Nasa-onderzoekers presenteerden deze week foto’s van mogelijk fossiele bacteriën in een nieuwe Mars-meteoriet. Maar de grote scepsis over hun eerdere spectaculaire melding, drie jaar geleden, is nog niet verdwenen.
HET FANFAREKORPS van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie Nasa mocht deze keer thuisblijven. Anders dan in 1996, toen dankzij een groots opgezette persconferentie overal ter wereld juichende berichten over ‘Leven op Mars’ de voorpagina’s sierden, bleef de publiciteitsmachine nu verdacht stil.
“Wij zien het congres in Houston, waar deze resultaten worden gemeld, als een interne, puur voor wetenschappers bedoelde discussiebijeenkomst,’’ zei deze week een woordvoerder van de Nasa ter verklaring.
Toch lijkt er, wanneer je naar de foto’s kijkt die Nasa-onderzoeker David McKay donderdag in Houston aan collega’s liet zien, weinig reden voor deze plotselinge stilte. Drie jaar geleden was McKay minder bescheiden met vergelijkbare plaatjes, toen afkomstig uit een Mars-steen met de naam ALH84001, in 1984 gevonden in het ijs van de Zuidpool. Op de plaatjes waren bolletjes en staafjes te zien die de vorm hadden van bacteriën. Maar, zo moest McKay toen nog toegeven, ze hadden niet de juiste afmetingen: ze waren meer dan tien keer zo klein als de kleinst bekende bacteriën op aarde.
Sindsdien hebben wetenschappers, inclusief McKay zelf, uitgerekend hoe groot een organisme op zijn minst moet zijn om te kunnen leven. Om alle noodzakelijke bouwstenen van het leven te kunnen huisvesten, zo bleek, moet een cel tenminste het volume hebben van een bolletje van 200 nanometer doorsnee – oftewel een vijfduizendste van een millimeter. En aan dat criterium voldeden de bolletjes en staafjes in ALH84001 niet.
Maar de pukkelige bolletjes die McKay afgelopen donderdag toonde, waren een klasse groter. Met een doorsnede van 200 tot 1000 nanometer zijn ze zelfs onder een gewone lichtmicroscoop nog te zien, en volgens de nieuwe criteria dus groot genoeg om ooit te hebben geleefd. “Wij denken dat de ronde en ovale structuurtjes de gefossiliseerde resten zijn van bacteriële cellen,’’ concludeerde McKay dan ook. “Sommige daarvan zijn misschien van aardse oorsprong, maar andere zijn waarschijnlijk afkomstig van Mars.’’
Extra reden voor een juichende persconferentie had bovendien nog kunnen zijn dat het een andere Mars-meteoriet betrof, Nakhla geheten, een joekel van tien kilogram die in 1911 bij Nakhla, in het Egyptische deel van de Sahara-woestijn, werd gevonden. Bovendien voegde McKay er aan toe de bolletjes ook te hebben gezien in nóg een meteoriet, Shergotty, die al in 1865 in India werd gevonden. Foto’s daarvan kon hij nog niet laten zien, maar ze zien er ongeveer net zo uit, verzekerde hij.
De onderkoelde presentatie van de nieuwe foto’s moet waarschijnlijk worden verklaard uit de grote twijfels die de eerdere claims van McKay hebben ontmoet. Op de keper beschouwd, menen de meeste van zijn collega-geologen, kunnen McKay en zijn collega’s van het Johnson Space Center in Houston niet veel meer laten zien dan iets dat lijkt op leven op Mars. En hoewel de verleiding om deze kleine bolletjes aan te zien voor bacteriën begrijpelijkerwijs groot is, ontbreekt verder elk spoor van hard bewijs.
Vier jaar geleden presenteerde McKay, naast mooie plaatjes, nog drie aanwijzingen voor zijn stelling dat ALH84001 de sporen bevatte van Martiaans leven. Maar in de jaren die volgden, werden bijna al die aanwijzingen door nieuw onderzoek onderuit gehaald. Inmiddels gelooft, afgezien van McKay en zijn team zelf, bijna niemand meer dat die eerste steen het bewijs voor buitenaards leven bevat. De opwinding over het aanvankelijke bericht heeft wel veel geld losgemaakt voor nieuw onderzoek – de Nasa en de Amerikaanse National Science Foundation kwamen met vijf miljoen gulden over de brug – maar slechts weinig van al die onderzoeken ondersteunen de oorspronkelijke claim.
In Houston gaf McKay een aantal argumenten om de bolletjes op zijn foto te interpreteren als fossiele bacteriën. Ten eerste, zegt hij, zijn de bolletjes allemaal ongeveer even groot, en groot genoeg om leven te hebben bevat. Ten tweede zijn sommige bolletjes net zo met elkaar versmolten als een bacterie die zich deelt. En anders dan de eerste keer, toen sommige ‘bacteriën’ bij nadere beschouwing slechts bobbeltjes op het gesteente bleken, liggen sommige nu geheel vrij. De ruwe oppervlakte van de bolletjes lijkt op die van sommige aardse bacteriën, en uit één komt zelfs een dun strengetje dat doet denken aan draden waarmee ook bacteriën soms netwerken spannen.
Daar komt nog bij, aldus McKay, dat de bolletjes spaarzaam voorkomen, maar wel in kleine ‘kolonies’ – typisch wat je zou verwachten bij zich voortplantend leven; scheikundige processen zouden zich meer evenredig over de steen hebben verspreid.
McKay houdt de mogelijkheid nog wel open dat zijn ‘bacteriën’ niet van Mars afkomstig zijn, maar op aarde de meteorieten zijn binnengedrongen. Dat laatste komt meer voor dan gedacht, blijkt de laatste jaren: in ALH84001, de steen die in de diepvries van de Zuidpool veilig voor microbiële besmetting heette te zijn, werd kort geleden een schimmel aangetroffen. Maar zelf gelooft hij dat op zijn minst een deel van de bacteriën al op Mars in de Nakhla-steen aanwezig waren.
Helaas voor McKay ziet het er, gezien de scepsis van zijn collega’s, niet naar uit dat de controverse over zijn Mars-bacteriën snel zal worden beantwoord. De veertien Mars-stenen die tot nu toe op aarde zijn gevonden, lijken niet geschikt om de vraag te beantwoorden of er vroeger, en misschien zelfs vandaag, leven is geweest op Mars. Het wachten is op stenen die de komende jaren van de planeet zullen worden opgehaald.
Drie jaar geleden spoedde Nasa-directeur Dan Goldin, naar verluidt, zich naar het Witte Huis, voor hij de wereld op de hoogte bracht van het heuglijke nieuws van fossiel leven op Mars. Dit keer kon hij thuisblijven, want voor Goldin is de eigenlijke buit al binnen: nooit was de steun voor ruimtemissies naar Mars zo groot als de laatste drie jaar. Als over tien jaar het bewijs alsnog wordt geleverd, dan hebben de plaatjes van McKay daar, op zijn minst indirect, veel aan bijgedragen.