Menu Close

Klaar voor het Irak-syndroom

Door het verzamelen van bergen informatie hoopt het Amerikaanse leger te voorkomen dat haar Irak-veteranen opnieuw ten prooi gaan vallen aan het ‘Golfoorlog-syndroom’.

Een goede reden om een oorlog te beginnen is het natuurlijk niet, maar misschien wel een gelukje bij een groot ongeluk: dankzij de honderdduizenden soldaten die op weg zijn naar Bagdad, kennen we over een paar jaar misschien de oorzaak van het Golfoorlogsyndroom, het Balkansyndroom — en misschien zelfs het Bijlmersyndroom.

Tijdens de eerste Golfoorlog, twaalf jaar geleden, sneuvelden 150 Amerikaanse soldaten en raakten er vijfhonderd gewond. De grootste aanslag op de militairen zou pas beginnen nadat ze waren thuisgekomen. Negentigduizend ooit kerngezonde veteranen meldden zich bij hun legerartsen met mysterieuze klachten: spier- en gewrichtspijnen, moeheid, hoofdpijn, vergeetachtigheid, huidirritaties, slapeloosheid, diarree, kortademigheid, buikpijn, concentratiestoornissen… De registratie van symptomen oogde eindeloos, en achter elk item in de lijst liepen de aantallen in de tienduizenden.

Meer dan tweehonderd wetenschappelijke onderzoeken later, en meer dan tweehonderd miljoen dollar, is het geheimzinnige ‘Golfsyndroom’ nog altijd geen controleerbare diagnose — laat staan dat er duidelijke oorzaken voor de waaier aan schijnbaar onsamenhangende klachten zijn geïdentificeerd.

Wat er ook aan de hand is, duidelijk is dat massale gezondheidsproblemen onder veteranen een groot probleem vormen: ze kweken frustratie onder het personeel, ondermijnen het vertrouwen in leger en overheid en helpen ook niet echt bij de werving van nieuwe rekruten.

Vandaar dus dat het Amerikaanse leger, voor de start van een nieuwe oorlog rond de Golf, er alles aan doet om straks een nieuwe uitbraak van het ‘Golfsyndroom’ in te dammen.

Elke oorlog kent zijn eigen syndroom.

Toen in 1865 de kruitdampen van de Amerikaanse burgeroorlog waren opgetrokken, hadden veel veteranen volgens hun artsen last van een ‘soldatenhart’. Vijftig jaar later, tijdens de Eerste Wereldoorlog, stuurden Britse legerartsen één op de vijftig rekruten wegens shell shock naar huis. De klachten – oververmoeidheid, duizeligheid, concentratieverlies — zouden ontstaan zijn door schokgolven van exploderende granaten, zo hevig dat ze het zenuwstelsel hadden beschadigd. De Amerikaanse inmenging in Vietnam zadelde vele duizenden soldaten op met wat later werd gedefinieerd als het ‘posttraumatisch stress-syndroom’.

Ook Nederlandse veteranen die het slagveld ogenschijnlijk zonder kleerscheuren verlaten, krijgen na terugkeer medische klachten. Na militaire acties in Indonesië kampten de troepen met ‘tropenkolder’. Zelfs na vredesmissies, zoals in Cambodja en Joegoslavië, ontwikkelde één op de twintig Nederlandse soldaten een ernstig ‘posttraumatisch stress-syndroom’. Anderen hebben nog steeds moeilijk definieerbare klachten, en verklaren zich slachtoffer van een ‘Cambodja-‘ of ‘Balkan-syndroom’.

Voor zo’n oorlogssyndroom is waarschijnlijk niet eens een oorlog nodig. Veel deskundigen denken dat élke traumatische gebeurtenis, zeker als die gepaard gaat met de angst dat men heeft blootgestaan aan gevaarlijke maar onzichtbare factoren, achteraf tot gezondheidsklachten kan leiden — ook als van straling, giftige stoffen of wat dies meer zij in feite geen sprake was. Veel omwonenden en hulpverleners van de Bijlmerramp kampen, meer dan tien jaar na dato, nog steeds met klachten waarvoor geen externe oorzaak valt aan te wijzen.

Nederland trok uit de nasleep van die Bijlmerramp een cruciale les: snel medisch bevolkingsonderzoek kan voorkomen dat na de ramp oncontroleerbare, moeilijk te weerspreken geruchten en mythes de ronde doen. Die les werd toegepast na de vuurwerkexplosie in Enschede, en het is waarschijnlijk geen toeval dat drie jaar later het woord ‘Enschede-syndroom’ nog niet is gevallen.

Voor de Verenigde Staten vormde de eerste Golfoorlog een vergelijkbare les. Soldaten in die oorlog waren permanent bang te worden blootgesteld aan onzichtbare radiologische, chemische of biologische wapens — een angst die werd gevoed door primitieve meetapparatuur die om de haverklap vals alarm gaf. Na de oorlog werd de ongerustheid verhevigd door geruchten die, mede dankzij websites vol ongeverifieerde informatie, razendsnel voet aan de grond kregen.

Maar ook het Amerikaanse leger zelf liet weinig na om de onzekerheid te vergroten. Het bleek niet meer te weten welke soldaten waren gevaccineerd, wie pillen hadden geslikt tegen een potentiële chemische aanval of wie gevaarlijke gifwolken had kunnen inademen. Het duurde vijf jaar voordat naar buiten kwam dat tijdens de oorlog chemische wapens waren opgeblazen. In een moeizame poging te reconstrueren wie in de rook hadden gestaan, moest het Amerikaanse leger de explosie op eigen grondgebied zelfs dunnetjes overdoen.

Geen wonder dus dat honderdduizenden veteranen overtuigd raakten dat zij tijdens hun verblijf in de Golf waren vergiftigd.

Tot de factoren die veel zieke veteranen nog altijd verantwoordelijk houden behoren sarin (een zenuwgas uit de opgeblazen munitie-opslag), verdampt uranium (uit antitankgranaten), pyridostigmine-bromide (uit tabletten die bij een gasaanval zouden helpen), vaccins tegen miltvuur en botuline-gif, insecticiden (tegen hardnekkige woestijnmuggen en -vliegen) en de gitzwarte rook van brandende oliebronnen. Sommige veteranen menen zelfs dat Irak destijds een chemische aanval heeft uitgevoerd, maar één die te zwak was voor directe schade.

De inventarisatie van gezondheidsklachten leverde geen bijzondere patronen op — ze bevestigde slechts dat Golfveteranen vaker klachten hebben dan soldaten die thuisbleven, al zijn hun kansen om in het ziekenhuis te belanden of te overlijden gelijk. De vrijwel totale afwezigheid van blootstellinggegevens maakte het zoeken naar specifieke oorzaken, dan wel het uitsluiten van gezochte theorieën, tot een onmogelijke opgave.

Bij het begin van een nieuwe oorlog in de Golf wordt echter duidelijk dat ook de Amerikanen hun les hebben geleerd. De ruim 250 duizend Amerikaanse soldaten, én het slagveld waarop ze zich begeven, worden dit keer tot in de kleinste details in de gaten gehouden. Een grote hoeveelheid onderzoek rond het slagveld moet niet alleen een biologische of chemische aanval snel opsporen, maar dient ook om na afloop beter het hoofd te kunnen bieden aan een ongetwijfeld opduikend ‘Irak-syndroom’.

De basis van de epidemiologische schatkamer wordt gevormd door een databank waarin van elk gebied dat door soldaten wordt bezocht alle bekende milieurisico’s zijn vastgelegd. Sommige gevaarlijke plekken waren al bekend, andere, zoals de locatie van chemische depots, zijn voor zover mogelijk uit spionagebronnen gedestilleerd. Tijdens de oorlog zal deze databank continu worden ververst met nieuwe meetgegevens. Vijfhonderd soldaten zijn speciaal opgeleid om met een klein arsenaal aan snuffelapparatuur metingen uit te voeren.

Fijne nevels met mogelijk chemische of biologische wapens kunnen op kilometers afstand worden opgespoord; water-, bodem- en luchtmonsters kunnen door middel van stripjes met antilichamen snel worden getest op een hele rij boosdoeners. De nieuwe instrumenten zijn, zeggen de makers, veel specifieker dan hun voorgangers, en zullen dus minder paniek zaaien met valse alarmen. Alle meetgegevens worden, na gebruik op het militaire hoofdkwartier, naar de VS worden doorgestuurd en opgeslagen.

Ook de soldaten worden scherp in de gaten gehouden.

Van elke compagnie, ongeveer 150 soldaten, wordt van uur tot uur bijgehouden waar ze zich precies ophoudt. De posities worden opgeslagen bij het Army Center for Health Promotion and Preventive Medicine, zodat later van elke soldaat kan worden getraceerd of hij zich in de route van een bepaalde gifwolk heeft bevonden.

In Washington beschikt het leger over ‘s werelds grootste bloedbank, waarin inmiddels dertig miljoen buisjes bloedvloeistof liggen opgeslagen. Iedere Amerikaanse rekruut wordt eens per jaar bloed afgenomen, zodat de bloedbank van elk van hen minstens één recent buisje in voorraad heeft. Het bewaarde bloedserum maakt het niet alleen mogelijk vrijwel elke gesneuvelde soldaat met een DNA-test te identificeren; het biedt ook de mogelijkheid om ‘oud’ bloed van veteranen na de oorlog te onderzoeken. Veteranen die denken op het slagveld een geheimzinnige microbe te hebben opgelopen, kunnen na afloop checken of ze die bij vertrek misschien ook al onder de leden hadden.

Naast bloed wordt van elke soldaat een uitgebreid digitaal medisch dossier bijgehouden. Daarin zijn allereerst, voor zover bekend, relevante historische gegevens opgenomen — inentingen, ziektegeschiedenissen, opnames in ziekenhuizen en dergelijke. Maar bovendien hebben alle 250 duizend soldaten, pal voor hun inscheping naar de Golf, een korte medische vragenlijst moeten invullen. Hoe omschreven ze hun algemene gezondheidstoestand? Dachten ze de komende weken te worden blootgesteld aan chemische of biologische wapens? Zo ja, aan welke? Alle formulieren zijn inmiddels gescand en de multiple-choice-vragen ingevoerd in een databank. Bij terugkeer uit Irak zal elke soldaat het formulier direct opnieuw moeten invullen.

De combinatie van al deze geografische en menselijke gegevens zal het epidemiologen mogelijk maken straks te doen wat na de eerste Golfoorlog onmogelijk was: uit de databanken zullen ze in een handomdraai kunnen destilleren wat de gezondheid van vertrekkende en terugkerende soldaten was, over welke gevaarlijke invloeden zij zich zorgen maakten, aan welke risico’s zij precies hebben blootgestaan, of er patronen naar boven komen die verband kunnen houden met klachten die zich de komende jaren gaan voordoen. Tegelijk zullen ze sommige ongefundeerde claims met een druk op de knop naar het rijk der fabelen kunnen verwijzen.

En wat het Amerikaanse leger betreft is de honger naar medische informatie over zijn werknemers met dit alles nog niet gestild. Pogingen om, naast lichamelijke, ook de mentale functies van elke vertrekkende soldaat vast te leggen zijn al in voorbereiding. Een klein deel van de soldaten in de Golfregio hebben vlak voor vertrek een experimentele test afgelegd, waarin onder andere hun reactietijd en rekenkundige vaardigheid werd gemeten. De test zal zowel op het slagveld als na terugkeer worden herhaald.

Om de gezondheid van soldaten en veteranen ook op lange termijn te volgen, is ten slotte in het najaar van 2001 de Millennium Cohort Study begonnen — een grootscheeps epidemiologisch onderzoek waarin een representatieve steekproef van 140 duizend soldaten tot het jaar 2022 met medische vragenlijsten zal worden gevolgd. Tegen die tijd zullen we weten waarom slagvelden slecht zijn voor de gezondheid, ook als je ze op het oog ongeschonden verlaat.

Related Posts