Menu Close

Man en paard

Nederlandse onderzoekers hebben de mond vol over Amerikaanse graduate schools, maar weten nauwelijks hoe ze werken. Aan het prestigieuze Harvard staat Nederlander Hidde Ploegh aan het hoofd van een graduate school, en hij zit boordevol adviezen. Maar er is niemand die hem belt.

Van alle Nederlandse wetenschappers in het buitenland, behoort immunoloog Hidde Ploegh tot de spraakmakendste.

Voor collega’s is dat vanwege zijn wetenschappelijke werk: in de voor leken onbegrijpelijke wereld van het afweersysteem, ontdekte hij hoe virussen er soms in slagen onzichtbaar hun werk te doen. Een ontdekking die, hoopt hij zelf, zo niet van blijvende, dan toch op zijn minst van redelijk duurzame waarde zal blijken.

Toch zullen de meeste Nederlanders Ploegh niet kennen uit zijn grensverleggende bijdragen aan tijdschriften als Cell, Nature of het Journal of Cell Biology. Sinds hij in 1992 het Nederlands Kankerinstituut (NKI) verruilde voor het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston, en vijf jaar later verhuisde naar het naburige Harvard, deed de immunoloog in eigen land vooral van zich spreken via ingezonden stukken in toegankelijker media.

In die stukken neemt Ploegh geen blad voor de mond. Prestigieuze onderzoekscholen omschreef hij in NRC-Handelsblad als ‘leeg verpakkingsmateriaal’ en ‘orgieën van dwarsverbanden, praatgroepen en papierverbruik’; uitvindingen als de ‘studeerbaarheid’ van onderwijsprogramma’s kregen het predikaat ‘zwakzinnig’.

‘De gedrevenheid van iemand die denkt dat hij ziet dat iemand anders rechtstreeks afstormt op een boerensloot,’ geeft hij als reden voor de onverbloemde zendingsdrang voor de wetenschap in zijn moederland.

‘Een echte onderwijsman,’ karakteriseert een Nederlandse onderzoeker zijn voormalige collega, die in Harvard naast een onderzoekslaboratorium met twintig medewerkers ook het Graduate Program Immunology onder zijn hoede heeft. Het is een gevaarlijk compliment in wetenschapsland, dat Ploegh in zijn modern en eigenzinnig ingerichte werkkamer op Harvard Medical School dan ook onmiddellijk weerspreekt. ‘Ik vind onderwijs heel leuk, maar ik zou noch hier noch op MIT een positie hebben verworven als ik alleen goed zou zijn in onderwijs. Dat er veel onderwijs in deze baan zit, maakt hem voor mij wel aantrekkelijk: het is iets dat ik goed kan. En dat mensen mij zien als onderwijsman, beschouw ik maar als teken dat het opvalt dat ik mij ook aan die kant inspanningen getroost.’

De liefde voor het onderwijs komt terug in het punt waar Ploegh zich publiekelijk het meest over heeft opgewonden: de verkwanseling van jong onderzoekstalent in Nederland. De invoering van de Tweefasenstructuur, gecombineerd met het gekonkel van universitaire bestuurders, hebben de opleiding van nieuwe generaties onderzoekers zijns inziens tot een rommeltje gemaakt.

Al bij de werving van promovendi gaat het mis, vindt Ploegh. ‘Stel je studeert af, en je hebt niet het geluk dat je ergens kunt blijven. Dan moet je op zoek naar advertenties om te zien wat er beschikbaar is. Dan besluit iemand die nauwelijks geïnteresseerd is in de moleculaire biologie van de tomaat, daar toch op te promoveren, omdat dat toevallig net beschikbaar was. Ik vind dat zwakzinnig.’

Eenmaal binnen belandt de promovendus in een keurslijf, meent Ploegh. De richting van het onderzoek is vastgelegd in ‘thema’s’ en ‘projecten’; de eis om ten minste vier artikelen te publiceren in tijdschriften met peer review, ook als er niets te melden valt, helpt het laatste restje drang tot avontuur om zeep. Tot overmaat van ramp is ook het onderwijs aan promovendi nooit fatsoenlijk van de grond gekomen: het onderwijs dat uit de doctoraal-programma’s verdween, keerde nergens terug.

Toen Ploegh vorig jaar zijn sabbatical doorbracht in Nederland, liet hij zien dat het ook anders kan. Aan dertig promovendi doceerde hij een graduate course naar Amerikaans model. Dat betekende allereerst: geen onderwijs in gecomprimeerde blokken, maar verspreid over een periode van het semester. Maar de tweede innovatie werd pas echt als ongebruikelijk gezien: promovendi kregen huiswerk, dat door de docent na afloop werd beoordeeld.

Ploegh: ‘Ik liet ze een Engelse samenvatting schrijven van een artikel dat diepgaand was bediscussieerd. Die werd door mij op inhoud en stijl gecorrigeerd en teruggegeven. Dat was echt nog nooit vertoond. In Nederland zijn er nauwelijks oio-cursussen die worden afgesloten met een serieus tentamen.’ De oorzaak? ‘Ik denk dat de gemiddelde Nederlandse hoogleraar, wat dit betreft, een bijzonder lui specimen is. Veel hoogleraren zien hun promovendi zelden, tenzij ze hun directe begeleider zijn. En college geven doen ze vrijwel nooit. In die paar maanden in Leiden heb ik, denk ik, meer college gegeven dan een aantal van hun eigen hoogleraren tezamen in een paar jaar. Promovendi onderwijzen is gewoon veel werk.’

Dat het onderwijs aan promovendi beter kan, was op zich al eerder bedacht. Niet voor niets werden tien jaar geleden miljoenenpremies uitgeloofd aan op te richten ‘onderzoekscholen’: hechte netwerken van top-onderzoekers aan verschillende universiteiten, waarbinnen promovendi een behoorlijke opleiding zouden krijgen. Maar doordat elke onderzoeker in paniek zijn toevlucht zocht tot de een of andere onderzoekschool, werden het er in plaats van de beoogde tien tot twintig inmiddels 114. ‘Iedereen is met iedereen in bed gedoken,’ vat Ploegh de geschiedenis samen. ‘Maar al die malle dwarsverbanden hebben tot niets meer geleid dan bordkartonnen façades, nieuw briefpapier en allerlei nieuwe klets- en neuzelcolleges, niet tot fatsoenlijk onderwijs aan promovendi — althans niet in gebieden die ik kan overzien.’

In Nederland, constateert Ploegh, praat iedereen vol lof over Amerikaanse graduate schools, maar weten weinigen waar ze het over hebben. ‘De meeste Nederlandse onderzoekers gingen pas na hun promotie een tijdje naar het buitenland. Men kent het alleen van horen zeggen. Ik suggereer wel eens: kom hier een kijkje nemen, zie wat zo’n qualifying exam na het eerste jaar inhoudt, zie hoe we promovendi hier onderwijs geven. Maar ik ben nog nooit gebeld met de vraag: Wij doen het zo, hoe doen jullie het? Wat denk je ervan?’

Overigens is na de promotie het leed nog niet geleden. Want jonge doctors die hebben laten zien over vernieuwende ideeën te beschikken, en hebben bewezen daaraan te kunnen werken, komen in Nederland niet aan de bak, meent Ploegh. ‘Mensen die hier jaren als postdoc hebben gewerkt, komen in Nederland in acht van de tien gevallen weer terecht onder een prof of een universitair hoofddocent. Het thema ligt weer vast, ze worden hooguit ingehuurd als competente werkkracht. Er zijn nauwelijks mogelijkheden om als echt onafhankelijk onderzoeker aan de slag te gaan.’

Een graduate school werkt echt heel anders, legt Ploegh voor alle duidelijkheid nog eens uit. Als directeur leidt hij een volwaardig onderwijsprogramma voor binnenstromende promovendi. Daartoe behoren een jaar stevig cursorisch onderwijs, en een kennismakingsronde langs een deel van de bijna tachtig aangesloten hoogleraren, werkzaam op een breed biomedisch terrein.

Sommige van die hoogleraren zijn beroemde geleerden, met laboratoria van dertig tot veertig man; andere zijn jonge, maar wel zelfstandige onderzoekers, met één medewerker, één analist en ruimte voor één of twee promovendi. De hoogleraren lonken naar de beste promovendi, de promovendi op hun beurt stemmen met de voeten op de voor hen geschiktste hoogleraar.

Maar naast dat marktmechanisme is er een eenvoudig geheim dat het succes van Amerikaanse graduate schools verklaart, meent Ploegh: een gebouw. ‘Die zogenaamde netwerken in Nederlandse onderzoekscholen, die werken natuurlijk helemaal niet. Het zal ze in Amsterdam een rotzorg zijn wat ze in Rotterdam doen. Kijk bijvoorbeeld naar het Amsterdam Leiden Institute for Immunology, de onderzoekschool waarin twee Amsterdamse en de Leidse universiteiten en vijf instituten samenwerken, en waar ik mijn sabbatical heb doorgebracht: ik betwijfel of alle onderzoekers ooit bij elkaar in één ruimte hebben gezeten. En ik betwijfel nog veel meer of ze wel eens bij elkaar in het laboratorium hebben gekeken.’

Dat de muren van een gebouw een hoge drempel vormen, is niets bijzonders, meent Ploegh. ‘Hier op Harvard is het al moeilijk om het gazon over te steken voor een snelle werkbespreking, laat staan om tien minuten in een taxi te springen om naar de campus in Cambridge te gaan. De gedachte dat mensen er een uur de trein of auto voor nemen, is een illusie. Wat uiteindelijk het werkklimaat bepaalt voor onderzoekers in opleiding, dat zijn de mensen die ze tegen het lijf lopen in de kantine of het trappenhuis. Plekken waar biochemici, celbiologen en chemici met elkaar praten en zo soms terloops een oplossing bedenken voor een probleem. Daarom vind ik één locatie zo belangrijk: een plek waar je naar toe kan gaan.’

Als de verslaggever plagerig suggereert dat het toekomstige Hidde Ploegh-instituut in de Nederlandse polder al aardig vorm begin te krijgen, lacht de onderzoeker een beetje achterdochtig. ‘Ik zie al welke kant dit interview opgaat,’ zegt hij dan. ‘Maar ik ben hier heel tevreden, en verwacht hier de rest van mijn loopbaan door te brengen.’

Vanwaar dan toch die zendingsdrang, als niemand in Nederland zich zorgen lijkt te maken over die naderende boerensloot? ‘Dat is misschien mijn schoolmeesterachtige trekje,’ zegt Ploegh. ‘Ik ben doorgaans geneigd te zeggen wat ik denk, en hoe ik denk dat je iets moet doen. En ik vind dat in Nederland wel wat vaker man en paard genoemd zouden mogen worden. Ik vind het belangrijk dat je kunt zeggen dat iemand als Hans Clevers in Utrecht een voortreffelijk onderzoeker is, die in ons vak internationaal van zich doet spreken. Maar ik vind ook dat je moet kunnen zeggen dat iemand als Benner, in Rotterdam, al jaren niets van waarde produceert, doordat hij naar mijn indruk rondom zich niet graag andere bloemen ziet bloeien. Ik drink graag een biertje met hem, daar niet van, maar de organisatie van zo’n vakgroep zou ik toch heel anders aanpakken.’

‘En natuurlijk is het ook een beetje geldingsdrang. Die hebben we ten slotte allemaal. Ik schrik er niet voor terug om krachtige uitspraken te doen. Maar anderzijds schrijf ik weer geen wekelijkse column in de krant, over onderwerpen waar ik niet bijzonder veel vanaf weet. Als ik het heb over een onderzoekschool in Nederland, of over hoe je promovendi college geeft, dan weet ik waar ik het over heb. Als mensen met mij van mening verschillen dan kan dat natuurlijk. Maar dan wil ik wel graag weten wat men zelf meebrengt. Dat dat voor sommigen moeilijk te verteren is, dat wil ik best geloven.’

Related Posts