningse Landbouwuniversiteit en het Instituut voor Planteziektenkundig Onderzoek (IPO) speuren daarom al enige tijd naar de mogelijkheid virussen tegen de mot in te zetten. In de VS gebeurt dat al op grote schaal.
Net als bacteriën zijn de meeste virussen ongeschikt als biologisch bestrijdingsmiddel, omdat ook hogere dieren potentiële slachtoffers zijn. Slechts één groep, die van de ‘baculo-virussen’, beperkt zich volledig tot insecten. De virussen dringen het insect binnen via de maag, en vermeerderen zich vervolgens razendsnel – wanneer het insect vijf tot tien dagen later sterft, nemen één tot tien miljard nieuwe virussen inmiddels dertig procent van zijn lichaamsgewicht in.
Zonnestraling
Baculovirussen kennen ook nadelen. Zo duurt het enkele dagen voor het insect ziek wordt, en ondertussen eet hij rustig door. Daarnaast kunnen de virussen slecht tegen zonnestraling, zodat ze op bladeren binnen een paar dagen te gronde gaan. Een virusbehandeling kost al gauw enkele honderden guldens per hectare.
Een andere eigenschap is zowel een voordeel als een nadeel: elk type virus richt zich op maar enkele soorten insecten. Per ontwikkeld virus is de afzetmarkt daardoor gering, en dat is des te lastiger omdat in Nederland vooralsnog elk type virus apart tot de landbouw toegelaten moet worden. Een speciale Commissie Toelating Bestrijdingsmiddelen, waarin vier ministeries zijn vertegenwoordigd, beslist over de toelating van chemische bestrijdingsmiddelen en ziekteverwekkende schimmels, bacteriën en virussen.
Tot ergernis van velen werkzaam in de landbouw is de commissie nog terughoudend bij het toelaten van virussen in kassen en op akkers. Gevreesd wordt dat de massale introductie van virussen ongewenste bijeffecten kan hebben, zoals toevallige mutaties die virussen ook voor mensen gevaarlijk maken.
De commissie heeft de vaststelling van normen uitgesteld tot het moment dat de eerste concrete aanvraag op tafel ligt. Omdat zo’n aanvraag veel geld kost – er moet een schat aan achtergrondinformatie en wetenschappelijk onderzoek bijgeleverd worden – durft geen bedrijf tot nu toe die stap aan.
In een poging de impasse te doorbreken deponeerden onderzoekers van het IPO vorige week een grote stapel papier in het postvak van de toelatingscommissie: een aanvraag tot het gebruik van een baculovirus tegen de Florida-mot, compleet met samenvattingen van relevante wetenschappelijke literatuur van de afgelopen veertig jaar. De landbouwonderzoekers hopen dat hun aanvraag zal fungeren als wegbereider voor andere, verwante baculovirussen. Dat is nodig, vinden zij, omdat de overheid te weinig doet om de toelatingsprocedures voor biologische bestrijdingsmiddelen te vereenvoudigen.
Verpoppen
De onderzoekers zelf kijken intussen alweer verder achter de horizon. Door het virus kunstmatig uit te rusten met een extra gen, dat verantwoordelijk is voor het ‘verpoppen’ van de rups tot een vlinder, hopen zij dat geïnfecteerde rupsen van de Florida-mot sneller zullen stoppen met eten.
Maar het zal nog wel even duren voordat dergelijke gemanipuleerde virussen in Nederlandse kassen worden toegepast. Voor toelating daarvan kan niet worden verwezen naar het verleden, waarin baculovirussen zich altijd tot insecten hebben beperkt: aangetoond zal moeten worden dat het veranderde virus, ook na toekomstige mutaties, voor andere organismen onschadelijk blijft.