Voor het eerst in de geschiedenis kan de mens op het internet al zijn genen lezen. Maar tot ergernis van velen moet daarvoor wel worden betaald. Het bedrijfsleven was de publieke sector te slim af.
Een oplichter.’ Zo noemde de Engelse erfelijkheidsonderzoeker John Sulston ooit zijn Amerikaanse collega Craig Venter, die net als hij werkte aan een menselijke genenkaart. ‘Een patser,’ vult Ronald Plasterk, directeur van het Utrechtse Hubrecht-laboratorium, de bittere woorden van Sulston aan.
Met krachttermen als deze geven beide onderzoekers lucht aan gevoelens van veel collega’s die menen dat Venter pronkt met andermans veren. De bijna complete versie van het menselijk DNA, die Venter deze week officieel publiceerde, kon immers alleen worden afgerond dankzij jaren werk van honderden academische onderzoekers uit de hele wereld.
‘Dat hij hun gegevens heeft gebruikt, en herverkoopt, vind ik niet eens het ergste,’ voegt Plasterk toe. ‘Met zijn enorme daadkracht heeft hij ook veel bereikt. Maar wat mij vooral ergert is dat hij een lange neus trekt naar collega’s op wier schouders hij kan staan. Ik ken weinig mensen die zo neerbuigend over het werk van anderen spreken.’
Venter zelf ziet het uiteraard anders: de ‘vijandigheid’ jegens hem berust op jaloezie, omdat zijn onderneming het menselijk DNA ‘sneller, beter en goedkoper’ wist te ontrafelen. De protesten van zijn vele tegenstanders kwalificeert hij als ‘politiek geneuzel’. Zelf richt de multimiljonair zich liever op een nieuw doel: met zijn bedrijf Celera Genomics de lawine aan biologische kennis met krachtige computers omzetten in nieuwe geneesmiddelen.
Achter de ogenschijnlijk eenstemmige publicatie van de menselijke genen, deze week, schuilt een diep meningsverschil. En de botsing tussen privaat en publiek genetisch onderzoek duurt voort.
Idealisme
‘Toen Venter voor zichzelf begon, namen de meesten van ons het niet echt serieus,’ erkent Han Brunner, hoogleraar antropogenetica in Nijmegen. ‘We dachten dat hij het niet zou redden.’
Al acht jaar lang probeerde op dat moment een internationaal consortium, de Humaan Genoom Organisatie (HUGO), het menselijk DNA van A tot Z te lezen. Het werk vorderde langzaam, deels door te kleine subsidies, deels doordat het accent lag op compleetheid, niet op snelheid. De keus voor dat accent kwam voort uit idealisme, verklaart Plasterk: ‘Het menselijk DNA aflezen, dat doe je misschien maar één keer. Dan moet je het ook goed doen, helemaal van links naar rechts.’
Hetzelfde idealisme schreef voor dat deelnemende onderzoekers beloofden hun resultaten binnen een dag op het internet te zetten. Daardoor konden ze, althans in Europa, op nieuw ontdekte genen geen octrooi aanvragen. Maar de belofte opende wel een commerciële achterdeur: een bedrijf immers dat aan die ‘openbare’ informatie zelf wat toe zou voegen, zou met recht kunnen claimen exclusief over de beste gegevens te beschikken.
Dat was precies het plan dat Venter sinds 1998 ten uitvoer bracht. Geholpen door honderden miljoenen particuliere investeringsdollars breidde hij in eigen huis de ‘openbare’ set gegevens uit. Zijn methode was quick and dirty: omdat hij wist dat zijn publieke collega’s zorgden voor de degelijkheid, kon hij zich op het snelle, en dus goedkopere werk concentreren.
Deze week beschreven de kibbelende kampen voor het eerst hun tussentijdse resultaten. Het academische consortium kwam met een ‘kladversie’, waarvan twee derde nog bestaat uit ongeordende fragmenten. Dankzij de toevoeging van zijn eigen gegevens, staat Venters eerste versie daar als een glimmend sportmodelletje naast: voor 92 procent compleet, voor 99,96 procent nauwkeurig.
De komende jaren heeft Celera Genomics het ‘monopolie’ op de beste versie van het menselijk DNA. Een monopolie dat, zoals te verwachten was, te gelde wordt gemaakt: voor ruim een ton per aangesloten computer kunnen onderzoekers de komende drie jaar rondkijken op de website van www.celera.com.
‘Niet goedkoop, maar wel betaalbaar’, vindt Gert Jan van Ommen, hoogleraar humane genetica in Leiden en vice-voorzitter van HUGO. Uiteindelijk, vindt Van Ommen, valt de schade nog mee; klachten dat de volledige gegevens van Celera niet gratis zijn in te zien, vindt hij persoonlijk dan ook een beetje overdreven. ‘Er zijn ook tijdschriften die 2400 gulden per jaar kosten.’
Bovendien, verwacht Van Ommen, kan een bedrijf als Celera het menselijk DNA beter ontsluiten dan academici. Die storten zich doorgaans liever op nieuw onderzoek dan op het ontwikkelen van gebruikersvriendelijke software.
De kosten zijn, verwachten onderzoekers, hoe dan ook tijdelijk: als over een paar jaar het publieke consortium, net als Celera, belangrijke dieren als de mens, de muis, de rat en de hond heeft afgewerkt, dan is het bedrijf haar monopolie kwijt, en zal ze ook de eigen codes gratis openstellen.
Hoe inefficiënt de twee parallelle projecten ook lijken, de miljarden dollars en Britse ponden zijn volgens Van Ommen niet voor niets gespendeerd. ‘De grootste waarde van het project zit misschien niet eens in de genetische code zelf. Het zit in het feit dat, dankzij de gezamenlijke inspanning van academische onderzoekers over de hele wereld, nu overal bekend is hoe het moet. Die brede verspreiding van technologie zie ik als een van de meest waardevolle aspecten van het hele project.’
Voorlopig wordt een flink deel van al die technologie echter nog ingezet om de achterstand op Celera in te lopen. Maar als het aan Brunner ligt komt aan het model van confrontatie snel een einde: ‘Ik denk dat de principiële tweedeling tussen particuliere en publieke sector zal wegvallen. Bij de toepassing van de menselijke code zie je het nu al gebeuren. Een universiteit met grote plannen zal voortaan snel contact zoeken met bedrijven, wat uiteindelijk de efficiëntie verhoogt. Tenzij natuurlijk emoties en grote ego’s ook daar de samenwerking weer onmogelijk maken.’
