Menu Close

On the origin of Intelligent Design

Een strikte scheiding tussen kerk en staat maakte een eind aan pogingen van Amerikaanse christenen het evolutie-onderwijs te bemoeilijken. Een nieuwe, in naam a-religieuze beweging probeert het opnieuw. Hoe ‘intelligent design’ de Amerikaanse grondwet probeert te omzeilen, maar ook Nederland niet onberoerd laat.

In niet mis te verstane termen maakte het Amerikaanse hooggerechtshof in 1987 een einde aan de al tientallen jaren durende titanenstrijd.

Tal van Amerikaanse scholen gebruikten inmiddels leerboekjes waarin de evolutietheorie van Darwin met ogenschijnlijk gelijkwaardige ‘scheppingswetenschap’ werd gepareerd. In sommige staten was het biologieleraren zelfs bij wet verboden over evolutie te praten als ze niet minstens zoveel tijd besteedden aan de scheppingsleer. Maar al die wetten verdwenen in één klap in de prullenbak. Ze overschreden, zo oordeelde het Supreme Court, de grondwettelijke scheidslijn tussen kerk en staat. De Amerikaanse Grondwet, schreef rechter William Brennan, verbiedt de overheid niet alleen een bepaalde religie te bevorderen, maar ook om een theorie tegen te werken die door bepaalde religieuze stromingen in strijd met hun opvattingen wordt gezien.

Amerika was een eind gekomen sinds de beroemde Monkey Trial, waarin biologieleraar John Scopes in 1925 onder massale belangstelling werd berecht voor het illegaal onderwijzen dat de mens was geëvolueerd uit lagere diersoorten. Veertig jaar na die rechtszaak, in 1968, waren zulke Monkey laws al in strijd met de grondwet verklaard. En hoewel in 1987 nog steeds 45 procent van de Amerikanen letterlijk geloofde in het Genesis-scheppingsverhaal, ontnamen de opperrechters gelovige kiezers in 1987 definitief de mogelijkheid om creationistische overtuigingen bij wet te introduceren in het biologielokaal.

Het leek de nekslag voor de creationistische beweging in de Verenigde Staten. Maar, om vrij naar Asterix en Obelix te spreken, niet héél Amerika was ontzet; een kleine groep anti-evolutionairen blijft weerstand bieden, en maakt het leven van biologen in de verre omtrek bepaald niet gemakkelijk. Hun toverwoord is ‘intelligent design’, een begrip dermate vaag dat het ze in debatten onoverwinnelijk lijkt te maken. Een begrip bovendien waaraan God zo ver is onttrokken, dat ook de Grondwet er wellicht geen vat meer op heeft.

Bijna twintig jaar na de historische uitspraak ligt het evolutie-onderwijs in de Verenigde Staten wederom onder vuur. Het zal nog jaren duren voor Amerikaanse opperrechters zullen beoordelen of ‘intelligent design’ (ID) toch óók religie is, en daarom in de biologie niet thuishoort. Maar nu al is duidelijk dat de term ver buiten Amerika verwarring kan stichten over de grenzen tussen religie, wetenschap en staat.

Deze week neemt de Nederlandse onderwijsminister Maria van der Hoeven (CDA) een boek over ‘ontwerp’ in ontvangst uit handen van auteurs die al jaren laten zien ID een warm hart toe te dragen. En in de Tweede Kamer zei de minister een ‘academisch debat’ erover te willen stimuleren teneinde ‘verbindingen te scheppen [tussen islam, jodendom [en christendom.’

* * *

De kiem van Intelligent Design wordt geplant in het jaar dat het Amerikaanse hooggerechtshof zijn historische uitspraak deed. Phillip Johnson, een wedergeboren Presbyteriaanse rechtsgeleerde in het Californische Berkeley, neemt een sabbatical in Londen. Een jaar lang verdiept hij zich in de evolutietheorie, en komt naar eigen zeggen veel stoplappen en cirkelredeneringen tegen. Het leidt uiteindelijk tot zijn in 1991 boek Darwin on Trial.

Het blijft niet bij een boek. Met enkele medestanders formuleert Johnson een gedurfde lange-termijn-strategie om Darwin van zijn troon te stoten. The Wedge, heet de strategie – De Wig. Kort samengevat: door een wig te drijven in de kieren tussen harde feiten en speculaties in de evolutietheorie, kan de wetenschap weer worden losgemaakt van materialistische wereldvisies. Zijn juridische achtergrond moet Johnson hebben geholpen bij het vinden van een term die strikt genomen niet verwijst naar God. De levende natuur, vond Johnson, droeg sporen van ‘intelligent design’.

De wig-strategie leidde in 1996 tot de oprichting van het ‘Centrum voor de vernieuwing van wetenschap en cultuur’. Het centrum, later hernoemd tot ‘Centrum voor Wetenschap en Cultuur’ (CSC), werd onderdeel van het Discovery Institute, een conservatieve ‘denktank’ in Seattle die vooral fondsen werft onder conservatieve Amerikaanse christenen. Eerste doel van het centrum was ‘wetenschappers steunen die kritisch staan tegenover het neo-darwinisme of andere materialistische ontstaanstheorieën, en steun aan hen die de nieuwe wetenschappelijke theorie van ‘intelligent design’ ontwikkelen.’

Een in 1999 uitgelekte bedelbrief, waarvan de authenticiteit vorig jaar door het centrum werd bevestigd, omschreef doelen en strategie in nog duidelijker termen.

Volgens het CSC is de notie dat de mens is ‘geschapen naar Gods beeld’ het fundament onder de westerse cultuur, inclusief zaken als democratie, mensenrechten, een vrije economie, kunst en wetenschap. Theorieën als die van Darwin, Marx en Freud zouden die gedachte hebben vervangen door een seculier wereldbeeld waarin de mens een dier is, ontstaan uit materie en natuurwetten zonder richting of doel. Volgens het centrum heeft deze ‘naturalistische’ levensbeschouwing alle terreinen van onze cultuur geïnfecteerd en alle besef van moraal of persoonlijke verantwoordelijkheid weggevaagd. De gevolgen zijn overal, aldus de brief: in het recht, de economie, de wetenschap, de literatuur en de politiek. Het centrum beoogt dan ook niets minder dan ‘de omverwerping van het materialisme en zijn culturele erfenissen’ door de bevordering van een ‘breed theïstisch beeld van de natuur’.

De bedelbrief beschreef een driestappen-plan. Tijdens fase I zou worden gewerkt aan ‘wetenschappelijk onderzoek, geschriften en publiciteit’; fase II was voor ‘publiciteit en opinievorming’. In fase III, te beginnen rond 2003, zou ‘culturele confrontatie en vernieuwing’ kunnen beginnen. Tot de concrete doelen behoorde dat tien Amerikaanse staten vóór 2004 zouden beginnen ‘ideologische onevenwichtigheid in hun onderwijsprogramma’s te rectificeren en design-theorie erin op te nemen.’

De strategie van Johnsons centrum lijkt te werken, ook al halen biologen in overweldigende meerderheid hun schouders op over de beweging. Door hun ogen doen ‘ID’ers’ weinig meer dan enkele onopgeloste vragen misinterpreteren en demagogisch uitbuiten. Voor biologen is evolutie al lang geen theorie meer, maar een werkelijkheid die zich in elk ecosysteem, elk organisme en elk stukje DNA opnieuw ontvouwt. ‘Intelligent design’ noemen ze een hol begrip, omdat niemand kan of wil zeggen hoe of waar de onbekende intelligente ontwerper zijn invloed zou kunnen doen gelden.

Tegenover de rust in de wetenschappelijke wereld staat echter het oorverdovende gekrakeel op andere plaatsen. Het is alsof je van een oude universiteitsbibliotheek in een overvol treinstation stapt. Duizenden en nog eens duizenden boeken, kranten- en internetpagina’s zijn aan ‘intelligent design’ gewijd. Eindeloos worden de claims aangehaald van een klein groepje aan het CSC gelieerde auteurs, die zo de punt van de wig lijken te vormen. Tot de meest geciteerden behoren biochemicus Michael Behe en wiskundige William Dembski.

Michael Behe, van huis uit katholiek maar later ‘wedergeboren’, doet al sinds het eind van de jaren zeventig onderzoek aan biologische eiwitten aan de Lehigh-universiteit in Bethlehem, een plaats in de Amerikaanse staat Pennsylvania. Hij publiceerde tientallen artikelen in respectabele wetenschappelijke tijdschriften, en is daarnaast een fellow van het CSC.

In zijn in 1996 verschenen bestseller Darwin’s Black Box beschrijft Behe ingewikkelde biologische microstructuren, zoals de razendsnel ronddraaiende zweepstaarten van bacteriën, die zijn opgebouwd uit wel vijftig verschillende eiwitten. Zulke complexiteit suggereert een intelligent ontwerp, meent Behe. Sterker nog, de zweepstaartmotor kan geen enkele van de vijftig eiwitten missen, en zou dus niet door geleidelijke, toevallige evolutie kúnnen zijn ontstaan. ‘Onherleidbaar complex’, noemt Behe zulke structuren.

(Enkele biologen hebben Behe’s logica inmiddels gedetailleerd bekritiseerd. Ze betogen dat een structuur die zich geleidelijk ontwikkelt, vroeg of laat een punt bereikt waar sommige onderdelen onmisbaar worden. Ze stellen dat Behe een oud en weerlegd argument van stal haalt, alleen nu verpakt in termen van eiwitten in plaats van ingewikkelde organen zoals het oog. Ook wijzen ze erop dat veel eiwitten voor meerdere doeleinden worden gebruikt, en dus vrij plotseling op nieuwe plekken kunnen opduiken. Een groot deel van de zweepstaartmotor, bijvoorbeeld, doet elders dienst als ionen-pomp in het celmembraan.)

William Dembski, de tweede held, is de zoon van een vrijzinnig katholieke biologieleraar die géén problemen had met de evolutietheorie. De jonge Dembski bekeerde zich als student opnieuw tot het geloof, en bestudeerde achtereenvolgens psychologie, statistiek, filosofie en theologie. Eenmaal uitgestudeerd publiceerde hij weinig in wetenschappelijke literatuur, maar des te meer in (niet gemakkelijk te volgen) boeken.

In 1998 verscheen The Design Inference waarin Dembski, inmiddels CSC-fellow en werkend aan de protestantse Baylor-universiteit in Waco, Texas, beschrijft hoe hij ‘intelligente’ signalen kan onderscheiden van toevallige ruis. Vergelijkbare methoden worden gebruikt om gecodeerde boodschappen op te pikken – van buitenlandse spionnen, bijvoorbeeld, of misschien wel van buitenaardse wezens. Wie in een eindeloze stroom willekeurige letters en cijfers plotseling tien keer het alfabet voorbij ziet komen, mag aannemen dat hier intelligentie in het spel is: de code is volgens Dembski ‘gespecificeerd complex’. Toen Dembski zijn methode losliet op de DNA-codes behorend bij Behe’s zweepstaartmotor, sloegen zijn intelligentie-meters uit. Het was alsof hij voor het eerst een boodschap van God had opgevangen.

(Critici die Dembski’s wiskundige methoden kunnen doorgronden, zeggen dat achter de verzameling formules een cirkelredenering schuilgaat – en voegen eraan toe dat geen enkele bioloog zal beweren dat in genen géén hoogwaardige informatie besloten ligt.)

Noch Behe, noch Dembski, noch één van de andere aan het CSC verbonden auteurs genieten als wetenschappers bijzondere reputaties. Hun buitenproportionele impact lijkt alles te maken te hebben met de samenbindende werking van de term ‘intelligent design’. Achter de wapperende vlag heeft zich een bonte stoet voetsoldaten opgesteld, die hun onderlinge twisten even vergeten.

Tot de enthousiaste volgelingen behoren bijvoorbeeld ouderwetse creationisten, die nog steeds geloven dat de aarde zesduizend jaar terug in zes dagen is geschapen en dat fossielen verdronken in Noachs zondvloed. (Volgens opiniepeilingen nog steeds 45 procent van de Amerikanen.) Ergens halverwege staan zij die geloven dat soorten wel een béétje veranderen door variatie en selectie, maar dat compleet nieuwe soorten onmogelijk zonder hulp van God kunnen ontstaan. Iets verderop staan zij die, zoals Behe, menen dat de evolutie wél plaatsvond, maar werd geleid door de onzichtbare hand van God. Anderen geloven dat God zijn werk al vóór de Big Bang afrondde, en achterover kon leunen in afwachting van het ontstaan van de mens. En tussendoor lopen zelfs zij die niet God, maar buitenaardse wezens verantwoordelijk houden voor het intelligente ontwerp.

Het enige dat de beweging werkelijk bindt is de afkeer van een wetenschap die de wereld wil verklaren zonder onzichtbare hand te hoeven zien. Het is de afwezigheid van goddelijke sturing, de tevredenheid met puur toeval, die vanuit religieuze motieven wordt afgewezen. Dat vooral Darwin het moet ontgelden, is deels omdat zijn evolutietheorie als hoofdschuldige van het materialisme wordt aangewezen. Het komt ook doordat het strijdtoneel buiten de wetenschap ligt. Waar veel niet-biologen denken de evolutie-theorie te begrijpen, hebben de meeste niet-natuurkundigen cosmologische abstracties als ‘paralelle universa’ en de ‘snaartheorie’ al lang opgegeven.

Niet onbelangrijk voor het succes van ‘intelligent design’ is ook de invloed van het Discovery Institute. Zelfs de scherpste wig heeft een hamer nodig om hem in het houtblok te slaan. Het instituut heeft die kracht geleverd. Miljoenen dollars en een uitgebreid netwerk zorgden de afgelopen jaren voor beurzen, conferenties, publiciteit en politieke invloed die reikt tot diep in het Amerikaanse Congres. Want, zoals in de bedelbrief voorspeld, de derde fase van de wig-strategie lijkt al te zijn aangebroken.

In twaalf Amerikaanse staten zijn inmiddels wetsvoorstellen ingediend die scholen zouden opdragen ruimte te scheppen voor intelligent design in hun biologie-lessen. De meeste van die wetsvoorstellen zijn vooralsnog vastgelopen of gesneuveld, maar de wederopleving van de pogingen is onmiskenbaar.

Lokaal is er al wel succes: in Dover, een plaats in Pennsylvania, moeten biologieleraren sinds oktober een tekst voorlezen die onder meer zegt: ‘Intelligent Design is een verklaring voor de oorsprong van het leven die afwijkt van de zienswijze van Darwin.’ In de staat Kansas hield de overkoepelende onderwijsraad afgelopen maand hoorzittingen, geboycot door biologen, ter voorbereiding van een mogelijke inpassing van intelligent design in het biologiecurriculum.

Het zal nog geruimde tijd duren voordat al zulke lokale schermutselingen zich een weg omhoog hebben gebaand naar het Supreme Court. Pas dan zal duidelijk worden of de opperrechters het begrip ‘intelligent design’ ruim genoeg vinden om zich te onttrekken aan de scheiding van kerk en staat.

De recente ophef in Nederland kan de bedenkers van het begrip enige hoop geven.

De affaire kwam op gang door een persoonlijk gesprek tussen de minister van onderwijs en Cees Dekker, een natuurkundige die niet onder stoelen of banken steekt dat hij de wetenschap graag in harmonie zou brengen met zijn evangelisch-protestants getinte geloofsovertuiging, die een zuiver materialistische achtergrond van het leven niet toelaat.

Al jaren is Dekker in Nederland de meeste prominente vertolker van de gedachte van ‘intelligent design’, al zegt hij zelf geen ‘aanhanger’ te zijn. Niettemin verklaarde hij in 2000, in zijn inaugurele rede als hoogleraar moleculaire biofysica in Delft, dat voor evolutie als verklaring voor de huidige biodiversiteit eigenlijk nauwelijks wetenschappelijke onderbouwing is en dat bewijs ‘op zijn best sporadisch’ was te noemen. In de rede reproduceerde hij kritiekloos het betoog van Behe, net als in een recente publiekslezing, waar hij eveneens de bijdragen van Dembski instemmend citeerde. De geweldige complexiteit van het leven, zei Dekker onlangs in de Utrechtse Jacobikerk, ‘geven mij het idee dat er een ontwerp achter zit.’ ‘Een beroep op toeval als verklaring voor het ontstaan en de evolutie van het leven is niet redelijk,’ aldus Dekker, om er aan toe te voegen dat hij geen problemen heeft met een model waarin God, door middel van evolutie, het leven heeft voortgebracht.

Het zijn betogen en pleidooien die naadloos passen binnen intelligent design.

Voor een intrede van ID in Nederlandse klaslokalen hoeven we voorlopig waarschijnlijk niet bang te zijn. Dekker zelf acht het daarvoor nog ‘te prematuur’, en minister Van der Hoeven deed in de Kamer haar uiterste best om te benadrukken dat zij niet wil tornen aan afspraken uit 1995 over het onderwijs in de evolutietheorie – afspraken die overigens nú al inhouden dat in de les ook enige aandacht moet worden besteed aan het bestaan van religieus geïnspireerde scheppingstheorieën.

Eén ding maakte het Kamerdebat echter ook duidelijk: ID is in staat verwarring te stichten over de grenzen tussen overheid en religie. In de verdediging van haar pogingen om een ‘academisch debat’ over intelligent design te entameren, bleek Van der Hoeven geen enkel principieel bezwaar te zien. Waar zij het vermoedelijk niet zou wagen een academisch debat over opvattingen van het Vaticaan te organiseren, zag zij het zelfs als haar táák om, door middel van discussies over intelligent design, islamitische biologie-studenten een manier aan te reiken om met de evolutietheorie om te gaan.

Amerikaanse biologie-leraren zijn dus gewaarschuwd.

Related Posts