Menu Close

Crisis-centra ontbeerden een ‘Plan-B’

Staatscourant, september 2001

In een klap toonde de aanslag in New York dat veel ‘worst-case-scenario’s’ veel te optimistisch zijn. Eén voltreffer bleek genoeg om de gehele crisis-infrastructuur buiten bedrijf te stellen.

WASHINGTON — In de eerste uren na de aanslag verkeerde burgemeester Rudolph Giuliani van New York in een wel heel benarde positie.

Direct nadat het eerste vliegtuig was ingeslagen in een van de torens van het World Trade Center, sprongen hij en zijn hoogste medewerkers in gereedstaande auto’s. Het reisdoel lag slechts een paar straten verderop: het chique, zwartglazen kantoorgebouw tussen Barclay en Vesey Street, net ten noorden van de Twin Towers, waarin sinds 1999 de gemeentelijke crisis-commandobunker gevestigd was.

Het in 1999 gereedgekomen commandocentrum, deel uitmakend van het grote WTC-complex, was van alle moderne snufjes en gemakken voorzien. De inrichting van het centrum, met een omvang van 4500 vierkante meter, had ongeveer 13 miljoen dollar (14 miljoen euro) gekost. Maar het resultaat was ernaar: enthousiast gaf de burgemeester rondleidingen aan de lokale pers. Per zoevende expreslift ging het naar de drieëntwintigste verdieping, waar iedereen kon zien hoe volledig geëquipeerd het stadsbestuur tijdens crises de touwtjes in handen zou houden.

Vanuit zijn splinternieuwe ‘skybox-bunker’, zoals Newyorkers de etage spottend noemden, wachtte het gemeentebestuur het aanbreken van het jaar 2000 af. Van hieruit ook sprak Giuliani afgelopen december zijn onderdanen nog bemoedigend toe, nadat de stad door een ongeëvenaarde sneeuwstorm volledig tot stilstand was gekomen.

Maar deze keer verliep de operatie met minder glamour: nauwelijks was de burgemeester bij zijn ‘skybox’ gearriveerd of het tweede vliegtuig boorde zich in de tweede WTC-toren. Er zat niets anders op dan een onmiddellijke ontruiming — en dat niet ten onrechte, bleek al snel. Nadat om half elf de noordelijke toren naar beneden kwam, vloog het flatgebouw met daarin de gemeentelijke bunker in brand, om enkele uren later in te storten.

Hals over kop waren de burgemeester en zijn politiecommissaris toen al op zoek naar een nieuwe locatie. Met in hun kielzog een lange staart medewerkers en journalisten ging het naar een nabijgelegen brandweerstation. Dat bleek ongeschikt om een noodbunker in te richten, dus verder ging het, op weg naar de gebouwen van de politieschool. Ook dat leek weinig geschikt, dus voort ging het weer.

Uiteindelijk streek de burgemeester neer in een havengebouw op Pier 92, op zeven kilometer afstand van het rampgebied. Het pand was eerder aangewezen als hoofdkwartier tijdens een oefening, later die week, waarin een terroristische aanval met biologische wapens zou worden nagespeeld. Medewerkers van de burgemeester smeekten journalisten de nieuwe locatie niet te onthullen.

De burgemeester was niet de enige met zulke problemen.

Het havenbedrijf van New York en New Jersey, verantwoordelijk voor het functioneren van tal van tunnels en bruggen, had zijn kantoren in het World Trade Center moeten ontruimen. (Het havenbedrijf was eigenaar van het nu ingestorte complex.) Ook de inlichtingendienst CIA en de Secret Service moesten hun kantoren in het getroffen WTC met spoed evacueren.

Ook de FBI, waartoe ook speciale antiterrorisme-eenheden behoren, zag zich gedwongen haar hoofdkwartier te ontruimen. Niet vanwege direct instortingsgevaar — het FBI-bolwerk ligt acht straten van de gevallen torens verwijderd. Langer blijven bleek echter zinloos, omdat het schakelstation voor telefoonverkeer was uitgevallen, en communicatie vanuit Lower Manhattan vrijwel onmogelijk was. Mobiele telefoons boden geen uitkomst, want vrijwel alle mobiele verkeer liep via wat tot voor kort het hoogste punt in de omgeving was geweest: het dak van de zojuist ingestorte torens. Het hoofdbureau van politie en het federale crisiscentrum waren daarom eveneens uitgeschakeld.

Het kostte de meeste nooddiensten ongeveer twee dagen om zich, in leegstaande garages of andere noodgebouwen, te hergroeperen. De telefoonmaatschappij legde 18 duizend geïmproviseerde telefoonlijnen aan — op sommige plekken hangen de kabels bij bossen uit het raam.

Het zal langer duren voordat de lessen van de catastrofe zijn verwerkt tot een terrorismebestendige rampeninfrastructuur.

De belangrijkste van die lessen worden inmiddels getrokken. Niet weer zal de stad zich bijvoorbeeld laten verleiden tot het bouwen van noodvoorzieningen nabij objecten die zouden kunnen dienen als doel voor een aanval — overwogen wordt zelfs een plek helemaal búiten de stad te kiezen. De locatie van het nieuwe commandocentrum blijft waarschijnlijk geheim. Een minder zwaar beveiligde bunker, omgeven met minder geheimhouding, zou voor ‘simpele’ rampen als aardbevingen of sneeuwstormen kunnen worden gebruikt.

Gesproken wordt bovendien over de noodzaak van nóg een geheime commandobunker, te gebruiken wanneer de eerste bunker door een aanval onbruikbaar wordt. Eerdere voorstellen voor zo’n reservebanken in het hoge noorden van Manhattan strandden destijds op andere begrotingsprioriteiten.

Voor al die bunkers zal het bovendien zaak worden de lijnen met de buitenwereld over meerdere kanalen te spreiden. Want hoe ongelooflijk het achteraf ook mag klinken, vrijwel alle commandocentra in het getroffen deel van de stad waren voor hun communicatie afhankelijk van één enkel schakelcomplex.

`Voortaan moeten we echt aan het ondenkbare denken,’ hield oud-politiecommissaris Raymond Kelly in de New York Times de bouwers van toekomstige crisiscentra voor: net zoals de landelijke overheid in de jaren vijftig, onder dreiging van een nucleaire aanval, haar commandobunkers wijd verspreidde, zo zullen ook steden zich voortaan niet meer tot ‘Plan A’ kunnen beperken.

Related Posts