Menu Close

Sectie op een gesneuvelde toren

In New York strijken bouwkundigen neer op de stoffelijke resten van het World Trade Center. De ‘autopsie’ moet uitwijzen waarom de twee torens zo snel vielen. Kunnen nieuwe bouweisen de veiligheid vergroten?

DE ROOKWOLKEN van de ingestorte torens van het World Trade Center waren nog niet opgetrokken toen Hassan Astaneh, hoogleraar bouwkunde aan de universiteit van Californië in Berkeley, zijn intrek nam in een naastgelegen hotel. Samen met Leslie Robertson, de man die 35 jaar geleden de bouw van de torens leidde, liep hij rond over wat inmiddels bekend staat als ground zero.

Ingestorte gebouwen zijn voor Astaneh op zich niets bijzonders: als specialist op het gebied van aardbevings- en explosiebestendige gebouwen zag hij de afgelopen decennia puinhopen verspreid over de wereld: Mexico, Japan, Iran — zijn geboorteland.

Maar niets had hem voorbereid op deze verwoesting, vertelt Astaneh. `Het was alsof iemand foto’s van Hiroshima en Manhattan had samengevoegd. Surreële puinhopen, waarin niets meer viel te herkennen. En overal reddingsploegen op zoek naar overlevenden. Vooral dat laatste maakte het bijzonder: meestal arriveer ik een week na de beving, als de meeste slachtoffers zijn geborgen. Ik heb nooit meer bloed gezien dan een snee in mijn eigen vinger.’

Astaneh kwam naar New York voor, zoals hij het zelf noemt, een ‘autopsie’ op de torens. Want net zoals na een vliegramp de brokken van het vliegtuig aan elkaar worden gepast, meent hij, zo moeten bouwkundigen de scherven van de toren aaneen lijmen om te ontdekken wat er precies is gebeurd.

Zijn drijfveer is niet louter academische interesse: de vraag is of er lessen uit de ramp kunnen worden getrokken — lessen die in de toekomst mensenlevens kunnen redden.

De meeste bouwkundigen zullen bekennen dat ze niet hadden voorzien hoe de apocalyptische botsingen zouden aflopen. Dat de gebouwen niet omvielen was niet hun grootste verrassing — niet voor niets stelde Robertson al tijdens de bouw dat de torens `een botsing met een Boeing 707 konden weerstaan’. In feite moesten de torens veel méér kunnen verdragen, want een stevige storm oefent meer zijwaartse kracht uit dan een inkomend vliegtuig.

Maar ook bouwkundigen realiseerden zich niet dat de botsingen tot de volledige instorting van de torens zouden leiden — dat de eerste na vijftig, de tweede na honderd minuten in een grijze stofwolk zouden verdwijnen.

Meer dan een maand later is nog allerminst duidelijk waaróm de torens het uiteindelijk begaven. Aan het ene uiteinde van de discussie staan sommige fundamentalistische moslims, volgens wie de bijna ordentelijke ‘sloop’ bewijst dat de aanslag in werkelijkheid een complot was van geheime diensten. Aan het andere uiteinde staan degenen die geloven dat de kapers achter de knuppel hun actie met chirurgische precisie uitvoerden: alleen door langdurige studie zouden ze hebben geweten hoe de dominostenen in gang moesten worden gezet.

De meeste bouwkundigen geloven geen van deze twee theorieën. De breed gedeelde opvatting is dat niet de botsing maar de erop volgende brand de gebouwen deed vallen. De vraag blijft: waarom?

De bouw van de immense torens stelden architect Minoru Yamasaki en bouwer Les Robertson in 1966 voor een probleem: zonder vernieuwende bouwmethoden was het onmogelijk zo hoog en toch rank te bouwen. Ze vonden de oplossing in een bijzondere constructie van staal: in plaats van de gebruikelijke blokkendoos besloten ze in essentie een rechtopstaande buis te bouwen.

De buitenkant van elke buis bestond uit een soort schutting, een aaneengeklonken rasterwerk met meer dan 250 verticale balken. Tussen de balken pasten slechts smalle ramen — een prettig idee, vond de aan hoogtevrees lijdende architect. Het reusachtige hekwerk moest windsnelheden van 160 kilometer per uur kunnen weerstaan.

In het midden van deze schutting verrees een stalen kolom, die ruimte bood aan liftkokers en trappenhuizen. De dikke plaatstalen kokers zouden de helft van het gewicht van 110 betonvloeren dragen. Liftschachten en trappenhuizen werden afgesloten met wanden van gips, brandwerend en een stuk lichter dan beton.

Op elke etage verbonden twintig meter lange spanten van staal de kern van het gebouw met het hekwerk rondom. De grote overspanning zorgde voor weidse kantoortuinen zonder pilaren.

Tijdens de botsing deden de torens aanvankelijk wat werd verwacht. De vliegtuigen verbrijzelden tientallen ‘schuttingpalen’, maar brachten de kolossen niet aan het wankelen. Bovendien leek het resterende hekwerk stevig genoeg om de bovengelegen etages te laten staan.

Wat niemand echter voorzien had, was dat de Boeings met vleugels en al het gebouw zouden binnendringen — vleugels die kort ervoor waren volgetankt met negentigduizend liter kerosine. Drie verdiepingen werden door een reusachtige Molotovcocktail in brandstof gedrenkt. Het vuur wat daarop uitbrak leek alle hitterecords te breken.

Een ‘gewone’ kantoorbrand, waarbij vloerbedekking en interieur in rook opgaan, bereikt zelden de 800°C. Automatische sproeiers zorgen daarbij voor enige koeling. Een isolerende laag van uitgehard schuim geeft draagbalken nog extra bescherming. Alles bij elkaar houdt de dragende constructie het ten minste twee tot drie uur uit — genoeg om het gebouw volledig te evacueren.

Hoe heet het was in de WTC-torens is nog niet vastgesteld, maar het was zeker 1000°C, waarschijnlijk meer. Watersproeiers waren machteloos tegen brandende kerosine, als er überhaupt nog water was. De isolerende laag rond de dragende balken, zegt Astaneh, was op sommige plaatsen veranderd in een dun laagje glazuur.

In die hitte, zeggen de meeste theorieën, verloor het gebouw de race tegen de klok. De spanten onder de vloeren begonnen te smelten, waardoor grote brokken beton neervielen op de verdiepingen eronder. Ook het staal in het hekwerk rondom en de kolom in het midden werd zacht. Niemand weet wat de volgorde was, maar op zeker moment kwam alles tezamen, en verloor de structuur het vermogen om de tientallen bovengelegen etages te dragen.

Toen was het alsof de bovenste dertig verdiepingen met kracht op de onderste tachtig werden gegooid. De instorting, bewezen later de beelden, duurde in beide gevallen ongeveer negen seconden — precies even lang als nodig is om een kogeltje 415 meter te laten vallen. De nog staande constructie kon aan de vrije val geen noemenswaardige weerstand meer bieden.

De vraag wat er in het inwendige van de torens precies is gebeurd, was nooit opgelost als Astaneh zijn koffers niet had gepakt. Want eenmaal in New York aangekomen ontdekte de onderzoeker dat stadsbestuurders het staal uit de schroothoop voor 30 miljoen dollar aan twee recyclingsbedrijven had verkocht. Bij toeval hoorde hij bovendien dat het omsmelten al was begonnen — tweeduizend ton staal per dag verdween in de ovens. Schandalig, vindt hij het, dat de stad geen moment overwoog om de restanten van de torens als bouwkundig bewijsmateriaal te bewaren. `Na een verkeersongeluk laat je de wrakken toch ook goed bekijken?’

Uiteindelijk gooide Astaneh het hoogstpersoonlijk met één recyclingbedrijf op een akkoordje. Twee weken lang liet de directeur hem rondneuzen tussen de aangevoerde balken. Gaandeweg legde hij medewerkers uit voor welk type balken hij zich interesseerde, zodat ook na zijn vertrek belangrijke vondsten opzij worden gelegd.

`Deze actie was misschien de belangrijkste bijdrage uit mijn hele carrière,’ aldus Astaneh. `Deze verwrongen en verbrande balken hebben wetenschappelijke, maar ook historische waarde. Een museum in Washington heeft al gebeld — zij willen ze na afloop graag bewaren in hun collectie.’

Hoeveel balken hij uiteindelijk zal terugvinden is moeilijk te zeggen. Zelf vond hij er zeker vier, en misschien zes, die door een vliegtuigmotor zijn geraakt. Een ervan is een stalen pilaar uit het hart van de toren, waaruit aan één kant een ronde hap is verdwenen. Het is het eerste concrete bewijs dat een van de twee vliegtuigen de liftschachten zwaar heeft beschadigd. Toch is de pilaar niet verbogen, zegt Astaneh — een teken dat het midden van deze toren tot het laatst overeind is blijven staan.

Elke balk die hij vindt is via een nummer rechtstreeks tot de bouwtekening te herleiden. Over ruwweg een jaar hoopt de onderzoeker de laatste uren van de torens te kunnen reconstrueren. Pas op dat moment begint het belangrijkste deel van zijn project: vaststellen hoe vergelijkbare rampen in de toekomst kunnen worden afgewend.

Het eerste dat moet gebeuren, meent de bouwkundige, is dat brandweerlieden moeten leren dat niet elke brand in een wolkenkrabber moet worden geblust. `Deze ramp maakt duidelijk dat bij gebouwen van meer dan twintig verdiepingen eerst een inschatting nodig is: hoe heet is de brand? Soms zul je moeten zeggen: ga niet naar boven, zorg liever dat zoveel mogelijk mensen beneden komen.’

Ook evacuatieplannen van flatgebouwen moeten in Astaneh’s ogen worden aangepast. ‘Bewoners van torenflats moeten leren dat ze op lage etages niet veilig zijn wanneer er bovenin een hevige brand woedt. Bij een zeker niveau van gevaar moet men het pand verlaten, punt uit. En bovenin wolkenkrabbers moeten we meer ruimte reserveren voor vluchtwegen, die bovendien ook goed beschermd zijn tegen brand.’

Bovenal moeten bouwkundigen leren rekening te houden met de gevolgen van brand. Ze zouden soms dikkere balken moeten gebruiken, of betere materialen om die balken tegen hitte te beschermen. Zelf experimenteert Astaneh met een combinatie van staal en beton, die tijdens proeven sterke bevingen en explosies blijkt te kunnen weerstaan. `Als zulke platen in het World Trade Center waren gebruikt, waren de vliegtuigvleugels waarschijnlijk buiten de torens gebleven.’

Eén collega lijkt Astaneh nog niet te hebben overtuigd — zijn mentor Les Robertson, inmiddels 73 jaar oud. Nog altijd is de bouwer van de twee torens betrokken bij nieuwe wolkenkrabbers verspreid over de wereld.

Tijdens een lezing, begin deze maand, toonde Robertson zich emotioneel aangedaan door de gebeurtenissen. Desondanks staat hij pal voor zijn torens, die immers hoe dan ook ‘bleven staan.’

In een van de zeldzame interviews die hij na 11 september gaf, zei Robertson `stomverbaasd’ te zullen zijn als de instorting van zijn torens zou leiden tot nieuwe voorschriften bij het bouwen van wolkenkrabbers. `De juiste reactie op deze aanslagen is niet om gebouwen bestand te maken tegen botsende vliegtuigen,’ aldus de bouwmeester. `De juiste respons is te voorkomen dat vliegtuigen op gebouwen botsen.’

Related Posts