Menu Close

Jacht op ‘intelligentie-genen’ geopend

Amerikaanse onderzoekers starten binnenkort een zoektocht naar genen die mede bepalen hoe intelligent een mens wordt. Dat kan de deur openen naar de selectie van embryo’s met een grotere kans op een goed stel hersens.

DE MOGELIJKHEID om via moderne biologische technieken in te grijpen in de ontwikkeling van de menselijke intelligentie heeft vanaf het eerste begin een groot stempel gedrukt op de discussies over de ethische consequenties van de biotechnologie. Maar zij die dit schrikbeeld in de afwegingen wilden betrekken, werden tot nu toe door wetenschappers ogenblikkelijk gerustgesteld: dé ontwikkeling van de menselijke intelligentie zou een veel te ingewikkeld en ondoorzichtig proces zijn, waarbij naast de omgeving vele onbekende genen een rol spelen. Daardoor mocht de kans dat dit Brave New World-scenario werkelijkheid wordt met een gerust hart uitgesloten worden geacht.

Desondanks doet een groep wetenschappers van de Universiteit van Pennsylvania binnenkort een eerste serieuze poging genen op het spoor te komen die de hoogte van het IQ aantoonbaar beïnvloeden. Wanneer zij in hun opzet zouden slagen, ligt de volgende stap dankzij uitgebreide ervaring met ‘in-vitro-fertilisatie’ binnen handbereik: embryo’s, ontstaan uit buiten de baarmoeder bevruchte eicellen, zouden op de aanwezigheid van een aantal ‘intelligentie-genen’ getest kunnen worden, om zo de kans op pientere nazaten tenminste iets te vergroten.

Het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Science meldt in het jongste nummer dat de groep, geleid door de psycholoog Robert Plomin, een subsidie van 1,2 miljoen gulden heeft gekregen voor een onderzoek dat een aantal genetische markers zou moeten opleveren.

Voor hun onderzoek zullen de wetenschappers ongeveer honderd genen gebruiken waarvan bekend is dat zij iets te maken hebben met uiteenlopende hersenfuncties. Bij zeshonderd kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar, die qua intelligentieniveau uiteenlopen van minder begaafd tot juist uitzonderlijk begaafd, zullen bloedcellen worden getest op de aanwezigheid van een of meer van de honderd genen of gendefecten. Tegelijk zullen dezelfde kinderen uitgebreid worden onderworpen aan een serie psychologische tests.

Door de resultaten van deze twee onderzoeken met elkaar te vergelijken, hoopt de groep op het spoor te komen van markers die aantoonbaar vaker voorkomen bij hoogbegaafde kinderen dan bij hun minder slimme leeftijdsgenootjes. Zij voorspellen genen te vinden die zorgen voor ten minste één procent van alle variatie in intelligentie.

Dat de meeste wetenschappers de kansen op succes van dergelijke onderzoeken tot nu toe laag inschatten, heeft alles te maken met de veronderstelling dat vele elkaar beïnvloedende genen verantwoordelijk zijn bij het bepalen van de erfelijke component van iemands intelligentie. De kans dat één enkel gen op zichzelf een meetbaar effect zou hebben, wordt helemaal nihil geacht.

De onderzoekers uit Pennsylvania wijzen echter een aantal factoren aan waardoor zij wel succes zouden kunnen boeken. Dat optimisme heeft te maken met methoden die inmiddels zijn ontwikkeld voor het onderzoek aan planten. Ook daar komen eigenschappen voor die niet door een enkel gen, maar door een groot aantal verschillende genen worden bepaald. Via een recent ontwikkelde analysemethode, ‘QLT’ genaamd, slaagden wetenschappers er echter toch in om dergelijke eigenschappen te koppelen aan een beperkt aantal plaatsen in het DNA.

De mogelijkheid om dezelfde methode ook toe te passen op de overerving van het IQ is de laatste jaren drastisch gegroeid, zegt psycholoog en mede-onderzoeker Gerald McClearn in Science, omdat inmiddels een groot aantal genetische markers zijn ontdekt die op de een of andere manier effect hebben op de hersenen. “Daardoor hebben we er steeds meer vertrouwen in dat we de QLT-technieken ook bij menselijk gedrag kunnen toepassen.”

Volgens zijn collega Plomin is de kans op succes het grootst bij de meest intelligente kinderen: “De resultaten van kinderen die lager scoren op de intelligentietests zullen veel moeilijker te interpreteren zijn, omdat daar vele factoren door elkaar heen kunnen spelen. Maar kinderen met de hoogste IQ-scores zullen alle betrokken genen mee moeten hebben.”

Het optimisme van de Amerikaanse onderzoekers wordt niet door elke wetenschapper gedeeld. De Nederlandse hoogleraar dr D. F. Swaab bij voorbeeld, als hersenonderzoeker verbonden aan het AMC, wijst er desgevraagd op dat alle bekende markers te maken hebben met kinderen die, als gevolg van bekende of onbekende stoornissen, achtergebleven zijn. Genetische kenmerken die gerelateerd zijn aan een hoger IQ zijn hem niet bekend. Hij verwacht dus hooguit resultaat bij minder begaafde kinderen, in plaats van hoogbegaafde.

“Ongeveer één op de drie kinderen in inrichtingen voor geestelijk gehandicapten heeft het syndroom van Down. Bij nog eens twintig procent is een andere genetische oorzaak vastgesteld. Als je al iets van dergelijk onderzoek kunt verwachten, is het dat je voor een deel van de resterende vijftig procent van de handicaps een genetische oorzaak vindt,” aldus Swaab.

Related Posts