Bijna negen jaar was Jo Ritzen als minister van Onderwijs niet uit het nieuws te slaan. Maar bij de Wereldbank in Washington begon hij een nieuw, onzichtbaar leven. Bruisend, vindt hij zelf, vergeleken met het matte Nederland.

‘JOZEF RITZEN’, staat er bij de ingang van de vertrekken waar de voormalige Nederlandse minister van Onderwijs dezer dagen kantoor houdt. Maar in het dagelijks verkeer heet hij nog altijd ‘Jo’. Bijna anderhalf jaar zoekt hij inmiddels zijn weg door het labyrint van de gebouwen van de Wereldbank, op een steenworp afstand van het Witte Huis.
De ingewikkelde plattegrond stelt hem nog steeds voor vragen. ‘Ik zou die kant proberen’, suggereert zijn assistent, wanneer de Vice-President voor Ontwikkelingsbeleid na afloop van het interview op weg moet naar een nieuwe afspraak.
Human Development
Aanvankelijk zou Ritzen de klinkerstraatjes van de binnenstad van Delft maar voor een jaar verruilen voor de brede avenues van Washington. Adviseur op het gebied van Human Development, werd hij in augustus 1998, een rol waarin hij ontwikkelingslanden op verzoek zou adviseren op het gebied van onderwijs. Afgelopen zomer maakte Wereldbank-president James Wolfensohn bekend dat hij voor Jo Ritzen een nieuwe functie had gecreëerd.
Als een van de in totaal 21 vice-presidenten van de grootste geldschieter ter wereld, moet Ritzen helpen effectiever vormen van ontwikkelingshulp te ontwerpen, gericht op de bestrijding van de grootste armoede in de wereld – een ‘tamelijk strategische positie’, vindt hij zelf. En dus is zijn contract inmiddels voor onbepaalde tijd verlengd.

Van het ene moment op het andere verdween Ritzen, als minister in Nederland bijna dagelijks in het nieuws, vrijwel volledig uit het publieke vizier. Het was een stap waarvan hij naar eigen zeggen geen minuut spijt heeft gehad. ‘Die bijna negen jaren als minister waren ontzettend leerzaam – al was het maar omdat de functie met zich meebracht dat je er dag en nacht mee bezig was. Je werd in een bad met chemische substanties gedompeld. Soms leek het een aantrekkelijke, zoete vloeistof, waarin je als katalysator een mooie rol kon spelen. Maar soms had het ook meer weg van zoutzuur, en dacht je: los ik hier niet in op?’
“In feite ben ik hier aan een nieuw leven begonnen, en over die beslissing ben ik nog steeds buitengewoon tevreden. Ik heb een baan die niets te maken heeft met mijn vorige leven. Ik ben niet meer de hele dag in de public eye, word niet meer herkend op straat, ga niet door het leven als ‘ex-minister’. Ik ben weer gewoon Jo Ritzen, die begonnen is aan een nieuwe baan. Daarvan kan ik nog steeds enorm genieten.’
Onderkoning
– In Nederland was u langzamerhand een soort onderkoning van Onderwijs. U leidde een departement van vijftienhonderd ambtenaren en beïnvloedde het werk van 350 duizend werknemers in het onderwijs. Hoe was het om weer een betrekkelijk onzichtbare positie in te nemen?
‘Dat vragen mensen me wel vaker. Het ministerschap is natuurlijk veel meer een publieke functie, met veel meer macht en ook directe zeggenschap. Wat dat betreft is het hier zeker anders. Toch heb ik daar geen moeite mee gehad. Voor een deel is dat natuurlijk omdat het ministersvak wordt overschat. De gedachte dat je als minister iets opschrijft, en dat het dan ook zo gebeurt, is niet erg realistisch. Ook als minister zoek je voortdurend medestanders: de minister-president, de minister van Financiën, andere collega’s. Je probeert je ambtenaren aan je kant te krijgen. Het is helemaal niet zo dat als je zegt: nu gebeurt het zo, dat het dan ook zo gebeurt.’

‘Maar in sommige opzichten ben ik zelf ook erg veranderd. Veel meer dan vroeger ben ik nu procesgericht: ik probeer anderen erbij te betrekken, teamgeest te ontwikkelen, samen iets tot stand te brengen. In het begin had ik nog wel de neiging om te sturen, te zorgen dat we uiteindelijk uitkwamen waar ik het tevoren had bedacht. Maar geleidelijk aan heb ik meer flexibiliteit geleerd. Men vindt hier nu dat ik zeer op samenwerken ben gericht.’
‘Dus wat de directe, besluitvormende macht betreft: ik mis het niet. Ik denk zelden: wat jammer dat ik dit nu niet kan zeggen. Alleen als ik iets lees over gebeurtenissen in Nederland, zeg ik nog regelmatig: dat zou ik anders hebben gedaan. Maar als u vraagt wat precies, dan zal ik daar geen antwoord op geven. Iedereen die nu in het kabinet zit, werkt daar naar eer en geweten. Zelf had ik ook nooit veel positieve gevoelens bij betweters die ooit op jouw plek hebben gezeten, en die zo nodig, liefst van veraf, allerhande opvattingen moeten lanceren. Dat was altijd populair in Nederland, om grote wijsheden vooral van grote afstand te poneren. Voor zover ik daar keus in heb gehad, heb ik Nederlandse media hier op grote afstand gehouden. Advies wil je alleen van mensen die ook bereid zijn er daarna hun handen aan vuil te maken. Dat is altijd mijn criterium geweest voor goede adviseurs.’
Studiehuis
– Toch is er wel enige reden om terug te kijken. Het studiehuis, de nieuwe bovenbouw in het voortgezet onderwijs, is onder uw verantwoordelijkheid ontworpen. Nu schudt het op zijn grondvesten: scholieren voelen zich overbelast, staatssecretaris Adelmund schrapt plotseling verplichte vakken, leraren en scholen voelen zich in hun hemd gezet.
‘Ik volg het allemaal niet zo op de voet, moet ik zeggen.’
– Maar de jongste verwikkelingen zijn u vast niet ontgaan.
‘Nee, dat is waar. Maar ik moet zeggen, wat mij eigenlijk nog het meest verbaast, is de matheid. Er is veel matheid in het debat.’
– Hoezo matheid? De stenen vlogen door de ramen van de Tweede Kamer.
‘Ja, maar het debat over het studiehuis als zodanig, daar merk ik weinig van. Ik zie dat er veel vragen worden gesteld over de manier waarop het is ingevoerd, maar over de hoofdlijnen praat men niet. Ik denk dat het studiehuis nog steeds een prima concept is, tenminste, als het fatsoenlijk wordt ingevoerd.’
‘De bedoeling van het studiehuis was om studenten veel meer ruimte te bieden om zich volledig te ontplooien; ze toegang te geven tot zaken die ze anders niet zo gemakkelijk zouden zijn tegengekomen. Dat kun je een verzwaring noemen. In die zin is er altijd welbewust gesproken over de mogelijkheid om het vakkenpakket te verzwaren, maar dan wel alleen voor die leerlingen die het aankunnen. Onze benadering was altijd: bied het zo aan dat leerlingen er goed mee uit de voeten kunnen. Daarom verrast het mij dat het na de invoering op deze wijze terugkomt.’
– Is het voor leerlingen inderdaad te veel?
‘Ja, ik denk dat daar wezenlijke problemen liggen. En vervolgens stop ik een beetje, omdat ik vind dat mevrouw Adelmund en de heer Hermans beter in de positie zijn om daar antwoord op te geven.’
– Je zou ook kunnen zeggen: die zitten nu met de gevolgen van uw beleid.
‘Wij hebben destijds vastgelegd wanneer het studiehuis zou worden ingevoerd, niet de manier waarop. Ik denk dat je vooral dáár naar moet kijken. Nogmaals, het concept is prima. Maar bij de invoering moet je veel aandacht besteden aan het gesprek, het proces.’
Matheid
– Wat bedoelt u eigenlijk met die matheid?
‘Als ik naar Nederland kijk, dan vind ik het mat. Ik zou wat meer elan willen zien. Voor de Partij van de Arbeid heb ik de afgelopen dagen iets geschreven over een stuk dat me was voorgelegd. Mijn reactie was: Kunnen de ramen niet een beetje open? Mag het wat bevlogener?’
‘Misschien komt het door de afstand, dat ik aandacht voor de hoofdlijnen mis, aandacht voor vernieuwend denken. Het komt allemaal zo minimalistisch over: een beetje aanpassen wat er moet worden aangepast, maar je niet afvragen waar je over vijf of tien jaar staat. Waarom vergelijken we niet meer waar andere landen staan, om te kijken wat we van ze kunnen leren? Het succes van het poldermodel heeft misschien wel wat te veel geleid tot achteroverleunen. Het is allemaal wel binnen, is het gevoel, we zijn wel klaar. Maar klaar zijn, dat is altijd heel betrekkelijk. Als je hier in de Verenigde Staten bijvoorbeeld kijkt naar ontwikkelingen in de technologie, of in de e-business, dan denk ik: dat zijn dingen waar Nederland best even een sprintje zou mogen trekken.’
‘Dus als je vraagt: wat valt je op in Nederland, dan is het de matheid. Misschien komt het wel me de door de andere wereld waarin ik bij de Wereldbank verkeer. Hier is het echt heel bruisend, vernieuwend, heel erg vanuit de gedachte dat we over een paar jaar de dingen heel anders zullen doen.’
Ontwikkelingsbeleid
– Twee kabinetsperiodes volgde u vanaf de zijlijn het beleid inzake ontwikkelingshulp. Nu denkt u hier op wereldschaal mee over de vraag hoe de hulp er in de toekomst uit moet zien. Hoe kijkt u achteraf aan tegen het Nederlandse ontwikkelingsbeleid?
‘Nederland is niet het enige land, maar wel een van de eerste, dat zo systematisch kiest voor concentratie van de ontwikkelingshulp in landen die het zelf willen en kunnen uitvoeren. Ook binnen de Wereldbank is dat de nieuwe lijn: pas op met geld uitlenen als je niet weet of landen het kunnen waarmaken. Want het geld moet later wel door arme mensen worden terugbetaald.’
‘Over de manier waarop je vervolgens zulke ontwikkelingsprogramma’s vormgeeft, wordt nu in Nederland nagedacht. Mijn voorkeur zou uitgaan naar vormen waarin Nederland een stukje meebetaalt aan grote programma’s van de Wereldbank. Niet anoniem, maar zo dat duidelijk is welke hulp uit Nederland afkomstig is. Nu lopen donorlanden elkaar in arme landen vaak voor de voeten. Concentratie op de twintig landen die voldoen aan het criterium van good governance maakt dat natuurlijk alleen maar erger. Kijk naar Tanzania – daar zijn 24 donorlanden actief op het gebied van basisonderwijs. Dat is niet echt handig. Tanzania is er zelf ook niet gelukkig mee, maar voelt er tegelijk weinig voor om donoren buiten de deur te zetten.’
‘Wat ik zou willen, is dat donorlanden zich nog verder gaan specialiseren. Zelfs als je maar een beperkt aantal landen steunt, zou je kunnen zeggen: wij beperken ons tot het basisonderwijs, en daarbij voorkomen we dat overlap ontstaat met projecten van de Wereldbank. Bijvoorbeeld door als Nederland niet zelf aan de slag te gaan, maar expertise van de Wereldbank in te huren. De Wereldbank is een grote club: er werken tienduizend man, met een heel brede ervaring en uit de hele wereld gerecruteerd. Ik raad Nederland aan om dat grote potentieel te benutten.’