Menu Close

Een openbare bieb voor onderzoekers

Met de lancering van PLoS Biology, een prominent maar desondanks gratis toegankelijk wetenschappelijk tijdschrift, proberen Amerikaanse onderzoekers de ijzeren greep van uitgevers op de wetenschappelijke literatuur te breken.

In het kleine kantoortje, op de begane grond van een gerestaureerd pakhuis in een voormalige haven in San Francisco, lijkt het of de dot-com-zeepbel nooit is gesprongen. Wéér probeert een clubje jonge enthousiastelingen, met hulp van het Internet, een gevestigde miljarden-industrie van zijn voetstuk te duwen. En weer is het een groot vraagteken of dat zal lukken.

De Public Library of Science, heet het initiatief waarmee drie prominente Amerikaanse onderzoekers, onder wie Nobelprijswinnaar Harold Varmus, een revolutie in de publicatie van wetenschappelijke informatie hopen te ontketenen. Want resultaten van wetenschappelijk onderzoek, vinden zij, zouden vrij toegankelijk moeten zijn voor iedereen, in plaats van opgeborgen te blijven achter dure abonnementen die vooral de beurzen spekken van rijke uitgeverijen en op te grote voet levende wetenschappelijke genootschappen. Bovendien wordt onderzoek grotendeels van belastinggeld betaald, dus is het niet meer dan logisch dat het publiek de resultaten in kan zien. PLoS, zoals de beoogde revolutie kortheidshalve wordt genoemd, is niet de eerste poging de macht van bladen van gevestigde uitgevers te breken. Maar volgens de initiatiefnemers zal het voorlopig wel de laatste zijn. `Als wij falen, dan is het niet door een gebrek aan geld, aan wetenschappelijk prestige of technische mogelijkheden,’ waarschuwt bioloog en mede-oprichter Michael Eisen. `Als dit mislukt, dan is dat omdat collega-wetenschappers ons onvoldoende hebben gesteund.’

Monopolies

Ooit was het gedrukte woord het ideale medium om wetenschappelijke informatie te verspreiden, legt de rap pratende, in korte broek door het PLoS-kantoor benende Eisen uit. Toen onderzoekers hun resultaten in boeken en tijdschriften konden publiceren, en via hun bibliotheken vernamen over elkaars werk, werd de wetenschap tot ongekende hoogten opgestuwd.

Omgekeerd blies een groeiend wetenschapsbedrijf meer en meer wind in de zeilen van uitgeverijen wier gespecialiseerde afzetmarkten steeds meer op monopolies begonnen te lijken. Jaarlijks, schat Eisen, spenderen onderzoekers via hun werkgevers negen miljard dollar aan abonnementen. Elk gepubliceerd artikel levert uitgevers gemiddeld negenduizend dollar op — ook al doen wetenschappers zelf het belangrijkste selectie- en redactiewerk, en dat meestal voor niks. Het is geen wonder dat wetenschappelijke uitgeverijen, zoals van oorsprong Nederlandse giganten als Reed-Elsevier en Wolters-Kluwer — in de jaren negentig tot de lieverdjes van de aandelenbeurs behoorden.

Uitgevers ontkennen niet dat wetenschappelijke tijdschriften comfortabele winstmarges hebben opgeleverd. Maar een flink deel van die winsten, zegt een woordvoerder van Elsevier, is geherinvesteerd in technologie die het komende generaties onderzoekers gemakkelijker zal maken wetenschappelijke informatie te vinden: zo zijn oude papieren jaargangen gedigitaliseerd en via miljoenen elektronische koppelingen met elkaar verbonden. En dankzij overeenkomsten met bijvoorbeeld de Verenigde Naties, krijgen ook onderzoekers in ontwikkelingslanden toegang tot die schatkamers.

Hoe dan ook, aan alle moois komt ooit een eind: nu elektronen in veel opzichten de taak van inktdruppels hebben overgenomen, en het centraal bedrukken en verspreiden van papier niet echt meer nodig is, staan traditionele uitgeverijen volgens Eisen de wetenschappelijke vooruitgang in de weg. Abonnementen, voor de uitgevers een cruciale inkomstenbron, dicteren dat informatie voor niet-abonnees wordt afgeschermd, ook al zou het in principe voor niets elektronisch zijn te bekijken. Wie als gewone burger of armlastig onderzoeker verslagen van wetenschappelijk onderzoek zoekt, stuit op muren die alleen met peperdure wachtwoorden te nemen zijn.

“Als u God was, en u zou vandaag een wetenschappelijk publicatiemodel opzetten, dan zou u onderzoekers laten betalen voor het redigeren van hun verslag en daarna iedereen vrij toegang geven,” zegt Eisen. “Het probleem is, dat we van het bestaande model moeten omschakelen naar het ideale model.”

Tweede poging

De Public Library of Science is de tweede poging van Nobelprijswinnaar Varmus om de deuren naar vooral de biomedische literatuur open te breken. In 2000 verzamelde hij al de handtekeningen van dertigduizend collega-onderzoekers onder een petitie om tijdschrift-uitgevers te vermurwen hun archieven via een publieke website, Pubmed Central, open te stellen.

Ruim zeventig bladen gaven gehoor aan de oproep — maar bijna alle toonaangevende bladen, zoals Science, Nature en Cell, lieten de beker voorbij gaan. “We hebben het wel overwogen,” zegt Science-hoofdredacteur Donald Kennedy vanaf zijn tweede werkplek aan de universiteit van Stanford, “maar we concludeerden dat zo’n bedrijfsmodel voor ons nu niet werkt. Iemand moet toch betalen voor wat we doen. We hebben journalisten die nieuwsverhalen schrijven en 24 redacteuren die wetenschappelijke manuscripten verwerken. Het idee om auteurs daarvoor te laten betalen is interessant, maar komt uiteindelijk toch neer op een soort subsidiëring door onderzoeksfondsen.”

Niet alleen uitgevers, ook onderzoekers lieten Varmus in zijn hemd staan. Omdat hun carrière afhankelijk is van publicatie in topbladen, bleven ze hun manuscripten toch opsturen naar gesloten tijdschriften, níet naar de veelal minder meetellende open tijdschriften.

Dat Varmus’ actie mislukte, verbaasde Kennedy niet. “Laten we zeggen dat het politiek niet erg slim was om het overleg te beginnen met een oproep tot boycot,” zegt hij. “Maar het pleit voor de initiatiefnemers dat ze daar zelf ook snel achter kwamen.”””

Eisen zelf zegt uit de mislukking andere lessen te hebben getrokken. “Eén: uitgevers zullen niet het voortouw nemen. Twee: uitgevers hebben de wetenschap in hun greep. Wij onderzoekers hebben onszelf volkomen afhankelijk van hen gemaakt: van sollicitaties tot en met de verdeling van miljoenensubsidies, alles wordt bepaald door de manier waarop uitgevers ons werk nu publiceren. In Europa en Azië geldt dat nog sterker dan in de Verenigde Staten. Wetenschappers verafschuwen het, maar feit is dat de geldstroom volledig wordt bepaald door artikelen in een beperkt aantal invloedrijke bladen.”

De omwenteling, concludeerden Varmus, Eisen en collega-bioloog Patrick Brown, komt alleen als onderzoekers zélf een top-tijdschrift in het leven roepen dat wél voor iedereen toegankelijk is. En dat is wat ze, geholpen met negen miljoen dollar startsubsidie van enkele rijke Amerikaanse particulieren, hebben gedaan.

Volgende week verschijnt op Internet-website ‘www.plos.org’ het eerste nummer van PLoS Biology. Begin 2004 volgt, als alles goed gaat, PLoS Medicine. De tijdschriften, samengesteld door redacteuren die hun sporen verdienden bij top-tijdschriften als Cell en Nature, moeten gaan concurreren met de beste bladen in het veld. Alle artikelen zullen vrij te lezen zijn — níet ‘gratis’, verklaart Eisen de zorgvuldige woordkeuze, ‘omdat de meeste mensen denken dat gratis dingen slecht zijn.’ De artikelen hebben ook wel degelijk geld gekost, al zijn in dit geval de kosten opgebracht door de auteurs: per artikel moeten zij 1.500 dollar in hun eigen subsidiepot vinden.

Dat revoluties zelden vanzelf gaan, hebben de initiatiefnemers inmiddels mogen ontdekken: ondanks de klinkende reputaties van initiatiefnemers en redactieleden stroomde de brievenbus voor het eerste nummer van PLoS Biology niet over met manuscripten van topkwaliteit. Uit zo’n 25 inzendingen konden negen artikelen worden geselecteerd die volgens de redactie aan de kwaliteitsvereisten voldeden — en dat is minder dan de vijftien waarop eigenlijk was gehoopt.

Eisen verhult dan ook niet dat hij in sommige opzichten is teleurgesteld. Subsidieverstrekkers reageren nog terughoudend op verzoeken hun kwaliteitsoordelen minder te baseren op artikelen in gevestigde bladen; maar ook onder wetenschappers blijft de gehoopte buzz nog uit. “In mijn wildste dromen bonsden mensen hier op de deuren om hun werk in PLoS Biology te mogen publiceren,’ erkent Eisen. “Maar dat gebeurde niet. Het blijkt moeilijk om mensen over te halen hun manuscripten op te sturen naar een tijdschrift dat nog niet bestaat. Het is ook erg frustrerend om soms drie, vier uur aan de telefoon te hangen met bevriende wetenschappers, die ik hoog acht, die zeggen ons te steunen, maar die hun manuscript tóch naar een ander blad opsturen, soms op verzoek van hun mede-auteurs. Natuurlijk begrijp ik het wel: elk artikel kan de carrière van een onderzoeker maken of breken, zeker als ze nog jong zijn. Iedereen heeft beurzen nodig, dus iedereen ziet liever anderen de gok wagen en zijn eigen artikel verschijnen in een bestaand top-blad. Persoonlijk denk ik dat de angst niet helemaal terecht is, want goed onderzoek wordt altijd opgemerkt, waar het ook verschijnt. Maar het is héél moeilijk om deze cirkel te doorbreken.”

Toch houden de initiatiefnemers en redacteuren van de PLoS-bladen goede moed. De eerste drie jaar is hun bestaan, dankzij een royale startsubsidie, gegarandeerd. Dus hebben ze nog even tijd om de wetenschappelijke wereld op te porren met e-mail-campagnes, met reclameposters waarin beroemdheden als DNA-ontdekker James Watson hun steun uitspreken en met, in de VS, zelfs een heuse tv-reclamespot.

Volgens Science-hoofdredacteur Kennedy moeten de moeilijkste momenten voor PLoS echter nog komen: dat breekt in zijn ogen namelijk aan wanneer ze zo veel succes hebben als ze zelf hopen. “Hun probleem ontstaat pas wanneer ze, net als wij, uit grote aantallen manuscripten de beste moeten selecteren. Hoe beter het blad, des te moeilijker het zal worden de rekening te laten betalen door de auteurs die door de selectie komen.”

Kennedy, wiens blad wordt uitgegeven door een wetenschappelijke vereniging die zegt vooral het belang van de (Amerikaanse) wetenschap na te streven, wenst zijn nieuwe concurrenten echter geen ongeluk. “De markt van wetenschappelijk publiceren is in ontwikkeling. Uiteindelijk moeten we allemaal in de richting van nieuwe modellen, al kan ik u momenteel niet vertellen welke. Ik betwijfel alleen of dat het model van open access zal zijn.”

Ook commerciële uitgevers zeggen de nieuwkomer ‘met belangstelling’ gade te slaan. “Elsevier verwelkomt experimenten en staat open voor competitie,’ aldus de woordvoerder, “maar denkt niet dat het bestaande abonnementen-model moet worden verlaten voordat is bewezen dat een ander model werkt.’

Die onzekerheid over de toekomst is deel van de lol, meent PLoS-redacteur Barbara Cohen, voormalig hoofdredacteur van Nature Genetics. “Zal PLoS uitgroeien tot een grote uitgever? Of juist heel klein blijven? Wat gebeurt er als straks alle artikelen online te lezen zijn? Ik heb er af en toe slapeloze nachten van.”

Ook collega-redacteur Hemai Parthasarathy gaf een uitstekende baan bij Nature op om zich in het ongewisse PLoS-avontuur te storten. Maar ze heeft alle vertrouwen in de goede afloop. Enigszins opgewonden vertelt ze dat ze de nacht ervoor heeft geslapen in een appartement zonder meubels. “Ik heb het huis net gekocht. Mijn eerste.”