In verschillende Amerikaanse staten zijn wetten in behandeling die leraren verplichten ‘bewijzen tegen de evolutie’ aan hun leerlingen te presenteren.
Amerikaanse biologieleraren voelen zich bedreigd, nu orthodoxe christenen met succes het onderwijs in evolutie trachten te beperken. Wetenschappers spreken hun afschuw uit, maar vinden bij een groot deel van het publiek geen willig oor.
IN DE Amerikaanse staat Alabama oogt een biologieboek dezer dagen even gevaarlijk als een pakje sigaretten. Op de voorkant prijkt een sticker, met daarop een ernstige waarschuwing: ‘Dit leerboek bespreekt de evolutie, een controversiële theorie die door sommige wetenschappers wordt gepresenteerd als een verklaring voor de oorsprong van levende organismen, zoals planten, dieren en mensen. Niemand was erbij toen het leven op aarde verscheen. Daarom moet elke uitspraak over de oorsprong van het leven worden beschouwd als theorie, niet als een feit.’
De waarschuwing vloeit voort uit een wet die de zuidelijke staat in 1995 introduceerde. Het is maar één van de vele manieren waarop orthodoxe christenen, met name in het zuiden en midden van de VS, erin slagen het onderwijs in evolutie terug te dringen. Terwijl elders, waaronder in Nederland, de evolutietheorie definitief uit de schuilkelders naar buiten komt, lijken de Verenigde Staten zich in omgekeerde richting te bewegen.
Vorige week vierden ‘creationisten’, zoals de voorvechters van een letterlijke interpretatie van het bijbelse scheppingsverhaal zich noemen, hun meest recente overwinning: de democratisch gekozen Onderwijsraad van de staat Kansas schrapte, met zes tegen vier stemmen, elke verwijzing naar de evolutie en de ‘Big Bang’ uit het verplichte programma van middelbare scholieren.
De creationisten vinden dat theorieën over de oorsprong van het universum en het leven zich moeten baseren op het bijbelboek Genesis. Hoewel zij inmiddels erkennen dat mutatie en natuurlijke selectie op beperkte schaal bestaan, wijzen ze de ‘atheïstische’ gedachte af dat de planeet en zijn bewoners, inclusief de mens, door toeval en selectie zijn ontstaan. De aarde, menen zij, is ongeveer tienduizend jaar oud; aardlagen ontstonden tijdens een turbulente zondvloed, vijfduizend jaar geleden, die alleen Noach en zijn scheepsgenoten overleefden. God schiep alle leven -misschien niet elke soort afzonderlijk, maar dan toch wel elke familie of elk geslacht.
Biologieleraren in Kansas voelen de bui al hangen, omdat het besluit hen berooft van een belangrijk verweer tegen orthodoxe ouders: nu het centrale eindexamen niet meer naar evolutie zal vragen, vervalt het hardste argument om hun kinderen ermee te confronteren.
Wetenschappers reageerden verbijsterd. ‘Vaderlandslievende Amerikanen zouden ineen moeten krimpen van schaamte, nu aan de vooravond van een nieuw, technologisch millennium een van de grootste triomfen van menselijke ontdekkingen wordt onderdrukt,’ schreef paleontoloog Stephen Jay Gould deze week in Time Magazine.
Het probleem is, dat vaderlandslievende Amerikanen de evolutietheorie minder hoog in het vaandel hebben dan Gould zou willen. Volgens opiniepeilingen deelt ongeveer 45 procent van de Amerikanen het creationistische wereldbeeld; 68 procent vindt dat evolutie en creationisme naast elkaar in de biologieles aan de orde moeten komen.
MENIG biologieleraar bezwijkt onder deze druk, die via mondige leerlingen doordringt tot in het klaslokaal: in een conservatieve staat als Louisiana probeert een kwart van de leraren nu al met een wijde boog om de evolutietheorie heen te lopen. Niet iedereen is zo heldhaftig als de jonge John Scopes, die in 1925 een nieuwe wet in de staat Tennessee overtrad door te onderwijzen dat mensen afstammen van apen. In de beroemd geworden Monkey Trial werd Scopes veroordeeld tot een boete van honderd dollar. Het duurde tot 1968 voor het Amerikaanse hooggerechtshof wetten als deze nietig verklaarde.
Tegenstanders van de evolutietheorie waren echter niet voor een gat te vangen. Zij vonden academisch geschoolde medestanders, die onderdelen van de evolutietheorie met ogenschijnlijk wetenschappelijke methoden en terminologie begonnen te bestoken. Daarmee riepen ze de illusie op van evolutie als een wankelende hypothese. Ze noemden zich `scheppingswetenschappers’, en pleitten voor een volwaardige plaats van hun ‘alternatieve theorie’ in de biologieles. Met succes, leek het: verscheidene staten namen nieuwe wetten aan, die biologieleraren verplichtten even veel tijd aan `scheppingswetenschap’ als aan ‘evolutiewetenschap’ te besteden.
In 1987 viel echter ook deze strategie in duigen. Het Amerikaanse hooggerechtshof concludeerde dat ‘scheppingswetenschap’ geen wetenschap is, maar religie, en dus niet op openbare scholen mag worden verkondigd.
Even was het daarna rustig, maar de laatste jaren laait de strijd weer op. Om juridische obstakels te omzeilen, wordt de schepping niet gepropageerd, maar slechts de evolutietheorie in discrediet gebracht. Nadat Alabama in 1995 de waarschuwingssticker gebood, kon een jaar later in Arkansas een verbod op het doceren van ‘evolutie als een feit’ ternauwernood worden voorkomen. In 1997 scheelde het een haar of in Texas, de op een na grootste staat, had de Onderwijsraad alle biologieboeken laten vervangen ‘door exemplaren waaruit de evolutietheorie was weggelaten. Staten als Arizona, Illinois, New Mexico, Nebraska, Ohio, Washington en New Hampshire kenden gelijksoortige pogingen, met wisselend succes. In Georgia, Ohio en Mississippi zijn wetten in behandeling die leraren verplichten ‘bewijzen tegen de evolutie’ aan hun leerlingen te presenteren. “Het gebeurt overal, “riep de hoofdredacteur van een tijdschrift voor biologieleraren deze week vertwijfeld uit, “en de creationisten zijn aan de winnende hand.”
Wetenschappers proberen de schade te beperken. De Nationale Academie van Wetenschappen bracht vorig jaar een dik handboek uit, met tientallen voorgekookte antwoorden op lastige vragen van orthodoxe leerlingen. De Academie stelde nogmaals vast dat ‘evolutie het centrale, organiserend principe is dat biologen gebruiken om de wereld te begrijpen,’ dat over de grote lijn van de evolutietheorie in de wetenschap geen verschil van mening bestaat, en dat ‘de beweringen van scheppingswetenschappers experimenteel bewijs missen en niet zinvol te controleren zijn.’
Maar veel gewone Amerikanen zijn voor die boodschap niet echt gevoelig, maken de ontwikkelingen in Kansas duidelijk. Volgens de Amerikaanse unie van Geofysici, die zowel astronomen als geologen verenigt, is de tijd daarom voorbij dat onderzoekers vanaf de zijlijn hun afschuw kenbaar kunnen maken. “Creationisten wonnen in Kansas,” stelde unie-voorzitter Fred Spilhaus, “omdat ze zich verkiesbaar stelden voor plaatsen in lokale onderwijsraden. Wetenschappers zullen hetzelfde moeten doen, om te voorkomen dat het onderwijs, maar uiteindelijk ook de wetenschap zelf het slachtoffer wordt.”
Ook in ons land wordt de evolutietheorie overigens nog niet centraal getoetst, omdat de Nederlandse Onderwijsraad de materie daarvoor lange tijd te ‘gevoelig’ vond. Orthodox-christelijke scholen moeten het wel onderwijzen, maar óf en hóe ze dat doen, wordt niet gecontroleerd. Pas volgend jaar, bij het eerste eindexamen van de nieuwe Tweede Fase, zullen Havo-leerlingen in hun centrale eindexamen met de evolutietheorie worden geconfronteerd. Een jaar later, in 2001, volgt het VWO. Pas dan zullen we zeker weten of ook vaderlandslievende Nederlanders zich diep moeten gaan schamen.
