Commissie legt bal terug bij kabinet-Kok
Een speciale commissie zocht afgelopen maanden naar mogelijkheden om een half miljard te bezuinigen op het hoger onderwijs. Tevergeefs: de beraadslagingen ontaardden in gekrakeel tussen twee ministeries. Zelfs over de elementaire feiten werd men het niet eens — laat staan over de conclusies waartoe die moesten leiden.
LEIDEN DE bezuinigingen op het hoger onderwijs tot vierduizend of tot vijfentwintigduizend ontslagen? Kost een universitaire student achtduizend of negentienduizend gulden? Moeten onderzoekers worden gestraft met ontslag voor het opvoeren van hun wetenschappelijke produktie?
Een speciale commissie, ingesteld door de ministers Ritzen van OCW en Zalm van financiën, boog zich de afgelopen maanden over de mogelijkheden om, in de geest van Kok, in 1998 een half miljard op het hoger onderwijs te besparen. Haar eindverslag, pas na afloop van het kamerdebat over de onderwijsbegroting naar buiten gekomen, biedt een onthutsend kijkje achter de schermen van een departementale stammenstrijd. Twee ministeries en onafhankelijke buitenstaanders konden het werkelijk over niets eens worden — met als resultaat een advies dat van tegenstrijdigheden aan elkaar hangt.
Op zich is zo’n botsing niets bijzonders, zegt dr H. de Groot, onderzoeker bij het Instituut voor Onderzoek naar Overheidsuitgaven (IOO) en voorzitter van de commissie — hij heeft het wel vaker meegemaakt. “Het verschil is dat voor bezuinigingen van deze omvang normaal zeker een half jaar wordt uitgetrokken. Nu moest het in een hogedrukpan: binnen anderhalve maand, terwijl er nauwelijks voorwerk was gedaan.”
Bij het verslag van de discussies in de commissies duizelt het de lezer regelmatig. Het gemak waarmee honderden miljoenen guldens en duizenden banen uit de ene mouw worden getoverd, om direct weer voor de helft in de andere mouw te verdwijnen, zou zelfs de grootste goochelaar doen verbleken — zij het dat de trucs meer doen denken aan Tommy Cooper dan aan meesterillusionist David Copperfield.
De eindstand van het ‘haalbaarheidsonderzoek’ is dan ook even bizar als nietszeggend: volgens het ministerie van OCW moet er geld bij, volgens het mi- nisterie van financiën kan er meer dan 685 miljoen vanaf. De onafhankelijke rekenaars van het Centraal Plan Bureau, het Sociaal Cultureel Planbureau en het 100 komen, met even kletsnatte vingers, ergens halverwege uit: zij voorzien kansen om ten minste 120 tot 230 miljoen gulden te besparen.
Met haar eindrapport legt de commissie de bal terug op de helft waar hij vandaan kwam: het kabinet van premier Kok.
De commissie moest haar werk beperken tot het uitwerken van enkele grove ideeën uit het ministerie van financiën. “Andere creatieve ideeën waren dus niet aan de orde,” aldus De Groot. Niet dat zulke ideeën niet bestonden. “Ons timmermansgevoel zei ons dat elders ook nog wel iets te vinden zou zijn. Waar? Dat ga ik niet zomaar zeggen. Met dat soort dingen moetje zorgvuldig omgaan.”
In anderhalf velletje A4 hadden ambtenaren in augustus minister Zalm vier ideeën aan de hand gedaan: inkrimpen van universiteiten vanwege dalende studentenaantallen; opheffen en samenvoegen van studierichtingen; reduceren van het aandeel niet-onderwijzend personeel (de overhead) en terugbrengen van de wetenschappelijke output tot het niveau van 1987.
Tijdens wekelijkse bijeenkomsten van de commissie werkten de ambtenaren van financiën hun ideeën verder uit. En wie het eindverslag leest, hoe onderkoeld gesteld ook, kan de verontwaardigde kreten van de verbijsterde collega’s van OCW tussen de regels horen opklinken.
Zo vertaalde Financiën een voorspelde terugloop van het aantal universitaire studenten in een gelijke korting op het budget — ook het onderzoek zou dus naar rato worden getroffen door dalende studentenaantallen. Zij toonden zich weinig gevoelig voor het feit dat veel onderzoek niets met studenten van doen heeft. Driehonderd miljoen minder, was de conclusie. De collega’s van OCW kwamen, vanwege de stijgende studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs, tot de omgekeerde conclusie: tachtig miljoen méér.
Taakverdeling en concentratie van studierichtingen, termen die veel docenten zich nog heugen, kan volgens Financiën nog eens 220 miljoen opleveren. De overheid kan, net als bij lagere scholen, per studierichting een minimum-omvang vaststellen. Van de acht geneeskunde-faculteiten zou er één kunnen sluiten, en die truc is bij vele studies te herhalen. In de grotere faculteiten die overblijven zou de staf/studentratio teruglopen van 1/7 naar 1/8 — met de natte vinger goed voor ruim 1.600 volledige arbeidsplaatsen.
Grommend werpt OCW tegen dat die benadering lijnrecht ingaat tegen de gedachte die het beleid al vijftien jaar bepaalt: dat onderwijsinstellingen zelf het beste weten hoe ze efficiënt kunnen werken, en dat bemoeienis daarmee alleen maar geld kost. Gedetailleerd ingrijpen van de overheid, hoor je de Zoetermeerse ambtenaren verzuchten, zet het totale onderwijssysteem weer op zijn kop.
Toch zien ook de externe deskundigen hier wel mogelijkheden. Uit eigen onderzoek had het 100, samen met het Twentse Centrum voor Studies van HogerOnderwijsbeleid, al eens vastgesteld dat studies in de ene plaats veel meer kosten dan in de andere. Hoe die verschillen het best gladgestreken kunnen worden, dat is een open vraag.
De hoeveelheid niet-onderwijzend personeel per student is de laatste decennia zorgwekkend gegroeid, berekende Financiën. Van die ‘overhead’ kan de komende jaren best vier procent af – 84 miljoen, ofwel 1.200 arbeidsplaatsen, op te lossen binnen het ‘natuurlijk verloop. OCW con-, stateert juist een forse afname aan de universiteiten, en een lichte stijging in het hbo. Maar dat komt, meent het ministerie, doordat hogescholen nu zelf moeten zorgen voor personeelsbeleid, huisvesting en kwaliteitsbewaking.
Als laatste punt noemt Financiën de opmerkelijke stijging van het aantal wetenschappelijke publikaties en promoties: een verdubbeling in tien jaar. Deze toename van de produktie vindt dat ministerie overdreven — in 1987 waren we toch ook heel gelukkig? Anno 1994 kunnen we dat bereiken met ruim duizend onderzoekers minder — een bespa- ring van honderd miljoen gulden, nog afgezien van andere kosten die hun vertrek uitspaart.
De slachtoffers zijn snel gevonden: aio’s — immers niet alleen verantwoordelijk voor een groot deel van de toegenomen produktie, maar door hun tijdelijke dienstverband automatisch snel weer verdwenen.
Op dit punt lijkt het alsof de ambtenaren van OCW, tegenover zoveel rekenkundig cynisme, het hoofd in de schoot hebben gelegd. “Vermindering van de aantallen aio-plaatsen,” sputteren zij nog zwak tegen, “vormt een bedreiging voor de wetenschappelijke nachwuchs en betekent op termijn een structurele aantasting van de kennisinfrastructuur.”
Of het werk van de commissie voldoende grond biedt voor een weloverwogen kabinetsbesluit, mag ernstig worden betwijfeld. Maar volgens voorzitter De Groot heeft de politiek gekregen waar zij om vroeg. “Dit krijg je, wanneer bezuinigingen van een dergelijke omvang als een duveltje uit het doosje van het regeerakkoord tevoorschijn komen. Daar heb je gewoon meer tijd voor nodig. Zo was het door de politiek nu eenmaal bedacht. Maar je kunt je inderdaad afvragen of het zo erg zinvol is geweest.”