Menu Close

Geheugenonderzoeker Eric Kandel: ‘De Kristalnacht zal ik nooit vergeten’

In een eenvoudige zeeslak ontdekte Eric Kandel hoe onze hersenen herinneringen bewaren. En hoe ze sommige ervaringen nooit zullen vergeten — zoals hoe hij als klein jongetje door Hitler uit Wenen werd verjaagd.

In de recente film Memento verliest een jonge man door een val zijn geheugen. Niet meer in staat nieuwe herinneringen langer dan een kwartier vast te houden, zit hij gevangen in een wereld die hij niet meer begrijpt. Waar ben ik? Wat doe ik hier? Wie is die man die zich mijn vriend noemt?

Het is precies wat mensen met ernstige dementie dagelijks meemaken, zegt hersenonderzoeker en Nobelprijswinnaar Eric Kandel. En het is een ‘verschrikkelijke, absoluut verschrikkelijke’ ziekte.

“Ik noem het geheugen graag de lijm van de geest. Het verbindt ons met ons verleden, met onze omgeving, het houdt alle onderdelen van het leven bij elkaar. Het laat ons reizen in de tijd, en oude gebeurtenissen opnieuw beleven. Onze beschaving en cultuur zijn er geheel van afhankelijk.”

“Zonder geheugen is de mens een betekenisloos wezen. Dementie kent niet de hevige lichamelijke pijn van sommige andere ziekten. Maar als het gaat om het verlies van je waardigheid, om de vernietiging van je persoonlijkheid, dan is niets verschrikkelijker dan het verlies van een belangrijk deel van je geheugen.”

Zelf is Kandel zijn jonge jaren nog allesbehalve vergeten. Alsof het gisteren is gebeurd, zo helder ziet hij nog voor zich hoe hij als klein jongetje, op de door zijn broer gebouwde kristalradio, hoort hoe Hitler onder gejuich Oostenrijk binnentrekt. Hoe hij daarna door zijn Weense klasgenootjes als melaatse wordt gemeden. Hoe zijn familie in de Kristallnacht uit huis wordt gejaagd, en ondergebracht bij vreemde, norse mensen. En hoe hij, negen jaar oud, alleen met zijn broer op de boot naar Amerika wordt gezet.

‘Gefeliciteerd met deze nieuwe Oostenrijkse Nobelprijs,’ stond op een gelukstelegram dat de gelauwerde vorig jaar na de bekendmaking uit Wenen ontving. Kandel, bitter: “Ik heb ze eraan herinnerd dat het géén Oostenrijkse Nobelprijs was. Oostenrijk had met deze prijs níets te maken.”

Toch is dat niet helemaal waar. Want zijn scherpe herinneringen uit het vooroorlogse Oostenrijk, schreef Kandel onlangs in een korte autobiografie, legden de kiem voor zijn wetenschappelijke zoektocht naar de complexiteit van het menselijk geheugen. Hoe was het mogelijk, bleef de jonge Kandel zich verbijsterd afvragen, dat in het Wenen van Haydn, Mozart en Beethoven, hoogleraren en schrijvers opeens juichten over de komst van de Nazi’s? Hoe kon vriendschap van het ene op het andere moment omslaan in blinde, moorddadige haat?

Aanvankelijk, tijdens zijn studie aan Harvard, zocht Kandel een cultuurhistorisch antwoord op deze vragen. ‘De houding van drie Duitse schrijvers tegenover het Nationaal-Socialisme’, was de titel van zijn afstudeerscriptie. “Toen Hitler aan de macht kwam,” citeert Kandel zijn eigen werk, “had hij waarschijnlijk kunnen worden gestopt. Hij opereerde onzeker, en zijn antisemitisme was nog veel minder agressief. Als de universitaire gemeenschap toen was opgestaan, dan had dat nog iets kunnen betekenen. Maar men voegde zich, deels uit opportunisme, deels omdat ze idee van een Duitse grootmacht aantrekkelijk vonden. En natuurlijk, deels ook uit angst. Oog in oog met gevaar is het ontzettend moeilijk om moedig te zijn. Ik weet niet of ik het zelf zou hebben gekund.”

Mede onder invloed van zijn toekomstige schoonouders, zelf in Wenen ooit bevriend met de familie Freud, verlegde Kandel echter zijn koers. Op zoek naar de diepere beweegredenen van zijn vroegere landgenoten stelde hij zijn vertrouwen in de psychoanalyse — ‘een geweldig intellectuele, bijna poëtische manier’ om menselijke drijfveren te onderzoeken, meent hij nog steeds.

Maar eenmaal in opleiding als psychiater bekropen hem twijfels over de bruikbaarheid van de psychoanalyse. Meer en meer kreeg Kandel het idee dat biologie, meer dan psychologie, ons brein drijft.

Het keerpunt kwam tijdens een onderzoeksstage aan de Amerikaanse National Institutes of Health. Samen met een collega bereikte hij een doorbraak, door voor het eerst elektrische signalen te meten in afzonderlijke hersencellen van een levende muis. De cellen lagen in de hippocampus, een cruciaal hersenonderdeel voor het geheugen.

‘Iedereen om ons heen was opgewonden,’ vertelt Kandel. ‘Het ene moment stelden we nog niets voor, het volgende moment waren we opeens gevierde onderzoekers. Geweldig, was dat.’

Maar weer verraste Kandel velen in zijn omgeving: in plaats van voort te bouwen op dit succesvolle werk aan muizehersenen, richtte hij de blik op Aplysia, een reuzen-zeeslak met een primitief zenuwstelsel — op het eerste gezicht nogal een grote stap terug voor wie probeert de werking van de menselijke geest te doorgronden.

Toch deed Kandel, begin jaren zestig, juist in die zeeslak zijn grootste ontdekking: dat de hersenen aangeleerde ervaringen vastleggen door bestaande verbindingen tussen zenuwcellen te verstevigen — alsof een elektriciteitsdraad dikker wordt naarmate er meer stroom doorheen wordt geleid.

Het lijkt een belangrijk thema voor u: durven ingaan tegen de heersende opinie.

Kandel: “Dat klinkt dapperder dan ik mezelf zie, maar het is waar, sommige stappen in mijn loopbaan vergden meer moed dan ik dacht te bezitten. Vooral de overstap naar de zeeslak was moeilijk. ‘Je vergooit je leven’, zeiden collega’s tegen me. Tegelijk moet u wel bedenken dat een onderzoeker toen gemakkelijker geld kreeg dan nu. Wetenschappelijk nam ik misschien een grote gok, maar financieel heb ik nooit het gevoel gehad dat ik iets riskeerde.”

“Het moeilijkste moment was misschien wel toen ik na dat opwindende resultaat met de hippocampus van de muis terugging naar Harvard, om mijn opleiding tot psychiater af te maken. Het werk met patiënten, als arts-assistent, vergde naar mijn smaak niet al te veel tijd, dus ik vroeg mijn hoogleraar: hebt u niet een kamer en wat geld, zodat ik ’s avonds wat onderzoek kan doen? ‘Wie denk je verdomme wel niet dat je bent,’ was zijn reactie. Vreselijk — net twee weken binnen en de baas had al een hekel aan me. Zonder iets te zeggen heb ik toen elders op Harvard een onderzoeksplekje gevonden. Binnen twee maanden had mijn baas het door — maar toen had men hem overtuigd dat ik wat kon. Sindsdien is onderzoek op Harvard een gewaardeerd onderdeel van de psychiatrie-opleiding.”

Toch zijn niet al uw voormalige collega’s overtuigd van het belang van een biologische benadering van de psychiatrie.

“Nee, dat is waar. Een paar jaar geleden hield ik een rede voor een groep psychiaters, bescheiden getiteld: ‘Een nieuw intellectueel kader voor de psychiatrie’. Daarin noemde ik werkelijk de meest voor de hand liggende dingen. U weet wel: de geest huist in de hersenen, en voorzover psychotherapie werkt is dat waarschijnlijk omdat ze chemische of elektrische veranderingen in het brein teweeg weet te brengen. Iedereen die ook maar iets weet van biologie kan het bedenken. Maar op veler verzoek stuurde ik de tekst van de rede naar de American Journal of Psychiatry. En wat denkt u? Ze behandelden het als een top-artikel! En nog nooit kregen ze zoveel reacties als op dát stuk. Vooral van psychoanalisten. ‘U negeert de psychoanalyse, u bent er tegen’, schreven ze. Klinkklare onzin, natuurlijk — ik ben juist dol op psychoanalyse. Ik denk alleen dat het naar de bliksem gaat omdat ze er geen onderzoek aan doen.” Schaterend: “Ze proberen er alleen rijk van te worden!”

“Maar serieus — het is natuurlijk niet de vraag of ik er voor of tegen ben. De vraag is of psychotherapie wetenschappelijk steek houdt. Ooit was de psychoanalyse een rijke, genuanceerde manier om naar het leven te kijken. Freud heeft ons geleerd op een andere manier naar mensen te luisteren. Maar sindsdien is het vak niet gegroeid! We komen er niet meer verder mee. Het is tijd om aansluiting te zoeken bij een andere discipline, en” — de diepe inhalen van Kandels brede lach vullen weer zijn werkkamer — “hersenwetenschappen leken me een goed begin.”

“Maar ze zouden u verbazen, de reacties die ik kreeg. ‘Mijn god, die Kandel is een anti-intellectualist, een reductionist.’ Ongelooflijk, hoe je mensen nog in de gordijnen kunt krijgen met iets dat zo zonneklaar is. Het is bijna absurd. Natuurlijk simplificeer ik wel eens wat. Zelfs al weten we ooit welke processen zich in het brein afspelen, dan nog kan het zijn dat de taal van de psychoanalyse of de cognitieve psychologie bruikbaarder blijkt te zijn dan die van de biologie. Dat het zinvoller is om te zeggen dat we ‘herinneringen hebben verdrongen’ dan om te zeggen dat ‘de amygdala de hippocampus heeft geremd’. Maar men moet toch erkennen dat op ieder ander medisch gebied het leren kennen van de onderliggende biologie ons begrip dramatisch heeft vergroot?”

Zullen we de hersenen ooit zo goed kennen dat we op een flinke harde schijf een backup kunnen maken van ons geheugen?

“Ik kan me voorstellen dat we met scantechnieken ooit door zullen dringen tot het niveau van al die miljarden individuele hersencellen; dat we de efficiëntie van elke verbinding van buitenaf kunnen meten. Als we al die gegevens van al die structuren hebben, dan zouden we in een computer een model kunnen bouwen van een menselijk brein. Maar dat is een optimistische voorspelling. Voorlopig zou het al heel mooi zijn als we de interactie tussen honderd hersencellen zouden begrijpen, in plaats van tussen miljarden.”

Hoeveel hersencellen kunnen we nu overzien?

“Op het niveau dat nodig is voor een bevredigend model? Niet één, om eerlijk te zijn. We weten wat van de input, we weten wat van de output, we hebben een ruw idee. Maar we zijn nog mijlen verwijderd van het punt dat we alle chemische signalen van een zenuwcel kennen en begrijpen.”

“Maar om te zeggen dat het nooit mogelijk zal zijn, daarvoor is het gewoon nog te vroeg. Als neuroses een chemische afspiegeling hebben in het brein, en de hersenscans worden veel beter, dan moeten we ze ooit kunnen meten. Als iemand door een behandeling opknapt, zouden we dat op zo’n scan moeten zien: een anatomische structuur die groter of kleiner is geworden. Dat duurt misschien nog enkele tientallen jaren. Niet dat we dan uw geheugen kunnen lezen en opslaan, maar wel een ruwe afgeleide ervan.”

Niet dat we alles uit ons geheugen zouden willen opslaan.

“Wat mij trof in mijn onderzoek is dat hersenen zoveel mechanismen hebben om te voorkómen dat iets wordt vastgelegd. Zowel in de zeeslak als in de muis zijn er vaak twee chemische processen die elkaar tegenwerken. Het ene proces stimuleert het lange-termijngeheugen, het andere probeert juist te voorkomen dat iets wordt opgeslagen.”

“Vergeten is niet altijd slecht — meestal is het zelfs goed. Er zijn veel pijnlijke dingen die je wilt vergeten; veel onbelangrijke ook. Vergeten ruimt lekker op, en zorgt ervoor dat je alleen de meest saillante ervaringen onthoudt. Dat is een goede zaak — zolang het niet te erg wordt.”

We worden steeds ouder, en dus ook steeds vergeetachtiger.

“Daarom zoeken medicijnfabrikanten ook naar middelen om dat tegen te gaan. Er zijn inmiddels goede proefdieren voorhanden waarmee je leeftijds-gerelateerd geheugenverlies kunt nabootsen. In die dieren kunnen we het verlies inmiddels tegengaan, met stoffen die in de hersenen de balans tussen de processen voor onthouden en vergeten verschuiven. Ik ben zelf nauw bij een paar van zulke bedrijven betrokken — ik zie het als één van de vruchten van mijn werk.”

Valt er zonder die medicijnen al iets te doen?

“Werk van andere onderzoekers suggereert dat je je geheugen kunt stimuleren door intellectueel actief te zijn. Een nieuwe taal leren kan bijvoorbeeld een goede oefening zijn. Alzheimer-patiënten die tijdens hun leven veel opleiding hebben genoten, plegen meer te kunnen met het kleine aantal hersencellen dat overblijft.”

Heeft uw werk u uiteindelijk iets geleerd over waarom Weense intellectuelen stonden te juichen toen Hitler de stad binnenreed?

“Nee — ik begrijp het nog steeds niet, en vergeten doe ik het zeker niet. Afgezien van het begin van mijn loopbaan had mijn werk natuurlijk ook steeds minder met Hitler te maken. Maar het mooie van die Nobelprijs is dat hij mijn werk misschien toch nog, zij het een beetje kunstmatig, met die gebeurtenissen in Oostenrijk verbindt. Een paar jaar geleden mocht ik in Duitsland toetreden tot de Orden Pour le mèrite für Wissenschaft und Künste (een soort Ridderorde, pv). Een prachtige culturele organisatie, waarin dertig Duitse en dertig buitenlandse schrijvers, schilders, architecten en wetenschappers twee maal per jaar met elkaar van gedachten wisselen. Mijn plan is nu om, gebruikmakend van het enthousiasme over mijn Nobelprijs, ook in Oostenrijk zoiets van de grond te tillen. Een club in het leven te roepen waar Oostenrijkse intellectuelen, net als hun Duitse collega’s, open over hun verleden gaan praten, zoals ze tot nu toe nooit hebben gedaan. Mijn ouders zouden dat mooi hebben gevonden. En het zou een mooi aandenken aan de vooroorlogse Joodse gemeenschap in Wenen zijn.”

Related Posts