Menu Close

Het einde van het wetenschappelijk tijdschrift

De komst van Internet betekent het eind van het wetenschappelijke tijdschrift: nog even en het drukken en versturen van stapels papier is hopeloos achterhaald. Dynamische websites nemen de tent voor een fractie van de kosten over. Maar krijgen onderzoekers daarmee ook de virtuele bibliotheek die ze graag zouden hebben?

HET is 4 januari 2005, half tien ‘s ochtends, en met nog rode ogen van de slaap logt hersenonderzoekster Anja van Beylen in op haar computer. Rechtsonder op haar scherm knippert een brievenbusje vol ingekomen post. Ze weet haar nieuwsgierigheid te bedwingen, en checkt eerst de website met ongecontroleerde manuscripten op haar onderzoeksgebied. Staan haar opwindende resultaten van gisterochtend al online? Jawel! Straks maar eens wat bevriende collega’s, en misschien journalisten, mailen.

Maar wacht even: is haar Japanse concurrent haar te snel af geweest met die andere cruciale proef? Ze tikt een zoekwoord in, en haalt opgelucht adem — weer een dag gewonnen. Misschien redt ze het vandaag.

Toch nog even langs de site met ouderwetse ‘bladen’ — Nature neuroscience, Science,Cell. Geen van alle verschijnt nog op papier, maar hun goede naam en strenge peer review hebben ze behouden. Zou haar manuscript na zes maanden zijn geaccepteerd, en dus onmiddellijk gepubliceerd? Het zou goed uitkomen, gezien het projectvoorstel dat binnenkort de deur uitmoet. Helaas — enkele klikken met de muis zeggen genoeg: nog geen erkenning van de Journal of Neuroscience Online.

Voor de koffie nog even haar e-mail scannen. Mooi, die afspraak voor het congres volgende maand is oké. Opgetogen ziet ze hoe haar werk gisteren door drie collega’s is geciteerd — zoals meestal zijn het bijna allemaal vrienden of bekenden. Maar wie zou die Rodriguez, uit Mexico, toch zijn? Toch eens informeren wat die doet, en of er mogelijkheden voor samenwerking zijn.

Tot slot neemt ze het mailtje door met nieuwe artikelen op haar terrein. Gelukkig zijn het er maar vier — op dinsdagmorgen zijn het er nooit veel. En dankzij de zorgvuldig gecomponeerde zoekopdracht, waarmee ze weken heeft geëxperimenteerd, kan ze de vijfduizend biomedische ‘tijdschriften’ gelukkig zeer selectief doorzoeken. Na een snelle blik laat ze alleen de eerste twee, niet voor niets de duurste, uit de printer rollen. Ze moet bezuinigen, en de laatste twee zijn weliswaar goedkoop, maar niet erg interessant en zelfs geen twintig gulden waard.

Op weg naar de koffieautomaat leest ze de stukken door. Nummer één belandt alsnog in een prullenmand — leuk dat haar Zweedse collega het in Science heeft gekregen, maar het is inmiddels wel oud nieuws. Nummer twee gaat in een mapje — straks nog even doorklikken naar dat filmpje, om aan de nieuwe promovendus te laten zien.

Het is tien uur en voor Anja van Beylen kan de dag beginnen: het wetenschappelijke front is weer in kaart gebracht. Met het geruststellende gevoel weer bij te zijn, zet ze zich aan een tijdrovend experiment.

OOIT was het wetenschappelijke tijdschrift een mooie uitvinding. Het was de koninklijke weg waarlangs kennis verder kwam. Peer review, opbouwende kritiek van anonieme, invloedrijke collega’s, onderschepte pijnlijke fouten voor ze waren gedrukt. Degelijk zetwerk en glanzend papier gaven het werk een deftig aanzien, en in bibliotheken verspreid over de wereld werd het na lezing netjes geïndexeerd en opgeborgen.

Maar de wetenschap dijde uit, en specialiseerde zich. Tientallen jaargangen van duizenden tijdschriften staan te verstoffen in bedompte kelders, waarin je weken kunt dwalen voor iemand je vindt. Het grootste deel van de papierberg wordt nooit gelezen — het bewijst alleen nog maar dat iemand voor zijn salaris heeft gewerkt. Nog steeds verschijnen maandelijks nieuwe titels, in nieuwe vakgebieden, of oude waarin een uitgever nog kansen ruikt.

Het is dat Internet werd uitgevonden. Ware dat niet gebeurd, dan was de machine langzaam dichtgeslibd en vastgelopen. Anja van Beylen zou niet weten wat er in de gang boven haar gebeurde, laat staan aan de overzijde van de oceaan. Tenzij ze natuurlijk per week drie dagen in de bibliotheek verkeerde, en de hoop opgaf zelf nog ooit een zinvol experiment te doen.

Groteske verspilling van papier is nog niet eens het grootste punt. Miljoenen en miljoenen guldens gaan er heen met het rondsturen van al die vezels. Manuscripten, grafieken, tabellen en commentaren vliegen vele maanden heen en weer, per fax, per post of per koerier, tussen de volle bureaus van onderzoekers, redacties en oordelende collega’s.

Wanneer het tijdschrift eindelijk verschijnt, betalen onderzoekers voor werk dat door hen zelf en hun collega’s is verzet: voor peperdure abonnementen en overdrukjes — hun auteursrecht stonden ze al af door het artikel in te sturen. De opbrengst gaat naar zetters, drukkers en postbestellers. Deels ook naar wetenschappelijke verenigingen, die in te dure hoofdkantoren ruimte bieden aan een te ruim personeelsbestand. Maar vooral naar aandeelhouders van machtige uitgeverijen. Twee miljard gulden gleed er in 1997 door de handen van Elsevier Science, de grootste speler op het veld. Veertig procent ervan was winst — iets meer dan wat de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) dat jaar verdeelde. ‘Zeggen dat wetenschappelijke tijdschriften duur zijn, is net zoiets als zeggen dat tornado’s winderig zijn,’ grapte Ken Frazier, van de Amerikaanse Association of Research Libraries, vorig jaar in Science.

Ware Internet niet uitgevonden, dan had Anja van Beylen moeten toezien hoe haar bibliotheek elk jaar meer abonnementen opzegde.

MAAR Internet wérd uitgevonden, en de bom onder het papieren tijdschrift is gelegd. Hadden vijf jaar geleden nog ongeveer honderd tijdschriften een eenvoudige site op het World Wide Web, inmiddels zijn bijna alle wetenschappelijke bladen online. Sommige alleen met een inhoudsopgave, de meeste al met hun volledige inhoud en een doorzoekbaar archief. Sommige zijn gratis, de meeste eisen, zolang het nog kan, een abonnement op de papieren versie. Sommige staan op zichzelf, andere zijn via talloze hyperlinks opgenomen in netwerken van tientallen andere bladen.

Dat het papieren tijdschrift, vergeleken met Internet oneindig langzaam, duur en onhandig, zal verdwijnen, behoeft eigenlijk geen betoog. De duurste en minst gelezen titels gaan het eerst, de rest zal later volgen. Een wandeling naar de bibliotheek is straks niet meer nodig — als die bibliotheek er überhaupt nog is.

De vraag wat ervoor in de plaats komt, is moeilijker te beantwoorden.

Zijn onderzoekers straks uren bezig hun versnipperde literatuur op het net bij elkaar te zoeken? Of krijgen ze die ene website, die alles in onderlinge samenhang presenteert?

Zijn trage peer reviews ten dode opgeschreven en overwinnen snelle preprints — vluchtig gefilterde onderzoeksverslagen waarvan de inkt nauwelijks is opgedroogd? Of kan de wetenschap niet zonder stempels, en de autoriteiten om ze uit te delen?

Hoeveel, en hoe, betalen onderzoekers straks voor hun schriftelijke bronnen? Abonneren ze zich nog op één tijdschrift, of kopen ze ze met duizend tegelijk? Rekenen ze af per opgevraagd artikel, per omgaande afgeboekt van het eigen onderzoeksbudget? Of betalen ze straks voor het publiceren, en kost lezen niemand meer een cent? Stroomt de winst nog steeds naar de beleggers? Of maakt het virtuele tijdschrift korte metten met hun macht?

Elk van deze varianten wordt al wel ergens uitgeprobeerd. Maar of de wensen van onderzoekers bij al die experimenten voorop staan, is nog maar de vraag. Dat moest afgelopen jaar bijvoorbeeld ook Harold Varmus, tot 1 januari directeur van de Amerikaanse National Institutes of Health (NIH), ontdekken.

TOEN Varmus in maart zijn persoonlijke gewicht, en dat van miljarden subsidiedollars, achter een gewaagd voorstel stelde, ging er een schokje door de wetenschappelijke gemeenschap. Varmus’ plan: één website, waarop alle artikelen van bio-wetenschappers gratis zijn in te zien. Tegelijk moest de site voor biologen gaan doen wat het Californische Los Alamos National Laboratory sinds 1991 voor fysici doet: het samenbrengen van duizenden ongecontroleerde preprints, voorzover niet ‘irrelevant of schandelijk’ van inhoud. Onder fysici is de preprint-website (xxx.lanl.gov) inmiddels hét medium om bij te blijven. Die dynamiek kunnen ook biologen wel gebruiken, meende Varmus.

Het plan oogde als een revolutie, die machtige uitgeverijen opeens de wind uit de zeilen zou nemen.

Maar in de praktijk kwam er van Varmus’ plan weinig terecht. Binnen enkele maanden was het zo sterk verdund, dat in het eindresultaat het origineel nauwelijks meer valt te herkennen.

Veel meer dan fysici, moest Varmus ontdekken, hechten biowetenschappers aan peer review. Minder dan natuur- en sterrenkundigen zijn zij al gewend met tientallen collega’s aan een ongepubliceerd manuscript te werken. Levend onderzoeksmateriaal geeft bovendien meer valkuilen, zowel op het terrein van wetenschap als van de maatschappij: een fysicus die zich verslikt in een elementair deeltje, maakt zich hooguit belachelijk. Maar een biomedicus die ongefilterd stelt dat je van telefoneren kanker krijgt, om van genetisch gemodificeerde aardappelen nog maar te zwijgen, kan op vette krantenkoppen rekenen.

‘Directe publicatie van medisch onderzoek, zonder zorgvuldige peer review en daaruit voortkomende verbeteringen, zou de literatuur vervuilen met misleidende en onvoldoende gecontroleerde informatie,’ schreef oud-hoofdredacteur Arnold Relman van het prestigieuze New England Journal of Medicine in een gepeperd commentaar. Varmus’ plan, vreesde hij, zou het einde betekenen voor tijdschriften die wél een systeem van peer review blijven hanteren.

Mede onder druk van de European Molecular Biology Organisation en de Amerikaanse National Academy of Sciences moest Varmus zijn preprint-plannen inslikken. Wat overigens niet voorkwam dat anderen het stokje overnamen: in december begon het British Medical Journal haar eigen biomedische preprint-site NetPrint (clinmed.netprints.org), en de eveneens Britse Current Science Group, uitgever van o.a. Current Opinions, heeft aangekondigd in mei te starten met BioMed Central (www.biomedcentral.com). Onderzoekers die hun manuscripten zonder peer review verspreiden, vergooien daarmee kansen om in een écht tijdschrift te staan: niet meer dan vijfentwintig bladen accepteren reeds geopenbaarde manuscripten. Misschien dat inzenders daarom nog niet staan te dringen: in de eerste maand kreeg NetPrint welgeteld negen manuscripten toegestuurd.

Maar ook om minder principiële redenen verdween Varmus’ plan grotendeels in de prullenbak. Dat commerciële uitgevers, zoals Elsevier, Kluwer en John Wiley, voor deze aanval op hun positie niet applaudisseerden, was te verwachten. Maar ook grote wetenschappelijke verenigingen, zoals de American Chemical Society en de American Physiological Society, gaven hun melkkoeien niet graag op. De uitgave van soms tientallen tijdschriften vormt hun belangrijkste inkomstenbron, en de inhoud van recente edities weggeven op Internet zou gelijk staan aan financiële zelfmoord.

Wat overbleef is een wel heel slappe bouillon van wat ooit werd gezien als een revolutie: op PubMed, de website van het National Center for Biotechnology Information (www.ncbi.nlm.nih.gov), zijn binnenkort ook oude jaargangen van de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) en Molecular Biology of the Cell gratis in te zien.

Ondanks eerdere aankondigingen was PubMed Central, zoals de nieuwe website is gedoopt, niet in de lucht bij het ter perse gaan van deze Hypothese. De op 1 januari bij NIH vertrokken Varmus hoeft dus niet mee te maken hoe zijn trompetterende olifant publiekelijk verschrompelt tot een muis die opgetogen piept: ‘Wat stampen we lekker, hè?’

Want Varmus’ was met zijn plan natuurlijk niet alleen. Steeds meer uitgevers komen met websites die, tegen betaling, toegang bieden tot hun eigen collecties van tijdschriften. Stuk voor stuk proberen ze een zo groot mogelijk deel van de nieuwe markt te veroveren.

Het verst gevorderd is Highwire Press (intl.highwire.org), onderdeel van Stanford University Press, dat inmiddels 169 bladen bijeen bracht, waaronder grote jongens als Science en PNAS. Dankzij slimme programmatuur kunnen onderzoekers binnen deze nog kleine familie van tijdschriften elke referentie of citatie volgen. En mits alle afzonderlijke contributies zijn betaald, kan elk artikel natuurlijk volledig worden opgevraagd.

Natuurlijk doet ook grootmacht Elsevier van zich spreken met een eigen overkoepelende website: ScienceDirect (www.sciencedirect.com), dat voor veel geld de volledige inhoud van Elseviers 1100 tijdschriften bevat — met als bonus de samenvattingen van duizenden artikelen uit andere bron.

Om het nog ingewikkelder te maken, grijpt nog een ander type website om zich heen: de virtual community, die probeert onderzoekers op één terrein alles te geven dat hun hart begeert — waaronder wetenschappelijke literatuur.

Het commerciële Medscape bijvoorbeeld (www.medscape.com), geeft medici wetenschappelijk nieuws, congres-aankondigingen en vragenlijsten om zich online bij te scholen; het biedt hen gratis e-mail, een dagelijkse mop en de kans hun aandelenportefeuille te beheren. Maar sinds april heeft de website ook wetenschappelijke aspiraties: onder leiding van George Lundberg, oud-hoofdredacteur van de Journal of the American Medical Association, is een systeem van peer review opgezet dat zorgt voor een gestage stroom artikelen.

Ook elders in de natuurwetenschappen zijn zulke experimenten gaande: Elsevier, bijvoorbeeld, lokt chemici in het eigen ChemWeb (www.chemweb.com), en probeert biologen en medici via BioMedNet (www.biomednet.com) elke dag even de tent van de uitgever binnen te lokken. Het Institute of Physics, uitgever van 34 tijdschriften, startte het PhysicsWeb (www.physicsweb.org), waarin natuurkundigen met die fraaie collectie kunnen kennismaken.

MET dit ratjetoe van oude en nieuwe initiatieven lijkt de droom van onderzoekers als Varmus en Anja van Beylen niet snel dichterbij te komen. De komst van Internet maakt weliswaar een eind aan een verpletterende hoeveelheid papier, maar daarmee behoren versnippering en hoge rekeningen nog niet tot het verleden. Het wetenschappelijke tijdschrift mag dan op het punt staan te verdwijnen, het alles omvattende, voor ieder toegankelijke Journal of Science blijft nog even een illusie.

Related Posts