Waken over welzijn van proefdieren
De Veterinaire Inspectie van het ministerie van wvc dreigt een groot aantal dierexperimenten op universiteiten en hogescholen te verbieden, als niet op zeer korte termijn de regels uit de Wet op de Dierproeven beter worden nageleefd. Onderzoekers blijken in de praktijk vaak niet aan de eisen te voldoen voor het bedenken en uitvoeren van dierexperimenten.
HET BELEID met betrekking tot het gebruik van dierproeven in het hoger onderwijs is sinds een aantal jaren officieel gericht op ‘de drie V’s’: Vermindering, Vervanging en Verfijning. Daarmee wordt de lijn voortgezet die de vroegere onderwijsminister Pais – zelf overtuigd vegetariër – ooit inzette. Zijn werk werd voortgezet door zijn opvolgers. In het Dierproevenbesluit van Deetman werden de bevoegdheden voor het uitvoeren van dierproeven gebonden aan nauwe voorschriften.
Volgens de huidige onderwijsminister kan vijf jaar later echter worden vastgesteld dat er “nogal wat knelpunten zijn”. Sterker nog, “vaak wordt zelfs niet aan de wet voldaan”.
EEN VAN die knelpunten is dat de mensen die waken over het welzijn van alle proefdieren in een instelling, niet altijd over de vereiste papieren beschikken. Datzelfde geldt voor de eigenlijke onderzoekers, die de experimenten bedenken en uiteindelijk ook uitvoeren.
Op grond van artikel 14 in de Wet op de Dierproeven moet elke instelling die experimenten met dieren doet, tenminste één persoon in dienst hebben die erop toeziet dat de proefdieren op de juiste wijze worden verzorgd en behandeld. Hij of zij moet daarvoor een speciale opleiding hebben gevolgd. Volgens het ministerie ontbreekt het regelmatig aan een dergelijke ‘artikel 14-functionaris’, omdat bij vertrek van de oude functionaris niet op tijd voor vervanging wordt gezorgd.
Ook aan de mensen die een dierproef opzetten en uitvoeren, stelt de wet speciale eisen. Deze mensen, ‘artikel 9-functionarissen’ genoemd, moeten naast hun gewone studie ook een cursus ‘proefdierkunde’ hebben gevolgd, waarin niet alleen allerlei praktische vaardigheden aan de orde komen, maar ook wordt nagedacht over de ethiek van het werken met dieren.
In de praktijk echter heeft in een vakgroep waar soms tientallen mensen onderzoek doen met proefdieren, vaak slechts een enkeling de vereiste bevoegdheid. “Die hebben dan hooguit één keer de proefopzet gezien, bekijken na afloop even de tabellen, en dat is het dan. Op wat er daartussen gebeurt, hebben ze onvoldoende zicht. En dat vinden wij niet goed,” aldus prof. dr H. Rozemond, hoofd van de Sectie Dierproeven van de Veterinaire Inspectie. “De onderzoekers die in het bezit zijn van de bevoegdheid moeten hun verantwoordelijkheid ook waarmaken.”
Een derde categorie mensen wordt gevormd door dierverzorgers, analisten en dergelijke, die zijn aangesteld om praktisch werk te doen. Hun precieze bevoegdheden en opleidingseisen worden pas in de loop van dit jaar ingevuld.
HET PROBLEEM voor de universiteiten is dat veel van het eigenlijke onderzoek wordt verricht door een groot aantal doctoraalstudenten of net afgestudeerde assistenten-in-opleiding, die werken aan een promotie-onderzoek. Zij voeren veelal zelfstandig allerlei experimenten met dieren uit zonder de vereiste cursus te hebben gevolgd. Rozemond: “De verantwoordelijke onderzoeker staat in die gevallen niet over de schouder mee te kijken.”
Als het aan de inspectie ligt, zouden al die studenten en aio’s dan ook zelf een cursus proefdierkunde moeten volgen. “Dat is niet zo maar een regeltje,” vindt Rozemond. “Wij merken dat mensen die de cursus hebben gevolgd verantwoorder met proefdieren omgaan.”
De cursus wordt aan drie universiteiten in Nederland gegeven en kost per deelnemer 2.000 gulden. Elke student en aio een opleiding geven, zou voor de meeste onderzoeksgroepen een financiële aderlating betekenen. Het enige alternatief – het praktische werk overlaten aan dierverzorgers – kost zo mogelijk echter nog meer. De inspectie is echter weinig gevoelig voor deze universitaire kopzorgen. Rozemond: “Ik ben er niet om zulke financiële problemen op te lossen. Ik ben zelf opgeleid met de lijfspreuk Wissenschaft ist teuer. Helemaal als het gaat over experimenten met dieren, mag geld niet de doorslag geven.”
ARTIKEL 14-functionaris dr J.P. Koopman van de Katholieke Universiteit in Nijmegen ziet de financiën echter niet als grootste probleem. “Er wordt zoveel geld in dat onderzoek gestoken, dat die 2.000 gulden per cursus maar een fractie uitmaakt van de totale kosten.” Een groter probleem zou voor sommige universiteiten zijn dat hun studenten en aio’s de cursus een eind buiten de deur moeten volgen, omdat die alleen in Utrecht, Groningen, Nijmegen en Maastricht wordt gegeven. “Voor universiteiten die wat meer in de periferie liggen kon die barrière wel eens hoog zijn,” aldus Koopman.
Een van de twee artikel 14-functionarissen van de Amsterdamse Vrije Universiteit, dr J.G. Wolters, acht het daarentegen wel mogelijk dat de hoge kosten sommige onderzoeksgroepen ertoe zullen brengen te selecteren wie er wel en wie er geen bevoegdheid hoeft te halen. Overigens heeft hij het vermoeden dat de problemen minder groot zijn dan de inspectie denkt. “Bij ons aan de VU blijkt in ieder geval dat veel mensen die de cursus wel gevolgd hebben, gewoon vergeten zijn zich bij het ministerie te laten registreren,” aldus Wolters, die daarom net bezig is met een brief naar alle afdelingen om orde op zaken te stellen. Hij erkent overigens wel dat er nog steeds mensen rondlopen die operaties en proeven aan dieren uitvoeren, zonder dat ze de bijbehorende cursus op hun naam hebben staan.
Als het aan de veterinaire inspectie ligt, moet dat binnenkort echter niet meer mogelijk zijn. De wet zou zodanig aangescherpt moeten worden dat elke student die dierproeven uitvoert daartoe ook bevoegd is.
Koopman is het daar overigens niet mee oneens. “Die cursus is een soort basistraining. Maar je moet het niet zien als een plotselinge ommekeer. Vroeger was een jonge onderzoeker ingebed in een vakgroep, en kreeg hij daar z’n instructies. Die cursus doet dat ook, maar is ook meer gericht op het veranderen van de houding van de student. Hoe weeg je de belangen af, wat is het maatschappelijke belang ervan. Dat is heel belangrijk.”
Het enige probleem is dat, wanneer de wens van de inspectie wordt uitgevoerd, het aantal cursussen drastisch moet worden uitgebreid. Momenteel kunnen ongeveer 400 mensen per jaar worden opgeleid. Wolters: “Het is inderdaad wenselijk dat de capaciteit wordt opgevoerd.”
Een dezer dagen hebben alle universiteiten en onderzoeksinstellingen een brief van de inspectie gekregen. Rozemond: “Daarin hebben we ze gewaarschuwd: aan het eind van dit jaar zullen de bevoegdheden voor de dierverzorgers en analisten zijn ingevuld. Vanaf dat moment zullen we stringent de hand gaan houden aan de regels.”
Wat zou er kunnen gebeuren wanneer er desondanks niets verandert? “In het uiterste geval kunnen we de vergunning intrekken, zodat een universiteit of een vakgroep geen dierexperimenten meer mag doen,” aldus Rozemond. Maar hij denkt dat het niet zover zal komen.
EEN ANDER PUNT van kritiek op de universiteiten betreft het gebruik van proefdieren in het onderwijs. Het ministerie vindt dat er, als het maar enigszins mogelijk is, naar alternatieven gezocht moet worden. Zo zou in veel gevallen een instructiefilm vertoond kunnen worden in situaties waar voorheen elke student nog een proefdier moest opereren. In veel gevallen gebeurt dat ook al. Koopman: “Bij ons aan de medische faculteit werden vroeger ratjes gebruikt voor het snijpracticum bij anatomie. Tegenwoordig gebruiken we daar doodgeboren biggetjes voor van het abattoir.”
Volgens het ministerie is echter niet elke universiteit even creatief op dit punt. Veel docenten zouden onvoldoende op de hoogte zijn van de alternatieven. “Het komt voor dat een docent aan de ene universiteit een alternatief aanbiedt tot ieders volle tevredenheid, terwijl aan de andere universiteit nog vele proefdieren nodig zijn om hetzelfde onderwijsresultaat te bereiken,” aldus de notitie.