Menu Close

Amerikaanse ‘veenkoloniën’ zetten staalhandel op scherp

Staatscourant, maart 2002

In het Amerikaanse politieke stelsel hebben kleine staten soms grote macht. En dus dreigt nu een wereldwijde staalhandelsoorlog om de kiezers van een dunbevolkte mijnbouwstreek te winnen.

WASHINGTON — Voor de onvoorbereide bezoeker is een tocht door de heuvels van West-Virginia een verrassende ervaring. Hier, minder dan twee uur rijden van de rijke voorsteden van Washington, zie je geen statige nieuwbouwvilla’s van internetmiljonairs. Integendeel — van alle kanten straalt de armoede je tegemoet. Bladderende panden en gammele stacaravans op vervuilde erven bepalen het uitzicht. Sommige huizen zijn geheel verlaten en half ingestort.

Toch hebben de 1,8 miljoen inwoners van deze Amerikaanse ‘veenkoloniën’ dezer dagen buitengewoon veel invloed. Deze week bepaalden ze het lot van staalproducenten overal ter wereld. Want in het politiek precies doormidden gespleten Amerika heeft élke staat grote macht.

Anderhalf jaar geleden gaf West-Virginia tot ieders verrassing de Republikein George Bush het beslissende electorale duwtje. Dinsdag loste Bush de verkiezingsbelofte in die daarvoor nodig was: om de totale economische ineenstorting van de kwakkelende staat af te wenden, kondigde hij heffingen af op de import van staal — en riskeert daarmee een wereldwijde handelsoorlog.

Al snel na zijn aantreden werd duidelijk dat Bush, anders dan oud-president Clinton, zijn beloften voor importheffingen op staal serieus wilde nakomen. Aan zijn Commissie voor Internationale Handel vroeg hij te onderzoeken of ‘oneerlijke handelspraktijken’ hebben geleid tot een import die de thuisindustrie bedreigt in haar voortbestaan — in Amerikaanse ogen een rechtmatige grond voor beschermende heffingen.

Vijftig jaar lang pompten Europa, Rusland en Azië geld in hun staalindustrie, aldus Bush. Die tientallen miljarden subsidie-euro’s hebben de wereldmarkt voor staal structureel verstoord, zei deze week zijn handelsambassadeur, Robert Zoellick.

`Iedereen die de economische geschiedenis ook maar een beetje heeft bestudeerd,’ aldus Zoellick bij de aankondiging van de plannen, `zal concluderen dat de staalindustrie wereldwijd geldt als het ergste voorbeeld van overheidsbemoeienis.’ En met een knipoog naar zijn collega’s overzee voegde hij daar sarcastisch aan toe: `Ook Europa staat hier niet bepaald met schone handen. Als ik het mij goed herinner begon de Europese Unie ooit als een Gemeenschap van Kolen en Staal. Dat geeft het politieke karakter van de staalindustrie prima aan.’

Afgelopen oktober was de zeskoppige handelscommissie al met haar conclusies gekomen: in 12 van de 33 productsectoren zijn grote staalimporten inderdaad een ‘substantiële oorzaak van ernstige schade of de dreiging daarvan voor de Amerikaanse industrie’, meende een meerderheid van de commissie. Maar achter die eenvoudige conclusie gingen cijfers schuil die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn.

Tussen 1996 en 1998, tonen statistieken van het Amerikaanse ministerie van handel, nam de invoer van staal inderdaad explosief toe: importeerde de VS uit andere landen (exclusief Canada en Mexico) in 1996 nog 18 miljoen ton staal, twee jaar later was dat al 29 miljoen ton — een toename van bijna zestig procent. Sindsdien begon echter, mede door een stagnerende economie, een daling, waardoor de totale invoer in 2001 nauwelijks hoger uitkwam dan vijf jaar ervoor.

Wie kijkt naar de periode van 1996-2000, zoals de Amerikaanse handelscommissie deed, ziet met andere woorden een groei van 38 procent; wie kijkt naar de periode 1998-2001, zoals de rest van de wereld prefereert, ziet juist een afname van 33 procent.

De ontreddering van de Amerikaanse bedrijfstak spreekt echter minder ambivalente taal: de laatste vier jaar gingen 31 staalbedrijven failliet — samen goed voor een derde van de gehele sector. Reden genoeg, zegt Bush, om West-Virginia en zijn buurstaten een reddingsboei toe te werpen: invoerheffingen, in hoogte variërend van 8 tot 30 procent, voor een periode van maximaal drie jaar.

Toch geloven weinigen in Washington dat het sociaal-economische motieven waren die Bush tot zijn besluit hebben gebracht — niet voor niets hadden zijn economische adviseurs zich er unaniem tegen verzet. Wie de wereld wil winnen voor vrije handel, meenden zij, kan zich niet veroorloven als protectionist te boek te staan. Bovendien zorgen de heffingen op staal voor duurdere auto’s en wasmachines — juist op een moment dat die bedrijfstakken uit het dal proberen te klimmen.

Politieke overwegingen gaven echter de doorslag. Nog altijd is onduidelijk of het Amerikaanse Congres aan Bush de ruimte zal geven om de Noord-Amerikaanse vrijhandelszone (NAFTA) zuidwaarts uit te breiden; bewezen bereidheid de eigen industrie te beschermen houdt op dat punt cruciale stemmen binnen boord. Bovendien zijn er dit jaar Congresverkiezingen, zowel voor Republikeinen als Democraten een dubbeltje op zijn kant. En dan gaat het nog niet eens over Bush’ eigen herverkiezing, die twee jaar later opnieuw in West-Virginia zou kunnen worden beslist.

Ook de Amerikaanse staalindustrie kreeg niet helemaal waarom het gevraagd had — heffingen van 40% op alle producten, en dat vier jaar lang. Dat zou de binnenlandse economie te veel schade doen.

De ingewikkelde afweging, legde Bush’ woordvoerder uit, leek op de bekende puzzel van Rubik: hoe je de zijden ook draait, het blijkt onmogelijk ze in één kleur te krijgen — deze president kwam er althans niet uit.

Bush hoopt met zijn Salomonsoordeel het beste van twee werelden te krijgen: steun van belangrijke kiezers, met slechts weinig economische schade. Maar niemand weet nog of hij, in plaats daarvan, van beide werelden het slechtste zal oogsten: te weinig bescherming om de staalindustrie en zijn kiezers echt te helpen, maar desondanks verlies aan binnenlandse én buitenlandse geloofwaardigheid.

Related Posts