Menu Close

Cannabis als redder van de akkerbouw

De traditionele akkerbouwprodukten in ons land zijn nodig aan uitbreiding toe. Een goede kanshebber is cannabis, nu nog gebruikt vanwege de geestverruimende werking. Onderzoek moet uitwijzen of de plant in Nederland succesvol verbouwd kan worden, en of de hennepvezel kan concurreren met hout als grondstof voor papier.

ALS DE in tractoren rondrijdende boeren enkele weken geleden een ding duidelijk hebben gemaakt is het wel dat de akkerbouw in Nederland in de problemen zit. De klassieke producten van hun noeste landarbeid – aardappelen, bieten en graden – worden in zulke grote hoeveelheden op de markt gebracht dat de prijs kunstmatig op peil moet worden gehouden. De uitwijkmogelijkheden naar andere producten zijn echter gering, mede om akkerbouw-technische redenen: het gewas op een akker moet regelmatig wisselen om de overlevingskans van ziekteverwekkers in de grond, zoals aaltjes, klein te maken. Wanneer zoals in Nederland een gewas vaak na een paar jaar al op dezelfde akker staat, zijn hardnekkige ziekten moeilijk te beheersen.

Het waren deze overwegingen die de behoefte aan een ‘vierde gewas’ in brede kring deden voelen. Dat nieuwe gewas zou de ‘rotatiesnelheid’ van de akkers moeten verlagen en nieuwe afzetmarkten voor de akkerbouw aanboren. Daarbij heeft het geen zin de toch al overvolle consumptie-markt nog verder te overspoelen. Het nieuwe product moet dus industriële toepassingen krijgen. Gedacht wordt dan aan planten waarmee vezels, olie-achtige stoffen of eiwit dan wel zetmeel geproduceerd kan worden.

Na oriënterende studies heeft de overheid dit jaar onderzoekprogramma’s gelanceerd naar onder andere de mogelijkheden voor de teelt van karwij (voor ‘etherische oliën’ in geur- en smaakstoffen) en hennep. Met het laatste gewas probeert Nederland niet ‘s werelds grootste hasj-producent te worden, maar wel om naaldhout te vervangen door plantevezels als grondstof voor papier.

Koffieshops

Een van de instituten die zich buigen over de kansen voor cannabis – de Latijnse naam voor hennep – in de Nederlandse akkerbouw is het Centrum voor Plantenveredelings-onderzoek (CPO) in Wageningen. Al enkele jaren is Etienne de Meyer daar bezig zoveel mogelijk Cannabis-varianten van over de hele wereld te verzamelen. Op dit moment telt de verzameling al zo’n 140 verschillende rassen, en dat aantal kan nog wel oplopen tot 200. Bij het zoeken van al die varianten heeft de onderzoeker ook de koffieshops in het ‘illegale circuit’ niet overgeslagen. Stuk voor stuk worden de rassen onderzocht op kenmerken die straks zullen bepalen of het gewas succesvol kan worden op Nederlandse akkers.

Een van die eigenschappen is een zo laag mogelijk gehalte aan de geestverruimende stof tetrahydrocannabinol, oftewel THC. Het is immers niet de bedoeling dat Amerikaanse vliegtuigen in hun kruistocht tegen drugs straks Nederlandse akkers met gif komen besproeien. Nu al is voor het verbouwen van cannabis in de open lucht een speciale ontheffing van de opiumwet vereist. Die wordt bijvoorbeeld verleend aan plantenveredelaars die de hoge hennep-planten gebruiken als ‘windscherm’, dat voorkomt dat planten uit afzonderlijke veldjes elkaar via de lucht bestuiven.

Voor de uiteindelijke papierfabrikage mogen de gewonnen vezels bovendien niet te lang en niet te kort zijn — liefst zijn ze zoveel mogelijk van gelijke lengte. Daarnaast zal de plant aan nog een hele rij andere, vaak typisch landbouwkundige eisen moeten voldoen.

Zo moeten mannetjesplanten uiterlijk meer gaan lijken op vrouwelijke planten, om het bewerken en oogsten van het gewas te vergemakkelijken. Het moment waarop de plant in bloei gaat staan moet zo laat mogelijk in het seizoen vallen, omdat op dat moment meestal ook de groei van de stengel tot staan komt. De plant moet zoveel mogelijk voedingsstoffen aanwenden voor de bouw van stengelweefsel, en niet van bladeren, zijtakken of wortels. De planten mogen niet gaan platliggen bij de eerste de beste hagelbui, en moeten ongevoelig zijn tegen de lastigste ziekteverwekkers, vooral het al genoemde aaltje.

De stengel moet vooral ook niet te veel ‘houtstof’ bevatten, dat de vezels bijeenhoudt. Daardoor kunnen die vezels later niet alleen gemakkelijker gewonnen worden, maar hoeven ook minder schadelijke chemicaliën gebruikt te worden om de houtstof tijdens de papierfabricage te verwijderen. Houtstof is er de oorzaak van dat deze krant na een paar weken is vergeeld, een proces dat bij de meeste papiersoorten niet wenselijk wordt gevonden.

De afzonderlijke planten moeten dicht op elkaar kunnen staan, en mogen maar weinig ‘parenchym’-cellen bevatten, omdat dat sponsachtige weefsel hinderlijk is bij het drogen van de latere vezelpulp.

Genenbank

De strategie van onderzoeker De Meyer is voorlopig eenvoudig, maar zijn werk daarom niet minder omvangrijk. Van alle Cannabis-rassen die in de vorm van zaden in zijn ‘genenbank’ zijn opgeslagen, stelt hij vast hoe ze scoren op alle genoemde kenmerken.

Soms blijken daarbij grote verschillen te bestaan: zo wordt in kleine, verwilderde rassen uit Oost-Europa nauwelijks THC aangetroffen, in tegenstelling tot de in Amsterdamse koffieshops populaire indica-rassen uit China of Afghanistan, die tot wel 35 keer zo veel van de populaire soft-drug bevatten. Ook de lengte van de stengels loopt enorm uiteen. De Oosteuropese typen groeien amper hoger dan een halve meter; andere rassen reiken wel twee en een halve meter de lucht in. Vooral typen uit zuidelijke streken scoren daarbij hoog, omdat die in het sombere Nederland pas heel laat tot bloei komen. Dat is dan ook de reden dat De Meyer nog naarstig op zoek is naar typen afkomstig uit streken rond de evenaar.

Grote verschillen tussen afzonderlijke rassen betekenen meer kans voor kruisingsprogramma’s, waarmee uiteindelijk zal worden geprobeerd een ideaal ‘Nederweed’ te kweken: een cannabis-variant die geschikt is als Nederlands akkerbouwgewas.

Veel minder hoopvol is de situatie bij kenmerken waarbij maar weinig variatie bestaat. Zo blijken de veel te korte houtvezels binnenin de stengel, evenals de juist veel te lange bastvezels aan de rand, in bijna alle typen voor te komen. Als dat probleem niet wordt opgelost, moet straks het productieproces van het papier worden aangepast, of zal men op zoek moeten naar andere afzetmarkten.

De afhankelijkheid van die industriële afzetmarkten maakt de ontwikkeling van het nieuwe gewas tot een riskante onderneming. Als ondernemers weinig vertrouwen in de nieuwe grondstof blijken te hebben, en nalaten grote verwerkingsfabrieken te bouwen, zal hennep weinig kans maken.

De ministeries van landbouw en economische zaken laten daarom weinig aan het toeval over. Naast het verzamelen en bekijken van cannabis-rassen zijn begin dit jaar onderzoeksprogramma’s gestart naar alles wat bij de introductie van een nieuw gewas maar belangrijk kan zijn: van veredeling, gewasfysiologie (worden de voedingsstoffen optimaal benut), teelt (hoe dicht moet gezaaid worden, wat is de beste bemesting), mechanisatie (welke machines zijn nodig bij het zaaien en oogsten), opslag (bijvoorbeeld door ‘inkuilen’) tot en met de machines die nodig zijn om de vezels tot papier te verwerken.

Over vier jaar zullen de uitkomsten worden bekeken, en zal besloten worden of de overheid zelf de bouw van een proef-papierfabriek ter hand zal nemen om twijfelende ondernemers over de streep te trekken. Mocht hennep inderdaad tot potentieel landbouwgewas worden uitgeroepen, dan zullen rond het eind van de jaren negentig de eerste hennepvelden op de Nederlandse akkers kunnen staan.

Related Posts