De mens is geneigd tot alle goeds – zo niet, dan lukte het ons nooit om met zovelen op een kluitje te wonen. Onze genen dwingen ons aardig te zijn, tenzij dat aantoonbaar niets oplevert, aldus de controversiële theorie van de Canadese filosoof Michael Ruse.
VAN NATURE is de mens een aardig wezen. Hij steelt niet, hij moordt niet, hij handelt eerlijk en netjes tegenover zijn medemens. De mens, kortom, is een moreel hoogstaand wezen – niet omdat dat van hogerhand is opgedragen, maar omdat het in de evolutie de beste strategie is gebleken. De menselijke soort boekte successen omdat hij goed kon samenwerken. Daarvoor moest wel een vorm van ‘evolutionaire ethiek ontstaan: een moreel richtsnoer dat ervoor zorgt dat we elkaar niet direct de hersens inslaan, maar uitgaan van het goede in de ander tot het tegendeel bewezen is. Reflexmatig benaderen we onze medemens onbaatzuchtig – niet omdat we moeder Theresa zijn, maar omdat het ons op den duur de meeste winst oplevert.
Aldus betoogde vorige week Michael Ruse, hoogleraar filosofie aan de universiteit van het Canadese Guelph. Op uitnodiging van het weekblad Intermediair verdedigde Ruse in het Amsterdamse Amstelhotel zijn stelling dat onze ethische normen niet in onze cultuur, maar vooral in onze genen zitten gebakken. Het was niet de eerste keer dat de van oorsprong Britse filosoof zich roert op het terrein van de biologie. Al vele jaren beweegt hij zich, met boeken als Sociobiology – Sense or Nonsense en Taking Darwin seriously; a naturalistic approach to philosophy op het grensvlak van de biologie en de filosofie.
Hoe overtuigt Ruse de mensen die ethiek juist zien als onze enige bescherming tégen de barbaarse krachten van de evolutie? Die morele waarden zien als de overwinning van de cultuur op de natuur, zonder welke wij onherroepelijk zouden afglijden naar het wrede survival of the fittest?
Ruse: “Die vraag is op twee manieren te beantwoorden. Allereerst historisch: sinds Darwin is evolutie vaak geassocieerd met bloedige strijd, met een economie gebaseerd op laissez faire en al dat soort zaken. Maar er zijn óók mensen geweest die aan de biologie steun ontleenden voor sociale idealen. De Amerikaanse marxisten van eind vorige eeuw waren stuk voor stuk aanhangers van de sociaal-darwinist Herbert Spencer, die in de biologie zijn hoop op vooruitgang zag weerspiegeld. Alfred Russel Wallace, die tegelijk met Darwin het belang van de
natuurlijke selectie ontdekte, was een overtuigd socialist, feminist en vegetariër.”
“Het tweede antwoord komt uit de moderne evolutiebiologie. Als die ons iets heeft laten zien, dan is het wel dat samenwerken in het leven vaak veel meer oplevert dan vechten – kijk maar naar mieren in een mierenhoop. Natuurlijk valt er soms veel te winnen in een gevecht, maar lang niet altijd. Zeker niet bij dieren zoals wij: we zijn niet ontworpen voor de strijd. Wij zijn geëvolueerd als samenwerkende organismen.”
“Wanneer je ziet dat ethiek een manier is om op hoog niveau met elkaar samen te werken, dan zie je dat evolutie en ethiek allesbehalve met elkaar in tegenspraak zijn. De mier doet doorgaans precies wat er van hem wordt verwacht. Maar van de mier zeggen we niet dat zijn cultuur hem morele waarden heeft bijgebracht. Uit de moderne biologie weten we dat hij het doet omdat het zijn kans op nakomelingschap vergroot.”
“Net als mieren zijn wij mensen ontstaan als samenwerkende dieren. Natuurlijk, soms zijn we ook gewelddadig, maar dat maakt deel uit van het geheel –
er is een soort evenwicht. Maar we moeten ons er niet op verkijken. We hebben vaak een beeld van onszelf als broedermoordenaars, als bloedige apen. Maar als je kijkt naar het geweld in andere diersoorten… Neem lemmingen. Het eerste wat een mannetje doet wanneer hij een vrouwtje verovert, is al haar jongen vermoorden. Bij leeuwen gaat het net zo, omdat het vrouwtje dan veel sneller tochtig wordt. Als je dat ziet, dan zijn mensen tamelijk pacifistisch. Natuurlijk is er veel geweld, vooral dankzij onze technologie. Maar voor het overgrote deel zijn wij hele vredelievende dieren.”
De meeste mensen zullen zeggen: dat is ondanks de evolutie, niet dankzij. Wanneer we de evolutie zijn gang lieten gaan, zag de wereld er heel anders uit.
Ruse: “Dat is wat Thomas Henry Huxley al in 1893 zei. Volgens hem moesten we de evolutie bestrijden, in plaats van erin meegaan. Maar sociobiologen als Edward Wilson, en Darwin zelf ook, zouden het een vals onderscheid noemen. Nogmaals: wij mensen hebben een bepaalde biologische strategie gekozen. We worden heel langzaam volwassen, onze jongen zijn hulpeloos, we zijn slecht in bomen klimmen, we hebben geen klauwen, we zijn niet bijzonder sterk of snel, we hebben slechte tanden. Toch hebben we enorm succes. Waarom? Omdat we grote hersenen hebben, die ons in staat stellen samen te werken.”
“Nu dan: wanneer je als diersoort intensief samenleeft en -werkt, dan moet je aanpassingen hebben die dat mogelijk maken. Sociale dieren moeten bijvoorbeeld een afweersysteem hebben tegen parasieten, omdat ze die op elkaar overbrengen. Of neem een ander voorbeeld: een kenmerkende eigenschap van de mens is dat onze vrouwen niet tochtig worden. Ware dat wel zo, dan kon onze samenleving niet bestaan. Kun je je voorstellen hoe een filosofie-college met veertig studenten eruit zou zien, wanneer twee van de meisjes tochtig zouden zijn?”
Toch is het moeilijk voorstelbaar dat onze moraal evolutionair voordeel brengt. Onze ethiek laat ons onze ouderen verzorgen, terwijl ons nageslacht daar geen baat bij heeft.
Ruse: “Om te beginnen is het de vraag hoeveel zorg wij ouderen geven – voor een deel zorgen ouderen voor zichzelf door tijdig macht en geld te verzamelen. In primitieve samenlevingen dragen ouderen bovendien wel degelijk bij aan het biologische succes van de groep: grootmoeder krijgt voedsel als ze op de kleinkinderen let, zodat moeder op het veld kan werken. Dat is een goede biologische ruil.”
“Maar dan nog. Als ik zou vertellen dat ik twee kinderen had, maar niet veel tijd voor ze over hou omdat mijn bejaarde ouders alle aandacht opslokken, dan zou je zeggen: dat hoort niet; zijn eerste taak ligt bij de kinderen. De meeste mensen besteden meer zorg aan hun kinderen dan aan hun ouders, terwijl ze biologisch even verwant zijn. Waarom? Omdat die kinderen de volgende generatie zijn.”
In uw visie hoort een zekere portie geweld ook tot de evolutionaire mix die ons succes heeft gebracht. Maakt dat geweld ethisch verantwoord?
“Ik vind geweld verkeerd. Wanneer iets natuurlijk is, wil het nog niet zeggen dat het ook goed is.”
Maar als de basis voor onze ethiek ligt in de evolutie..
“Ik denk dat mijn ethische normen voortkomen uit de biologie, omdat het in mijn eigen belang is om samen te werken. Dat betekent niet dat ik die normen niet kan gebruiken om gedrag te bekritiseren.”
“Kijk naar mijzelf – ik ben soms heel ethisch, maar soms ook heel egoïstisch. Ik kan zonder problemen zeggen dat er biologische redenen zijn voor mijn egoïsme. Maar er zijn óók redenen om mij onbaatzuchtig te gedragen. Vanuit mijn ethische normen kan ik mijn eigen egoïsme bekritiseren. Maar tegelijk kan ik ook begrijpen dat het er is, en dat ik er maar beter mee kan leren leven.”
“Je moet je goed realiseren wat ethiek en moraal precies zijn. Is moraal dat wat jullie streng calvinistische dominee op zondag op de preekstoel zegt? Of is het de manier waarop de zakenman, de leraar of de huisvrouw op maandagmorgen probeert een beetje eerlijk te handelen? De dominee zegt: geef alles aan de armen. Maar als je dat echt zou doen, zou hij bezorgd komen vragen of het wel goed met je gaat.”
De evolutionaire ethiek heeft ook een achilleshiel, weet Ruse. Zodra mensen zich realiseren dat hun ethiek eigenlijk is ingegeven door ordinair eigenbelang, dan zullen ze hun normen en waarden al snel laten voor wat ze zijn. Wil de ethiek haar functie kunnen vervullen, dan móet de mens ervan overtuigd zijn dat hogere waarden in het geding zijn.
“De mens is dus evolutionair geprogrammeerd om te denken dat zijn richtsnoer afkomstig is van buiten hemzelf,” besluit Ruse met een glimlach. “Dat maakt mijn theorie onder collega’s ook zo controversieel. Mensen zijn biologisch voorbestemd om mijn betoog niet te geloven.”