Menu Close

Ook ecologen bang voor ‘nieuwe bintjes’

Hoe groot is het gevaar dat de erfelijke informatie van genetisch veranderde aardappelen zich oncontroleerbaar verspreidt in het milieu? En wat zou er in zon geval gebeuren? Twee vragen, waarop deze week ook ecologen het antwoord schuldig moesten blijven.

DEZE ZOMER werden voor het derde achtereenvolgende jaar op verschillende plaatsen in Nederland proefvelden met genetisch veranderde landbouwgewassen vernield. Anonieme actievoerders, zich verschuilend achter avontuurlijke namen als ‘De Razende Rooiers’ en ‘De Ziedende Bintjes’, gingen met schop en kapmes te keer in veldjes waar bedrijven ‘gemodificeerde’ aardappel- en maïsplanten in het open veld onderzochten. De actievoerders verwoorden op radicale wijze de groeiende onrust over de mogelijke gevolgen van de toepassing van moderne biotechnologische technieken in levende organismen.

Een van de grote bezwaren tegen de experimenten in de open lucht is de vrees dat kunstmatig ingebrachte genen in het ‘natuurlijke’ milieu terechtkomen, en zich daar ongecontroleerd verbreiden. Als dat gebeurt, zouden volgens de actievoerders de gevolgen verschrikkelijk kunnen zijn.

Afgelopen donderdag belegden, mede op verzoek van het ministerie van volksgezondheid, ruimtelijke ordening en milieubeheer, Nederlandse ecologen een symposium over de vraag hóe verschrikkelijk die gevolgen zouden zijn. Gecombineerd met een schatting van de kans dat die gevolgen optreden, zou het antwoord gevonden moeten worden op de vraag of proeven met genetisch veranderde gewassen verboden moeten worden.

Ontsnapping

Verspreiding van kunstmatig ingebrachte genen kan langs vele wegen plaatsvinden, zo werd duidelijk. Het risico dat aan zo’n ontsnapping kleeft, hangt bovendien af van de aard van het betreffende gen.

Een veelbesproken ontsnappingsweg voor een kunstmatig gen is een onbedoelde kruising van een veranderd gewas met een ‘wild’ familielid in de directe omgeving van de akker. Meegevoerd op de westenwind zou de genetisch veranderde pollenkorrel van een aardappelplant de bloem kunnen bereiken van een zwarte nachtschade. Wanneer het nieuwe gen ook de zwarte nachtschade voordeel oplevert, kan die lpant zich ongebreideld gaan verspreiden. Natuurgebieden zouden overwoekerd kunnen raken, en de landbouw zou er een probleem bij kunnen krijgen.

Hoe groot is de kans dat dit rampenscenario werkelijkheid wordt? Daarover verschillende de deskundigen ernstig van mening. Optimisten onder hen wijzen erop dat in het veld nog nooit een kruising van een genetisch veranderde tomaat- of aardappelplant met een wild familielid is aangetroffen. Bovendien, zeggen zij, gaat het vrijwel altijd om genen voor eigenschappen waarvan wilde planten geen voordeel hebben. Veel onderzoek betreft bij voorbeeld het inbrengen van een gen waardoor de plant zelf een voor etende insekten dodelijke gifstof gaat maken. Dankzij de bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) beschikken we over een heel arsenaal van zulke biologische gifstoffen, die alleen werkzaam zijn tegen bepaalde insectensoorten. De plant en andere dieren ondervinden geen schade. Wanneer landbouwgewassen zo’n gen ingebouwd krijgen, hoeven we veel minder insecticiden op de akkers te spuiten.

In de vrije natuur, redeneren optimistische wetenschappers, komt massale insectenvraat nauwelijks voor, zodat een wilde plant weinig heeft aan een ontsnapt gen voor de gifstof. Sterker: het ‘overbodige’ gen kost alleen maar energie, zodat zo’n plant het uiteindelijk zal afleggen tegen onveranderde soortgenoten.

Hun pessimistischer collega’s benadrukken juist dat uitwisseling van genen in het plantenrijk, maar ook tussen andere organismen zoals bacteriën, veelvuldig blijkt voor te komen. Soms gebeurt dat langs de ‘normale’ weg, via kruising. Maar steeds meer modern biologisch onderzoek onthult dat genen ook worden uitgewisseld tussen organismen die helemaal niet aan elkaar verwant zijn. ‘Horizontale overdracht’ van genen zou kunnen voorkomen tussen alle mogelijke combinaties van organismen: bacteriën, planten en dieren. Dr J.M.M, van Damme, werkzaam bij het Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren, verwoordde het zo: “We hoeven ons geen illusies te maken dat we genen kunnen opsluiten binnen een soort. Het is niet de vraag óf ze zullen overspringen naar andere organismen, maar wannéér het gebeurt. Het gaat er alleen om hoelang je erop wilt wachten.”

Niet iedereen is er ook gerust op dat bij voorbeeld een ontsnapt Bt-gen geruisloos zal verdwijnen. De Leidse populatiebioloog dr T.J. de Jong bij voorbeeld gelooft dat ook wilde planten veel baat kunnen hebben bij een gen dat vraatzuchtige insecten doodt. Bovendien, waarschuwde hij, zullen door het inbouwen van Bt-genen in vele gewassen binnen korte tijd insecten ontstaan die bestand zijn tegen het Bt-gif. Als dat gebeurt, is de mens in één klap een belangrijke categorie biologische bestrijdingsmiddelen kwijt.

Waar bij veranderde planten de risico’s ondanks alles nog begrensd lijken, verliest de wetenschap alle overzicht wanneer het gebruik van virussen ter sprake komt. Puur theoretisch valt niet uit te sluiten dat, bij voorbeeld door het knutselen met virusmateriaal om planten resistent tegen dat virus te maken, een geheel nieuw virus zal ontstaan, met een andere werking en andere potentiële slachtoffers – zoals de mens. Hoe groot de kans daarop is, en hoe gevaarlijk zo’n virus kan zijn, blijft echter gissen.

Eén categorie risico’s van het genetisch veranderen van landbouwgewassen of -huisdieren is echter veel minder onzeker. Het is vooral de Amsterdamse hoogleraar dr L. Reijnders die waarschuwt voor de gevolgen voor de resterende natuurgebieden op aarde, wanneer dankzij genetische modificatie gewassen verbouwd kunnen worden op plaatsen waar dat nu nog niet kan. “Mijn schrikbeeld is een zout-resistente aardappel onder een kabinet-Wiegel”, aldus Reijnders, verwijzend naar herhaalde pogingen om delen van de Waddenzee in te polderen ten behoeve van de landbouw.

Paradox

De grote meningsverschillen tussen de oecologen onderling demonstreerden donderdag eens te meer het ‘zwarte gat’ aan betrouwbare gegevens en voorspellingen over de risico’s van op grote schaal toegepaste biotechnologie. De Voorlopige Commissie Genetische Modificatie (VCOGEM), die de minister van Vrom adviseert over vergunningen voor veldproeven met genetisch veranderde gewassen, zit dus nog wel even gevangen in een lastige paradox: pas wanneer uit een groot aantal omvangrijke veldexperimenten blijkt dat een gen zich onbedoeld heeft kunnen verspreiden, hebben we een eerste indicatie over de grootte van de kans en de ernst van de gevolgen. Maar misschien is het dan ook te laat.