Menu Close

Tropenweken: Waarom Nederlanders op vakantie hun gezondheid vergeten

Nu vakantiegangers op hun werk zijn teruggekeerd, kan de schade langzaam worden opgemaakt. Nederlanders zoeken in de zomer het avontuur, en lappen adviezen om gezond te blijven massaal aan hun laars.

Drieëntwintig jaar oud was ze, en net de vorige dag getrouwd. Maanden had ze zich op de droomreis verheugd. Maar voor ‘Patiënte B’ liepen de langverwachte wittebroodsweken in Zuid-Amerika anders af dan ze zich had voorgesteld.

Al op de dag van de aankomst, schrijft onderzoeker Marcel Monden in 1994 in een case history in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, werden papieren en geld van het jonge echtpaar gestolen. En daar bleef het niet bij: bij aankomst in het hotel, waar lang tevoren een romantische bruidssuite was gereserveerd, bleek de administratie niet geheel op orde. De bruidssuite was al vergeven, en nee, helaas, ook voor de rest was het hotel volgeboekt.

Hoewel zij, in de woorden van het medische vaktijdschrift, beschikte over een ‘blanco voorgeschiedenis’, werd patiënte B bij het horen van deze berichten ‘motorisch onrustig’, met licht paranoïde neigingen. De volgende ochtend was de deconfiture compleet: de mentale terugslag nam de vorm aan van een psychotische achtervolgingswaan. De jonge bruid was ervan overtuigd dat iedere functionaris in het exotische land het op haar had voorzien. Zo onhoudbaar was de toestand, dat de Nederlandse alarmcentrale voor de volgende dag in allerijl een vliegtuig terug moest regelen. Vier maanden later kon patiënte B uit het psychiatrisch ziekenhuis worden ontslagen, en begon ze voorzichtig haar baan weer op te pakken — voor halve dagen, dat wel.

Nederlanders, leren de statistieken, zoeken hun vakantiegeluk steeds verder van huis — waar ooit een reis naar Marokko gold als een hele onderneming, draaien honderdduizenden voor een weekje Bali of Kenia hun hand al niet meer om. De afgelopen tien jaar, schatten reisorganisaties, is het aantal Nederlanders met een tropische vakantiebestemming verviervoudigd van 250 duizend tot een miljoen per jaar.

Bakken in de zon en bij regen een bezoek aan een plaatselijk museum is daarbij niet meer genoeg: de moderne reiziger jumpt bungy, springt uit vliegtuigen, beklautert drooggevallen canyons, bedwingt de Himalaya in Nepal of stuitert per vlot van kolkende rivieren. Voor de verwende en licht verveelde westerling is de wereld één groot Efteling — zij het dat het decor van de wildwaterbaan is vervangen door heuse regenwouden en de rijen voor de kassa’s zich hebben verplaatst naar de incheckbalies op Schiphol.

Voor de meesten eindigt deze wanhopige zoektocht naar rustgevend avontuur minder dramatisch dan voor patiënte B. Maar het aantal vakantiegangers dat voor de exotische ontspanning betaalt met zijn geestelijke of lichamelijke gezondheid, groeit. Niemand weet precies hoe snel — al was het maar omdat de alarmcentrales die in nood geraakte landgenoten ter plaatse bijstaan of repatriëren, het te druk hebben om de verzoeken om hulp uitgebreid te registreren en analyseren.

Miljoenen Nederlanders ondergingen afgelopen zomer niet veel meer dan de gevolgen van een infectie van de darmen. Maar volgens ruwe schattingen lieten zo’n 1200 vakantiegangers buitenslands het leven; een veelvoud ervan keerde onder medische begeleiding terug. Nog eens vele duizenden zullen zich de komende maanden bij hun huisarts melden.

De westerse toerist heeft geen idee welke risico’s hem op tropische vakanties allemaal te wachten staan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de volgende anekdote, die uitgroeide tot een wetenschappelijke publicatie en het al jaren goed doet aan de borreltafel van tropengeneeskundigen.

Het begon met een hoogleraar tropengeneeskunde, die een paar jaar geleden op zijn spreekuur te maken kreeg met een patiënt die net was teruggekeerd uit West-Afrika. De man leed aan bilharzia — een besmetting met schistosoma, kleine parasitaire wormpjes die worden overgebracht door tropische zoetwaterslakken. Voor een besmetting met bilharzia is in theorie een beetje pootje baden al genoeg: voor larven van de worm is de menselijke huid geen barrière.

De gevolgen blijven meestal beperkt tot een lichte ontsteking van de huid, met daarna een blaas- of darmontsteking. Maar wanneer eitjes doordringen tot belangrijke organen, zoals de lever, de gal, de longen of de hersenen, volgen ernstiger symptomen. Bleef de ziekte in Nederland vijftien jaar geleden hoofdzakelijk beperkt tot immigranten uit Suriname, inmiddels hebben teruggekeerde vakantiegangers de koppositie overgenomen.

Op de avond van het bewuste spreekuur werd de hoogleraar thuis gebeld — een oud-studiegenoot vroeg om collegiaal advies. Zijn dochter, zojuist teruggekeerd van een prachtige vakantie in Mali, had koorts en vertoonde rare rode vlekken.

Het duurde niet lang voordat een en een waren opgeteld: de twee bilharzia-patiënten kenden elkaar goed. Ze maakten beiden deel uit van een groep, die de weken ervoor een overgetelijke reis beleefde naar de Dogon-vallei.

Gemotiveerd door het opmerkelijke toeval besloten tropenartsen het geval voor de grap eens nader te onderzoeken. Van twee opeenvolgende reisgroepen werden alle dertig deelnemers opgespoord. Op één na hadden ze gezwommen in de verkoelende meertjes van de Dogon-vallei; en binnen een jaar, meldden de onderzoekers later in het tijdschrift Clinical Infectious Diseases, vertoonden 28 van de 29 sporen van besmetting — elk van de drie lokale schistosoma-soorten was in de reisgroep terug te vinden. Bij sommigen bleef het bij rode vlekken, op het oog niet veel meer dan zwemmerseczeem. Maar bij vijftien van de 28 besmette deelnemers drongen eitjes door tot in de longen, met infectueuze knobbeltjes en hoge koortsen tot gevolg.

Niemand in de groep, zo bleek, was zich van het gevaar bewust geweest. Ook de reisleider was niet goed voorbereid. In stromend water, had hij nog geruststellend verteld, komen de ziektekiemen niet voor.

De groepsreis naar de Dogon-vallei was bijzonder — niet zozeer vanwege het aantal besmettingen, maar omdat maar zelden een groep vakantiegangers zo nauwkeurig en langdurig wordt gevolgd. Want ook deskundigen hebben geen idee hoeveel reizigers van vakantie terugkeren met tropische ziektekiemen. De meeste infecties lopen uiteindelijk betrekkelijk onschuldig af, en worden daarom door de huisarts niet gezien of niet als tropenziekte herkend. En ook als dat wel gebeurt, dan worden de meeste gevallen niet centraal geregistreerd. Bij de vier poliklinieken voor tropische infectieziekten die ons land rijk is, melden zich jaarlijks drie- tot vierduizend vakantiegangers, maar zij vormen slechts het topje van de ijsberg.

Frank Cobelens, tropenarts bij het Amsterdamse Academisch Medisch Centrum, hoopt over een half jaar te promoveren op de besmettingsrisico’s van reizigers naar de tropen. Hij deed de afgelopen jaren daarom verscheidene pogingen harde gegevens te verzamelen.

Zo toonde hij, samen met collega Anne Leentvaar van de Amsterdamse GG&GD, aan dat meer dan de helft van de Nederlandse tropenreizigers in het land van bestemming door een serieuze aanval van diarree wordt geveld. Een op de negen reizigers wordt zelfs meer dan eens getroffen, en een tweede aanval is meestal erger dan de eerste, stelden de onderzoekers bemoedigend vast: niet alleen houdt hij langer aan, hij gaat ook vaker gepaard met bloed in de ontlasting, krampen, hoofdpijn, spierpijn en een algeheel gevoel van onbehagen, schreven zij in het tijdschrift Tropical Medicine and International Health.

Op zich is diarree natuurlijk niet zo ernstig. Als het gaat om relatief onschuldige indringers als Escherichia coli, een rotavirus of het Norwalk virus, blijft de schade meestal beperkt tot een paar ongemakkelijke en verloren vakantiedagen — zeker wanneer middelen als Imodium worden toegepast, die de bewegingen van de darm voor enige tijd volledig stil leggen. Maar wanneer agressiever bacteriestammen als Salmonella, Shigella of Campylobacter de darmen veroveren, liggen dysenterie en uitdroging op de loer.

Ironisch genoeg behoort reizigersdiarree, ook wel ‘de wraak van Montezuma’ genoemd, tot de weinige ziekten waarop de meeste tropengangers wél zijn voorbereid. Bijna ieder van hen kan de strenge vermaningen uit de reisgids dromen: geen kraanwater, geen ijsblokjes, geen onverpakt ijs, geen koud, rauw of lauw voedsel (laat staan salade), geen hapjes uit kraampjes op straat, geen schelpdieren, alleen met eigen schone handen gepeld fruit.

Maar geconfronteerd met het echte leven blijkt vrijwel niemand naar zulke voorschriften te leven. In 1995 ondervroegen onderzoekers van het Finse Nationaal Instituut voor de Volksgezondheid bijna duizend Finnen die op vakantie naar Marokko waren geweest. Slechts één op de twintig had zich aan alle dieetregels gehouden, zo bleek. Driekwart had rauwe groente gegeten, tweederde had zich vergrepen aan salades, een derde had de verleiding van geurende straatstalletjes niet kunnen weerstaan, een derde was gevallen voor koud vlees. Een op de vijftig reizigers deinsde er zelfs niet voor terug om rauw vlees te consumeren. Hoe meer ervaring, hoe heviger de zonden, constateerde onderzoeker L. Mattila in het Journal of Travel Medicine.

Ook over malaria laten de meeste tropenreizigers zich nog wel informeren — zij het niet altijd door deskundigen, moet Cobelens op zijn spreekuur soms tot zijn ergernis ervaren. Vrijwel iedereen heeft inmiddels wel een buurvrouw met een familielid dat naar de tropen is geweest, en aan wie je over malaria niets meer hoeft te vertellen. Zo aan het eind van een vrijdagmiddag, bekent hij, wil hij er wel eens narrig op reageren. `Voor malaria-advies kunt u ook heel goed terecht bij mijn slager,’ zegt hij dan spottend.

Met een miljoen tropenreizigers per jaar, en allerlei spookverhalen over de bijwerkingen van preventieve tabletten, is malaria uitgegroeid tot een populair vakantie-borreltafel-onderwerp, denkt de tropenarts. En het resultaat van al die professionele en niet-professionele adviezen is niet om ansichtkaarten vol over naar huis te schrijven. Vakantiegangers zijn hardleers: zelfs reizigers die op een spreekuur mondeling en schriftelijk advies krijgen over hoe ze malaria moeten voorkomen, blijken vaak hun gedrag niet aan te passen.

Via een vragenlijst vroegen de onderzoekers ruim vijfhonderd bezoekers van de Amsterdamse GG&GD na thuiskomst of ze zich aan de adviezen hadden gehouden: dagelijks en/of wekelijks een antimalaria-pil, tot vier weken na terugkeer; ‘s avonds de huid insmeren met een insectenwerend middel en armen en benen bedekken, ‘s nachts eerst alle muggen doodslaan en slapen onder een muskietennet.

Veertig procent van de reizigers bekende voortijdig met slikken te zijn gestopt, of regelmatig pillen te hebben overgeslagen; een kwart gebruikte geen insectenwerend middel, 44 procent gebruikte nooit een muskietennet, 63 procent ging niet op muggenjacht en 80 procent droeg ‘s avonds geen lange mouwen of broekspijpen. Niemand volgde alle vier insectenwerende adviezen op; niet meer dan één op de zes kwam tot twee maatregelen per avond. Het zijn nog conservatieve schattingen — niemand vindt het immers prettig zichzelf op een overtreding te betrappen.

‘Het zorgwekkendste was, dat het niet uit leek te maken waar men naartoe ging,’ zegt Cobelens. ‘West-Afrika is, wat malaria betreft, de grootste brandhaard: veruit de meeste Nederlandse malaria-patiënten komen dáár vandaan. Toch slikten reizigers naar West-Afrika nog beroerder dan reizigers naar Oost-Afrika.’

Het kan natuurlijk zijn dat de adviseurs op het spreekuur niet luid genoeg gewaarschuwd hadden; maar niet minder aannemelijk is dat de reizigers niet bijster geïnteresseerd waren, of adviezen uit andere hoek lieten prevaleren. Vooral mefloquine, beter bekend als Lariam, heeft een slechte naam, mede doordat de laatste jaren berichten naar buiten zijn gekomen over psychotische aanvallen die aan het middel werden toegeschreven, en die onder tropenreizigers met grote gretigheid worden doorverteld. In het Journal of Travel Medicine berekende de Franse onderzoeker M. Armengaud dat Lariam, maar ook chloroquine, bij vijftien tot twintig procent van de reizigers tot bijwerkingen leidt. Eén op de tienduizend innemers van beide middelen doet vakantiegangers zelfs in het ziekenhuis belanden. Zowel bij Lariam als bij chloroquine zijn ‘neuropsychiatrische’ bijwerkingen gemeld.

Volgens Cobelens berust veel van de weerstand echter op misverstanden, en laten tot overmaat van ramp ook reisorganisaties zich er wel eens door leiden. ‘Het gebeurt regelmatig dat reizigers naar landen als Malawi van hun reisorganisatie te horen krijgen dat ze Lariam beter kunnen laten liggen. Terwijl het in Malawi barst van de malaria, en chloroquine er vrijwel geen effect meer heeft.’

Of angst voor bijwerkingen van medicijnen echt een grote rol speelt, is overigens twijfelachtig, aangezien ook adviezen om muggen op een afstand te houden, nauwelijks worden opgevolgd. Dat terwijl malaria niet de enige reden is om muggen uit de buurt te houden. Muggen brengen een hele rij ziekten over, waaronder in Zuidoost-Aziatische landen knokkelkoorts, ook wel dengue geheten. Die virusziekte is weliswaar niet dodelijk, maar is met veertig graden koorts en een herstelperiode van weken alles behalve een pretje.

Dat muggen bij vakantiegangers vrij spel lijken te hebben, blijkt ook wel uit nog ongepubliceerde cijfers van Cobelens over de import van knokkelkoorts: ongeveer een op de dertig toeristen keert met het virus in het bloed terug uit Azië; een op de honderd wordt ook echt ziek.

Hoeveel Nederlanders malaria krijgen, is merkwaardig genoeg nauwelijks bekend. Doordat veel huisartsen verzuimen om gevallen bij hun GGD te melden, bestaan er in ons land geen betrouwbare cijfers. Schattingen van tien jaar geleden spraken al van zeshonderd behandelingen per jaar, voornamelijk van de gevaarlijke variant malaria tropica. Van de 550 reizigers wier bloed Cobelens en Leentvaar in 1991 onderzochten, kon bij vijf, bijna één procent, een besmetting worden aangetoond.

Op elke zeventig reizigers die een maand naar West-Afrika gaan, krijgt er nu één malaria. Voor Midden- en Zuid-Amerika liggen de kansen ongeveer honderd keer lager, voor Zuidoost-Azië als geheel is de kans nog kleiner. Het probleem is alleen, dat de kans van dorp tot dorp enorm kan verschillen.

Wat maakt brave, risico-mijdende Nederlanders op vakantie tot roekeloze reizigers? Is het naïviteit en onderschatting van de gevaren die hen buiten de veilige landsgrenzen wachten — zoals de twee Nederlandse vrouwen die in februari in de Alpen hun man en kinderen door lawines verloren, en later tegen De Volkskrant zeiden: ‘Dat lawinegevaar hebben we nooit als dreigend ervaren. Integendeel, we vonden het een feest om ingesneeuwd te zijn. We beschouwden het als een extra vakantie.’

‘Het speelt vast een rol,’ denkt Cobelens, al wijst zijn onderzoek voor een deel in een andere richting: hoe meer vakantiegangers naar tropische landen hebben gereisd, hoe mínder ze zich aantrekken van adviezen om gezondheidsschade te voorkomen.

Voor een deel kan dat goed nieuws zijn — ervaren reizigers hebben misschien geleerd om ter plaatse te informeren naar de risico’s, en besluiten op basis daarvan dat het slikken van malariapillen niet nodig is. ‘Maar aan de andere kant zie je dat expatriates, die voor hun werk lange tijd in de tropen blijven, door hun ervaring overmoedig worden. Ze voelen zich een hele peer, en denken dat je hun over malaria niets meer hoeft te vertellen. Ze weten niet dat, zodra ze verhuizen naar een andere stad of provincie, de situatie totaal anders kan zijn.’

Een alternatieve verklaring voor het onbesuisde reisgedrag is een algemener trend: steeds meer is vakantie immers het moment om risico’s te zoeken, in plaats van ze te vermijden. Alleen watjes nemen nog genoegen met een bergwandeling in de Pyreneeën — de twintig doden in een Zwitserse canyon zijn slechts een teken aan de wand. Het Camel-virus heeft het toerisme hevig aangestoken. Waar ooit wildwater werd gevaren in de Belgische Ardennen, is nu Zimbabwe voor thrill seekers het favoriete decor.

Wie roekeloosheid wil verklaren, moet ook bedenken dat de mens niet is gezegend met een betrouwbaar zintuig voor mathematische risico’s. Kleine, abstracte gevaren in de verre toekomst boezemen soms meer angst in dan uiterst riskante gedragingen op de dag van vandaag. De angst om in een vliegtuig neer te storten, kan heviger zijn dan de angst om in Afrika door onbeschermd seksueel contact een besmetting met aids op te lopen — ook al zeggen de rekensommen het omgekeerde.

Dat vakantiegangers zich ook op het gebied van geslachtsziekten weinig aantrekken van ferme waarschuwingen, bleek in een onderzoek van de universiteit van Zürich, afgelopen december gepubliceerd in het Journal of Travel Medicine. De onderzoekers informeerden duizenden reizigers die op weg waren naar Afrika over de hoge kans op een heteroseksuele aidsbesmetting. Maar bij terugkeer bleek dat de campagne geen effect had gehad — van alle reizigers die ‘terloopse’ seks rapporteerden, had de helft zonder condoom gevreeën. Of ze van tevoren informatie hadden ontvangen, maakte voor die uitkomst geen enkel verschil.

‘Mensen hebben een verwrongen idee van risico’s,’ vindt ook Cobelens. ‘Er zijn mensen die geen malaria-pillen willen slikken omdat ze bij wijze van spreken bang zijn om over twintig jaar ergens een bultje te krijgen. Terwijl ze hier in de wachtkamer de ene na de andere sigaret opsteken, en daardoor hun kans op longkanker en hart- en vaatziekten geweldig vergroten. Men maakt zich druk over zeldzame bijwerkingen, maar stapt wel zonder blikken of blozen in de meest krakkemikkige transportmiddelen. En dat is voor gezonde westerlingen in een ontwikkelingsland doodsoorzaak nummer één: een ordinair verkeersongeluk.’

Vakantie, lijkt het, is niet meer een poging tot ontspannen. Moderne vakantiegangers ontsnappen een paar weken per jaar aan de regels van hun saaie Nederlandse bestaan. Regeltjes om zich in den vreemde aan te houden, zijn niet waar avontuurlijke reizigers op zitten te wachten — zelfs niet wanneer het hun dagelijks werk is anderen van de noodzaak van zulke richtlijnen te overtuigen.

Geamuseerd vertelt Cobelens hoe reisgidsen nog altijd melden dat in Lake Malawi, in Oost-Afrika, voor een besmetting met bilharzia geen gevaar bestaat. ‘Maar een paar jaar geleden is er eens een onderzoek gedaan, precies op de plek waar het meest wordt gezwommen,’ zegt hij. ‘Het water is er prachtig schoon. Maar aan het eind van de dag bleek zo’n zeventig procent van iedereen die er had gezwommen met schistosoma besmet te zijn. Je zwom er bij wijze van spreken tussen de besmette slakken door — het was verschrikkelijk.’

‘Maar ja, ik weet het,’ besluit de promovendus, ‘het is heel mooi om in dat meer te zwemmen. Ik heb het zelf ook gedaan.’

Related Posts