Menu Close

VS in Europese houdgreep

Staatscourant, december 2002

Met de WTO als grote broer heeft Europa de Verenigde Staten in de `houdgreep’: onder dreiging van miljarden aan importheffingen moet Amerika haar belastingsysteem aanpassen. Maar de Amerikanen zijn boos en maken weinig haast.

WASHINGTON — Het zou zijn alsof Europa een atoombom tot ontploffing bracht in de toch al broze internationale handel, zei Robert Zoellick, toponderhandelaar op het gebied van de handel namens de Verenigde Staten, kort geleden. Strafheffingen ter waarde van meer dan vier miljard dollar, waartoe de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de Europese Unie in augustus machtigde, zouden in een klap alle voorgaande internationale handelsconflicten doen verbleken. (De hoogste strafheffing tot nu toe bedroeg 200 miljoen dollar — twintig keer zo weinig.)

Europa en de WTO menen dat onderdelen van het Amerikaanse belastingstelsel neerkomen op exportsubsidies die op grond van oude handelsverdragen verboden zijn. Amerika, op zijn beurt, vindt die handelsverdragen oneerlijk, en wijt de veroordeling door de WTO aan anti-Amerikaanse sentimenten. De Amerikaanse regering en volksvertegenwoordigers in het Congres steken hun verontwaardiging niet onder stoelen of banken. Maar onder druk van de megasanctie, en bang om internationaal geheel ongeloofwaardig te worden, hebben beide toch toegezegd na te zullen denken over aanpassing van de gewraakte belastingregels.

In de praktijk valt van die belofte overigens nog weinig te merken. Eén hervormingsvoorstel ligt op tafel, maar achter de schermen is het overleg daarover vastgelopen. Elke serieuze herziening berooft wel een paar industrieën van honderden miljoenen dollars, en dat is geen gemakkelijke boodschap in een toch al kwakkelende economie.

Het Europese zwaard van Damocles zal dus nog wel even moeten blijven hangen.

De meeste Europese overheden, waaronder ook de Nederlandse, halen een flink deel van hun inkomsten binnen via lokale, indirecte belastingen: heffingen van tientallen procenten op aan goederen en diensten `toegevoegde waarde’, op de plek waar de eindverbruiker betaalt. Ook over Amerikaanse importartikelen wordt BTW geheven. Tegelijk blijft Europese bedrijven die goederen exporteren deze belastingheffing bespaard.

De Verenigde Staten kennen, net als bijvoorbeeld Japan en het Verenigd Koninkrijk, een ander fiscaal stelsel, grotendeels gebaseerd op directe belastingen op inkomen dat wereldwijd is gegenereerd. (Toen het Amerikaanse stelsel ontworpen werd, kort na de Tweede Wereldoorlog, maakte het land zich weinig zorgen over al te grote importen.) Europese bedrijven die hun producten naar de VS importeren, hebben van die Amerikaanse inkomstenbelasting geen last. Maar omgekeerd worden Amerikaanse bedrijven in principe aangeslagen over hun héle winst — ook die berust op verkopen in Europa.

Om de impliciete bevoordeling van buitenlandse bedrijven te compenseren, creëerden de VS in 1971 een aftrekregeling voor Domestic International Sales Corporations. Amerikaanse bedrijven kregen belastingvrijstelling voor exportwinsten. Tien jaar later werd die regeling echter resoluut afgewezen door internationale arbiters van het General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Het Amerikaanse Congres ging terug naar de tekentafel, waarna een grotendeels identieke wet, de Foreign Sales Corporation Act, in 1984 de afgekeurde wet verving.

Lange tijd liet Europa de kwestie op haar beloop — naar eigen zeggen om internationale handelsbesprekingen niet te bemoeilijken. Maar in 1997, drie jaar na ondertekening van een historisch wereldhandelsakkoord, werd de zaak opnieuw aangekaart, nu bij de WTO. (In Amerikaanse ogen bewijst het tijdstip dat het gaat om een wraakneming van `Brusselse bureaucraten’, nadat die twee grote handelsconflicten hadden verloren.)

Het kat-en-muis-spel herhaalde zich: in 1999 verklaarde de WTO de Amerikaanse aftrekpost wederom onwettig, waarna president Clinton in 2000 de huidige, nauwelijks aangepaste versie tekende: de Extraterritorial Income Exclusion Act (ETI). Op jaarbasis, berekenen economen, bespaarde de wet Amerikaanse exporteurs toen ruim vier miljard dollar aan inkomstenbelasting.

Maar afgelopen januari verklaarde de WTO ook deze wet definitief illegaal, om in augustus te beslissen dat Europa álle belastingvoordeel met importheffingen mag compenseren — ook al wordt maar een kwart van het bedrag gebruikt om uitvoer naar Europa te ondersteunen.

Terwijl sommigen in Europa blij zullen zijn dat de kaarten dit keer in het nadeel van de VS zijn geschud, kunnen Amerikaanse politici hun woede nauwelijks bedwingen. De Californische senator Max Baucus, Democraat en voorzitter van de machtige Financiële Commissie, betitelde de WTO als `een volkstribunaal tegen Amerikaanse handelswetten’. Volgens Kenneth Dam, staatssecretaris van financiën, berust de WTO-uitspraak op veertig jaar oude `fouten’ in handelsakkoorden, die nooit zijn verbeterd: een `arbitrair’ onderscheid tussen directe en indirecte belastingen, dat sommige landen de kans ontneemt hun exporteurs belastingcompensatie te geven.

Met grote tegenzin erkennen echter het Congres én de regering-Bush dat aan hervormingen niet te ontkomen valt — deels wegens de Europese heffingsdreiging, deels omdat negeren van de WTO-uitspraak Amerika ongeloofwaardig zou maken. Maar daarbij stuiten ze op een groot probleem: het lijkt onmogelijk een valide ontheffing te bedenken die niet zou zorgen voor een aardverschuiving in de Amerikaanse exportmarkt. Ook het alternatief — een fundamentele omvorming van het fiscale stelsel – wordt in het huidige politieke klimaat onmogelijk geacht.

Eén wetsontwerp zag tot nu toe het licht: de American Competitiveness and Corporate Accountability Act, bedacht door de Republikeinse voorzitter van de Ways and Means-commisse van het Huis van Afgevaardigden, William Thomas. Maar de voortgang van de wet strandt op fel verzet van bedrijven die hun huidige voordelen zouden kwijtraken.

De Thomas-wet zou de aftrek op exportinkomsten vervangen door een ontheffing voor buitenlandse vestigingen van Amerikaanse bedrijven. Bedrijven die buiten de landsgrenzen produceren, zoals General Motors, IBM, John Deere, Coca-Cola, Procter & Gamble en Dow Chemical, zouden rijkelijk gaan profiteren. Bedrijven die daarentegen vast hebben gehouden aan productie in de VS, waaronder Boeing, Microsoft, Eastman Kodak en Caterpillar, zouden plotseling vele tientallen miljoenen dollars mislopen en uit de markt worden geprijsd. De hervorming zou, met andere woorden, een premie worden op het verplaatsen van werkgelegenheid naar het buitenland.

Illustratief voor de impasse is dat zelfs lobbykantoren in Washington geen kant opkunnen, omdat ze cliënten hebben aan beide zijden van de streep. Ook senatoren en afgevaardigden lijken vooral uit op tijdrekken — deels in de vage hoop dat de kwestie in toekomstige onderhandelingen over een nieuw handelsakkoord van tafel kan worden geschoven.

Van haar kant doet de EU haar best de ketel onder druk te houden. Tot 12 november kunnen Europese bedrijven reageren op een voorlopige lijst producten die met importheffingen tot 100 procent getroffen zouden worden. Na raadpleging van de lidstaten volgt later de definitieve lijst. Als de Amerikaanse wetgevers geen vaart maken, beloofde EU-handelscommissaris Pascal Lamy, dan zal de commissie `niet aarzelen’ haar spierballen te tonen.

Sommigen in de VS houden de hoop dat het grootste handelsgeschil uit de geschiedenis uiteindelijk toch met een sisser zal aflopen. `De Europese Unie wil ons net zo min straffen als wij gestraft willen worden,’ zei eerder dit jaar voorzitter Kimberly Pinter van de National Association of Manufacturers. `Want grootschalige strafmaatregelen schaden hen evenzeer als ons.’

Related Posts