Het in de buitenlucht brengen van genetisch gemanipuleerde planten draagt een zeker risico in zich. Het probleem is echter, dat niemand weet hoe groot deze risico’s zijn. Volgens actiegroepen zijn ze ‘onaanvaardbaar’, volgens industriëlen juist ‘verwaarloosbaar. Een objectieve, in cijfers uit te drukken kansberekening bestaat niet. Maar de eerste stappen zijn gezet in Wageningen, waar men tracht de risico’s nauwkeurig in kaart te brengen.
DEZE ZOMER VERNIELDE een actiegroep die zichzelf De Woedende Escorts noemde in Ede en Emmeloord twee proefvelden met genetisch gemanipuleerde aardappelen. Zij deden dat, aldus de achteraf uitgegeven verklaring, uit protest tegen het manipuleren van levend materiaal en de macht van multinationale ondernemingen in de biotechnologie. Volgens de actiegroep zou erfelijk materiaal van genetisch gemanipuleerde planten zich in de natuur oncontroleerbaar kunnen verspreiden over andere organismen.
De actie vertoonde opvallende overeenkomsten met een gebeurtenis vorig jaar, toen de actiegroep De Ziedende Bintjes voor miljoenen guldens schade aanrichtte in een proefveld van de Landbouw-universiteit Wageningen.
Biotechnologie staat in de belangstelling, en niet alleen bij actievoerders. De dagelijkse stroom berichten in beschouwing nemend, lijkt het wel alsof de schappen in de supermarkt reeds gevuld zijn met vierkante kippen, superkoeien en genetisch gemanipuleerde bintjes.
In werkelijkheid echter bevinden zich nog vrijwel alle producten van genetische manipulatie binnen het laboratorium. De veldjes met aardappelen die door de actievoerders werden vernield, hoorden bij enkele van de eerste experimenten die zich buiten de muren van een onderzoeksinstituut waagden.
Transgeen
Transgene organismen – of het nu virussen, bacteriën, planten of dieren betreft – zijn op kunstmatige wijze aan genetisch materiaal gekomen dat tot dan toe niet bij hun ‘soort’ behoorde. De wetenschap heeft in de afgelopen decennia verschillende manieren bedacht om dat te bereiken. Tot die methoden behoort onder meer het inbrengen van een gen van soort 1 in een virus of bacterie (een vector’), waarmee vervolgens individuen van soort 2 geïnfecteerd worden.
De aarzeling om deze transgene organismen vervolgens los te laten in de vrije natuur komt voort uit de vrees dat de ‘nieuwe’ variant, of de overgebrachte eigenschap, zich daar ongebreideld zal gaan uitbreiden. Die vrees is wel afhankelijk van de aard van de eigenschap of het organisme. Een resistentie-gen tegen antibiotica bergt meer gevaar in zich dan een gen voor blauwe ogen; een transgeen virus is moeilijker op te sporen en te controleren dan een transgene koe.
Deze angst is overigens niet geheel nieuw: ook zonder biotechnologie kan door menselijk ingrijpen een plaag ontstaan, met grote gevolgen voor het ecosysteem. De introductie van het konijn in Australië bijvoorbeeld was zo’n overweldigend succes, dat het continent binnen de kortste keren zwart zag van de huppelende langoren.
In Wageningen kwam deze zomer een onderzoeksrapport uit over mogelijke gevaren van transgene planten voor wilde planten. Daarin deden de onderzoekers prof.dr. J.C. Zadoks en ir. A. Evenhuis een methode uit de doeken om het risico te schatten dat wilde planten – in aanraking gekomen met nieuwe genen uit cultuurgewassen – zich tot een plaag uitbreiden. Of dat een ‘gevaar’ voor die wilde planten moet worden genoemd, zoals in de titel van het rapport gebeurt, is natuurlijk de vraag.
Over die risico’s bestaat namelijk allerminst duidelijkheid. Een speciaal orgaan, de Voorlopige Commissie Genetische Modificatie (VCOGEM), geeft in Nederland ontheffingen van een algemeen verbod. Soms gebiedt zij daarbij bijzondere voorzorgsmaatregelen, zoals een kooi van gaas en het afknippen van bloemen om de verspreiding van transgene stuifmeelkorrels te voorkomen. In Duitsland en Denemarken zijn veldexperimenten zelfs helemaal verboden. België daarentegen is juist bijzonder liberaal, en daar zijn al open-luchtexperimenten met transgene virussen gemeld. Frankrijk en Groot-Brittannië hanteren ad-hoc regels vergelijkbaar met die in ons land.
Stuifmeelkorrels respecteren echter geen landsgrenzen, en meer objectieve criteria over de risico’s die ons bedreigen zouden daarom meer dan welkom zijn.
De Wageningse plantkundigen concentreerden zich op de mogelijkheid dat genen die zijn ingebouwd in cultuurgewassen zich onbedoeld verspreiden over nauw verwante soorten die in de vrije natuur voorkomen. Dankzij die nieuwe genen zouden immers ook de verwanten wel eens zo verbeterd kunnen worden, dat zij hun concurrenten in het veld plotseling ver achter zich laten, en uitgroeien tot een plaag.
De kans op een dergelijke gebeurtenis hangt af van een groot aantal factoren. Een daarvan is om welke eigenschap het gaat. Bij aardappels bijvoorbeeld wordt geëxperimenteerd met varianten die een gen hebben gekregen die de plant resistent maakt tegen bestrijdingsmiddelen. Daardoor zou een aardappelveld met behulp van herbiciden gemakkelijker van onkruid ontdaan kunnen worden. In de vrije natuur echter, waar niet met bestrijdingsmiddelen wordt gewerkt, zouden eventuele verwante soorten weinig voordeel hebben van dit nieuwe gen.
Anders ligt het bijvoorbeeld met pogingen om met nieuwe genen aardappels beter bestand te maken tegen vorst, of bepaalde ziekteverwekkers. Ook de verre familie in de vrije natuur zou daarvan kunnen profiteren.
Om de kans op ongelukken te berekenen, stelden de onderzoekers een model op waarin beschreven staat hoe de eventuele ongewenste verspreiding van het gen in zijn werk zou gaan. Het bestaat uit zes afzonderlijke stappen, die allemaal met ‘succes’ moeten worden doorlopen voor er sprake is van een dreigende plaag van wilde verwanten van het betreffende cultuurgewas. Van elk van de zes stappen kan, door apart experimenteel onderzoek, bij benadering een waarschijnlijkheid bepaald worden.
Al die kansen samen, in combinatie met de omvang van het te beoordelen veldexperiment, leveren een schatting op van het totale risico op een calamiteit. Politici zouden dit risico tenslotte moeten afwegen tegen de mogelijke voordelen die het experiment biedt, zoals een hogere aardappelopbrengst of een geringere inzet van bestrijdingsmiddelen.
Zes stappen
De eerste stap in het model is de kans dat stuifmeelkorrels van het cultuurgewas, verspreid via de kleverige pootjes van insecten of de wind, hun weg vinden naar de bloemstamper van een verwant in de nabijheid. Een verwant van de aardappel is bijvoorbeeld de zwarte nachtschade. Tarwe is familie van kweek en het kruipertje, de cultuurbiet heeft verwanten als melganzevoet en strandbiet, en kool zou kunnen kruisen met plantensoorten als radijs en witte mosterd.
Als tweede stap zal slechts een bepaald percentage van de stuifmeelkorrels op de stamper ontkiemen, en een ‘pollenbuis’ naar beneden richting eicel laten groeien. Bij slechts weer een zeker deel daarvan zal er werkelijk sprake zijn van een bevruchting (stap drie).
In het geval van een geslaagde bevruchting zal een levenskrachtig embryo moeten ontstaan, compleet met zaden (stap vier). Die zaden moeten vervolgens niet steriel zijn, maar in staat om te ontkiemen tot nieuwe kiemplantjes (stap vijf).
De laatste stap in het model zal het meeste onderzoek vergen. Daarbij staat de vraag centraal of het nieuwe gen in de wilde verwant ook standhoudt. Wanneer het maar een klein aantal exemplaren betreft, is de kans bijvoorbeeld aanwezig dat op grond van puur toeval planten met het betreffende gen afsterven voordat ze zich hebben kunnen vermenigvuldigen. Daarnaast is het best mogelijk, dat wat in de cultuurplant nog een verbetering was voor de wilde variant opeens een nadeel blijkt in de concurrentie met soortgenoten of andere omringende planten. Alleen wanneer het omgekeerde het geval is, zal de nieuwe wilde variant zich sterker dan voorheen kunnen gaan verbreiden ten koste van de rest van de vegetatie, met alle mogelijke gevolgen van dien.
Inmiddels is vanuit vele richtingen – natuurbeschermers, onderzoekers en overheid – positief gereageerd op de ‘bijdrage tot de risico-analyse’, zoals het rapport wordt genoemd.
De eerste onderzoeken naar afzonderlijke stappen zijn al uitgevoerd. Zo bleek bij een kruisingsproef tussen een transgene aardappelplant met zwarte nachtschade geen pollenbuis uit de stuifmeelkorrel te groeien.
Of de ontwikkeling van meer objectieve risico-analyses ook het vertrouwen van de samenleving in het biotechnologisch onderzoek zal vergroten moet nog maar worden afgewacht. In de tussentijd overwegen betrokken bedrijven voor hun veldproeven uit te wijken naar België, om te voorkomen dat ook volgend jaar hun aardappelen illegaal worden gerooid.