Menu Close

Hollywood in de wetenschap

Zoals acteurs op zoek naar roem het vliegtuig pakken naar Hollywood, zo proberen Nederlandse wetenschappers hun dromen in Amerika te realiseren. Wat drijft hen naar de overkant, en komen de dromen uit?

HET CENTRUM van de actie. De plek met de maximale opwinding. De magneet die uit alle hoeken mensen met ambitie aantrekt. Voor Willem Stemmer, bioloog en oprichter van een veelbelovend biotech-bedrijf, behoeft het eigenlijk geen betoog waarom hij vijftien jaar geleden naar de Verenigde Staten trok.

Sterker nog — eerlijk gezegd vraagt Stemmer zich wel eens af waarom al die andere Nederlanders thuis blijven. “Je vraagt me waarom onderzoekers het land verlaten. Maar ik zou zeggen: waarom zou je blijven zitten op de plek waar je toevallig geboren bent? Die plek maakt één procent uit van de wereld. De kans dat dat toevallig ook de beste plek, is dus niet groter dan één procent.”

Zoals Nederlandse filmacteurs die het willen maken afreizen naar Hollywood, zo trekken veel Nederlandse wetenschappers naar de Verenigde Staten om hun eigen Amerikaanse droom te realiseren daar waar de actie is. Zo groot is volgens sommigen de Amerikaanse zuigkracht, deels als gevolg van lokale tekorten, dat in Europa een ‘brain drain’ dreigt.

Een kleine rondgang langs Nederlanders die de stap waagden, en hun beslissing niet betreuren. Het Amerikaanse onderzoeksklimaat, luidt hun oordeel, is intenser, competitiever en doelgerichter — althans vergeleken met dat in het moederland, waar wetenschappers hun werk vaak nog steeds zien als ‘baan’.

In de wetenschap is de Amerikaanse droom nog steeds springlevend.

Willem Stemmer, in het dagelijks leven aangeduid als ‘Pim’, lijkt het prototype van de geslaagde wetenschappelijke emigrant. Direct na zijn afstuderen, in 1980, vertrok hij naar de Verenigde Staten, deels uit onvrede over het Nederlandse werkklimaat: hoge werkloosheid, sociale onrust, veel wettelijke beperkingen. ”Het land gaf mij een vol gevoel,” zegt Stemmer.

In eigen land voelde hij zich, met zijn ongegeneerde ambitie, niet welkom. ”Als je aan de universiteit lang doorwerkte, kreeg je opmerkingen van medestudenten. Bij sommige instituten ging ‘s avonds de deur op slot. Ook in privé-contacten merkte je het: ambitie en prestatie werden niet gewaardeerd. Op den duur werd dat vermoeiend.”

Via omzwervingen in het Amerikaanse bedrijfsleven — ‘ik heb er nooit over gedacht aan de universiteit te gaan werken’ — belandde Stemmer bij een biotech-bedrijf in San Diego. Daar ontwikkelde hij zijn concept van de ‘gestuurde evolutie’: gebruikmakend van variatie in het erfelijk materiaal en strenge selectie vindt hij oplossingen, aldus Stemmer in 1994 in Nature, die door mensen niet te verzinnen zijn.

In 1997 sprong Stemmer met zijn idee in het diepe: met steun van ervaren biotech-ontwikkelaars startte hij zijn bedrijf Maxygen, met tien man personeel. Drie jaar later geldt Maxygen, met 160 medewerkers onder de rook van San Francisco en 50 in Denemarken, als een veelbelovend startend biotechbedrijf. Investeerders vertrouwden hem 300 miljoen dollars toe, en achter zijn bureau verraden de dossiers gesprekken met grote namen uit de industrie — van medicijnen tot insecticiden, van wijnboeren tot het Pentagon.

”Het is inderdaad net als met acteurs in Hollywood,” beaamt Stemmer. ”Op een bepaald moment ontstaan er centra in de wereld die aantrekkingskracht hebben ontwikkeld. Vanuit alle landen zie je vervolgens een brain drain in die richting.” Voor Stemmer heeft de term geen negatieve lading, maar beschrijft het slechts de vanzelfsprekende gang der dingen. ”Als zo’n centrum eenmaal is ontstaan, is het haast ondoenlijk nog ergens anders een attractor te creëren. Het is veel gemakkelijker om toe te geven aan die stroom, er zelf deel van te worden. Proberen er tegenin te gaan heeft in mijn ogen weinig zin.”

Ook de Groningse biochemicus Wim Hol liep, aan het begin van de negentiger jaren, in Nederland met zijn ambities tegen grenzen op. Als chemicus had Hol een grote droom: medicijnen ontwerpen voor ontwikkelingslanden. Maar in Nederland was dat vrijwel onmogelijk — op het gebied van medicijnontwikkeling gebeurde in ons land vrijwel niets. (”Dat vind ik nog steeds: met al zijn uitstekende chemie en medische biologie is Nederland, waar het gaat om het ontwerpen van medicijnen, volkomen de boot aan het missen.”)

In Groningen zou zijn droom niet van de grond komen, wist Hol, ondanks de miljoen gulden die de universiteit hem schonk. ”En tenzij er iets heel ongewoons was gebeurd, ook elders in Nederland niet. Wat ik wilde was groter dan wat in Nederland haalbaar was.” Het royale aanbod uit Seattle — het tienvoudige van de Groningse gift, te besteden aan een eigen lab — sprak andere taal.

Nog altijd baart het Hol zorgen dat er in Nederland zelden ruimte is voor individuele onderzoekers om eens ‘iets aparts te doen’. ”Iemand een miljoen geven is nog steeds vrij zeldzaam.”

Dat laatste is immunoloog Hidde Ploegh, sinds een paar jaar coördinator van een graduate school aan Harvard in Boston, van harte met hem eens. Ploegh ziet programma’s als Pionier en Spinoza als druppels op een gloeiende plaat.

In 1992, het zelfde jaar dat Hol vertrok, accepteerde Ploegh een aanbod van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in het Amerikaanse Cambridge. Dat het aanbod aanvoelde als een droom, had zeker te maken met het Hollywood-effect, zegt Ploegh. ”Wie op topniveau onderzoek wil doen, zit in de Verenigde Staten sneller op de eerste rang dan in Maastricht.” Deels komt dat door de grootte van het land, en het bestaan van een klein aantal top-instituten, zoals MIT en Harvard. Maar ook een inspirerend werkklimaat draagt eraan bij, meent Ploegh: de intensiteit en het enthousiasme waarmee men in Amerika wetenschap bedrijft, werkt op de gast aanstekelijk. ”Hier leeft men wetenschap,” stelt Ploegh. ”In Nederland lijkt onderzoek doen nog altijd meer een baan.”

Dat van de Nederlandse wetenschap weinig inspiratie meer uitgaat, blijkt volgens Ploegh ook wel uit het aantal afgestudeerden dat ‘vlucht’ in automatisering en consultancy. ”Voor gepromoveerden is er ook nauwelijks perspectief. Nederland kent nauwelijks plaatsen waar jonge, getalenteerde mensen zelf mogen bepalen wat ze onderzoeken. Ze worden aangenomen als een soort competente werkkracht in het kader van een of ander groot project.” In het ergste geval, vreest Ploegh, is zo’n project het product van een zielloos witte-plekkenplan, een door politici afgedwongen poging om wetenschappelijke centers of excellence van boven af te kondigen.

Voor Titia de Lange, die aan de New-Yorkse Rockefeller University in een eigen lab onderzoek doet naar de uiteinden van chromosomen, was de lokroep van de Verenigde Staten in de eerste plaats een kwestie van schaal. Ze vertrok na haar promotie, in 1985, voor twee jaar naar San Francisco, maar keerde niet terug nadat ze had geroken aan de nabijheid van honderden top-onderzoekers.

Op Amerikaanse faculteiten, rekent De Lange voor, is de kans nu eenmaal groter dat ze iemand vindt waarmee het goed en prettig samenwerken is. En ook bij het aanboren van geld speelt de schaal een rol. ”In Nederland krijg je per project één postdoc en één analist, voor een paar jaar. Dat zou mij tot wanhoop drijven — tien van die kleine subsidies om mijn laboratorium op gang te houden.”

Maar ook De Lange wijst op de wervende kracht van de Amerikaanse investigator initiated bedrijfscultuur, in plaats van de government initiated research die in haar ogen het Nederlandse beeld nog te veel bepaalt. ”De truc is toch om mensen achter hun eigen interesse aan te laten lopen. Onderzoekers moeten de richting van het onderzoek bepalen, niet de overheid.”

Moet Nederland proberen haar concurrentiekracht op peil te houden? Nee, denkt Stemmer; waar op de wereld een magneet ontstaat doet immers niet ter zake, zolang je je aantrekking maar volgt. Ja, meent wiskundige Herman Verlinde, die in 1998 voor de tweede maal aan Princeton begon aan een Amerikaanse avontuur. Maar net als zijn collega-emigranten denkt Verlinde dat daar nog een fundamentele verandering voor nodig is: in plaats van telkens weer te proberen alle onderzoek naar evenredigheid over alle universiteiten te verdelen, moet onderzoek van topniveau vrij kunnen stromen. ”Er gaat een remmende werking uit van de Nederlandse instelling van ‘gelijke monniken gelijke kappen’,” meent Verlinde. Nog altijd koestert hij de hoop in eigen land een goede groep onderzoekers bij elkaar te kunnen brengen. Maar of zo’n groep besmet zou kunnen raken met een Amerikaanse dosis ambitie, daar heeft hij zijn twijfels bij.

Hidde Ploegh benut vele gelegenheden om zijn bakermat uit te leggen wat er aan schort, maar acht de kans zelf nog terug te keren klein. Wim Hol, daarentegen, heeft zijn Nederlandse dromen niet opgegeven. De chemicus werkt met hart en ziel aan grote Amerikaanse plannen, maar voor een uitdagend project sluit hij een rentree allesbehalve uit: ”Nederland hoeft me maar één keer te vragen een instituut voor tropische ziekten naar eigen inzichten in te richten”.

Sociale netwerken blijven als onzichtbare draden aan hem trekken. Maar toch ook: wetenschappelijke kwaliteit. Hol: ”Twee jaar geleden zag ik ergens een overzicht van aantallen citaties, voor een keer uitgezet per hoofd van de bevolking. Wat bleek? Nederland was net zo goed als Amerika. Dat had ik mij nooit gerealiseerd. Ondanks alle verhalen, behoort Nederland onder de Europese landen toch tot de wetenschappelijke toppers. Ja, dat vond ik wel grappig.”


Cadeautje

Nadat hij in 1971 in Groningen promoveerde op ‘röntgendiffractie van eiwitten’, verkoos Wim Hol (‘ik geloof dat ik 54 ben’) aanvankelijk zijn sociale idealen boven de wetenschap. Geïnspireerd door progressieve wetenschappers als Jan Tinbergen vertrok hij voor de Unesco naar Kenia. Zijn taak: het organiseren van een conferentie van Afrikaanse ministers van wetenschap en technologie.

Maar Hol was niet voor de diplomatie geboren, ontdekte hij in Nairobi. Twee jaar later keerde hij terug naar Groningen, om daar aan de universiteit zijn vak weer op te pakken.

In Groningen maakte het werk van de structuurchemicus grote indruk. Zo groot zelfs, dat het College van Bestuur in 1992 een greep deed in de algemene kas om hem als hoogleraar voor de universiteit te behouden. Een miljoen gulden kreeg hij — een cadeautje dat ‘het weghalen van deze persoon een stuk zal bemoeilijken’, zoals hij zelf destijds zei.

Maar dat bleek nogal mee te vallen. Een paar maanden later had Hol zijn koffers al gepakt, teneinde te verkassen naar Seattle, in het noordwesten van de Verenigde Staten. Daar kreeg hij, dankzij een budget van meer dan tien miljoen gulden, de kans op het verwezenlijken van zijn eigen Amerikaanse Droom: het combineren van sociaal engagement en wetenschappelijke hartstocht. Op de campus van de Universiteit van Washington mocht Hol een laboratorium inrichten dat zoekt naar medicijnen voor tropische infectieziekten — ziekten die voor farmaceutische industrieën niet rendabel zijn. Malaria bijvoorbeeld, een aandoening die jaarlijks meer dan een miljoen levens kost en honderden miljoenen andere ontwricht.

Het hart van de methode-Hol is nog altijd de röntgen-diffractie: het bepalen van de driedimensionale structuur van ziekmakende eiwitten. Maar in Seattle creëerde Hol zijn eigen farmaceutische fabriekje: op nog geen duizend vierkante meter is elke discipline terug te vinden die nodig is om ook het beoogde medicijn zelf te kunnen maken. Centraal op de door hem zelf ingedeelde verdieping, verordonneerde Hol, kwam de gezamenlijke computerruimte. Die garandeert dat medewerkers uit alle disciplines wel met elkaar móeten praten. Een gouden greep, vindt hij nog altijd: ”Ik zie dagelijks hoe dat verdraaid goed is uitgepakt.”

Achteraf bezien was het voor Groningen onmogelijk geweest hem te behouden: de chemicus Hol wilde werken aan medische problemen, maar in het noorden hadden de twee disciplines elkaar nog nooit ontmoet. ”Dat zie ik nog altijd als grote fout van Groningen,” zegt Hol. ”Dat chemici, biologen en medici kilometers bij elkaar vandaan zitten, en daardoor niet met elkaar praten.”


Ambitie

Willem Stemmer (43) is bijna het prototype van de najager van een wetenschappelijke Amerikaanse droom. Van jongsaf aan kent hij een leidend principe: dáár te willen zijn waar het gebeurt, de plek die trekt aan mensen met ambitie. En voor een biotechnoloog die houdt van concrete toepassingen is dat op dit moment de baai van San Francisco.

Daar, op uitgestrekte bedrijfsterreinen langs ronkende betonnen snelwegen, voltrekt zich de wedergeboorte van de Amerikaanse biotechnologie. En midden in die geboortegolf baarde Pim Stemmer drie jaar geleden zijn eigen geesteskind: Maxygen, een exponentieel groeiend en beursgenoteerd bedrijf dat met de door hem bedachte methode van DNA shuffling eiwitten verbetert — van medicijnen tot vaccins, van wasmiddel-enzymen tot industriële katalysatoren.

`Co-founder and Vice President’ vermeldt het kaartje met het door Stemmer zelf ontworpen bedrijfslogo. Maar met de dagelijkse bedrijfsroutine of de verlies- en winstrekening hoeft deze Vice President zich niet te bemoeien. Pim Stemmer heeft de vrijheid zich te richten op conceptuele vraagstukken die hem het meeste boeien.

Al tijdens zijn studie in Amsterdam, zegt Stemmer, was het ambitie die hem onderscheidde. Pim werkte in de avonduren, en dat werd hem door minder ambitieuze medestudenten niet erg in dank afgenomen. De spreekwoordelijke Hollandse tolerantie neemt hij sinds die periode met een korrel zout.

Kort na zijn afstuderen, in 1980, vertrok Stemmer naar de Verenigde Staten. Na een paar tussenstops belandde hij in 1992 bij Affymax, een jonge telg in een hele familie van biotech-bedrijven. Daar ontwikkelde hij de methode van de DNA shuffling, een soort natuurlijke evolutie in de hogedrukpan. Door uit miljoenen toevallige recombinaties van bestaande grote eiwitten steeds de beste te selecteren, zijn betere en verrassender resultaten te boeken dan door zorgvuldig beredeneerd te knutselen, meent Stemmer.

Dat idee, in 1994 gepubliceerd in het blad Nature en sindsdien afgeschermd met meer dan tweehonderd octrooi-aanvragen, leidde in 1997 tot de afsplitsing van een apart bedrijf: Maxygen. Twintig man werkten er toen — een aantal dat inmiddels is uitgegroeid tot meer dan 200. Op de Amerikaanse aandelenbeurs vertienvoudigde het aandeel Maxygen begin dit jaar in waarde, voordat het half maart werd meegesleurd in de wereldwijde val van Internet- en biotech-bedrijven.

Ook over geld wil Stemmer on-Nederlands openhartig praten. Veel geld verdienen is belangrijk, heeft hij gemerkt. ”Een groot bedrag op de bank maakt je financieel onafhankelijk. Veel mensen hier hoeven alleen nog te doen wat ze echt leuk vinden. En dat maakt ze erg goed in wat ze doen.”

Related Posts