Menu Close

Eén gen geeft al botverlies

DAT OSTEOPOROSE, het geleidelijk lichter en zwakker worden van de botten, een erfelijke component had was al enkele jaren duidelijk. Maar dat het grootste deel van die erfelijke invloeden kan worden herleid tot één enkel gen, is op z’n minst verrassend nieuws. Toch is dat precies wat Australische onderzoekers deze week stellen in het Britse wetenschappelijke tijdschrift Nature (dl 367, p. 284). Hun bevindingen kunnen grote consequenties hebben voor de behandeling van botontkalking – ze openen de weg naar een erfelijkheidstest die al op jonge leeftijd mensen met een verhoogd risico kan opsporen.

Naar schatting één op de vier vrouwen in Nederland krijgt na de menopauze te maken met de gevolgen van osteoporose. Wereldwijd breken jaarlijks ongeveer 1,7 miljoen oudere mensen hun heup – een gebeurtenis die zo ingrijpend is dat een kwart van hen binnen een half jaar overlijdt. Ook wervelfracturen en polsbreuken komen door het brozer worden van de botten veel voor.

De botmassa van ieder mens neemt gedurende de eerste 25 jaar van het leven toe – de voortdurende afbraak van botmateriaal wordt meer dan goed gemaakt door de aanmaak van nieuw bot. Een volwassen man komt gemiddeld tot zo’n 800 gram aan pure kalk, vrouwen doen het met een onsje minder. Na het dertigste jaar begint de afbraaksnelheid van kalkmineralen de aanmaak te overschaduwen – de botmassa neemt langzaam weer af. Wanneer het gewicht zover is gezakt dat botbreuken bij het minste of geringste optreden, spreekt men van osteoporose. Dat lot treft relatief veel vrouwen, bij wie na het intreden van de menopauze de botafbraak versnelt.

Dat erfelijke factoren meebepalen hoe zwaar onze botten zijn, is niet verwonderlijk. Wanneer je bij eeneiige tweelingen, die genetisch identiek zijn, de botmassa vergelijkt, komen die veel meer overeen dan bij tweeëiïge tweelingen. Maar omdat het botgewicht de optelsom is van allerlei aanmaak- en afbraakprocessen, die op hun beurt worden bestuurd door vele hormonen en groeifactoren, leek de verwachting gerechtvaardigd dat tientallen, misschien wel honderden, genen er een rol bij spelen. De Australische onderzoekers, onder leiding van Nigel Morrison van het St Vincent’s-ziekenhuis in Sydney, ontdekten echter dat één gen 75 procent van alle erfelijke verschillen verklaart.

Het gen in kwestie zorgt in het lichaam voor de aanmaak van een stof die vitamine D herkent. Vitamine D speelt een hoofdrol in de opname van kalk en de aanmaak van botweefsel. Het gen blijkt in twee licht verschillende varianten voor te komen – zeg b en B. Het B-type lijkt minder efficiënt te werken: mensen die twee B-varianten in hun cellen hebben (type BB), blijken de kritische grens gemiddeld tien jaar eerder te bereiken dan bb-typen – de ene groep op een leeftijd van 65 jaar, de andere 76 jaar. Mensen met van beide varianten één (Bb), zitten er tussenin.

Hoewel het verschil van tien jaar op het eerste gezicht lijkt op niet meer dan een kleine vertraging, heeft het in de praktijk enorme gevolgen, rekent Morrison voor: omdat het risico op heupbreuken iedere vijf jaar verdubbelt, is de kans na tien jaar verviervoudigd.

Wanneer de resultaten van Morrison worden bevestigd, kan de ontdekking grote consequenties hebben. Al op jonge leeftijd zouden BB-typen met een erfelijkheidstest zijn op te sporen, zodat vroeg kan worden begonnen met pogingen de botten te verstevigen.

Nog interessanter is, vindt Morrison, dat dit ‘osteoporose-gen’ de eerste zou kunnen zijn van meerdere genen die, geheel onverwacht, in hun eentje een overheersende rol spelen bij heel ingewikkelde eigenschappen.