De Wereldgezondheidsorganisatie moet steeds meer uitbraken van besmettelijke ziekten in de kiem smoren, maar haar bevoegdheden schieten te kort. Een nieuw internationaal verdrag moet daarin verandering brengen.
Het was november vorig jaar toen, ergens in de Chinese provincie Guangdong, waarschijnlijk in Foshan, de eerste gevallen van severe atypical respiratory syndrome (Sars) opdoken. En afgaande op de eerste berichten greep de mysterieuze longontsteking snel om zich heen. Toen de Chinese overheid bijna drie maanden later de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) belde, waren volgens officiële opgave al meer dan driehonderd mensen ziek geworden en vijf overleden. Maar China meende alles onder controle te hebben, en bedankte voor de suggestie internationale experts uit te nodigen.
Op dat moment was Sars al onderweg naar het buitenland. Een dokter uit Guangdong, zelf inmiddels ziek, logeerde in het Metropole Hotel in Hongkong. Van de negen medegasten die hij op de negende verdieping besmette, reisde één door naar Hanoi. In het ziekenhuis aldaar besmette hij tientallen artsen en verpleegsters. Toen het ziekenhuis in paniek contact opnam met het lokale WHO-kantoor, nam Carlo Urbani, oud-voorzitter van de Italiaanse afdeling van Artsen zonder Grenzen, poolshoogte. Binnen een paar dagen was ook hij zelf ziek, maar voor die tijd had hij bij het hoofdkantoor in Genève aan de bel getrokken. Het is 12 maart, als de WHO direct groot alarm slaat. Maar het zal nog tot 3 april duren voordat de Chinese regering een team van WHO-experts tot de provincie Guangdong toelaat.
Het is dan ongeveer vier maanden geleden dat het geheimzinnige virus voor het eerst wild om zich heen greep. In 16 landen zijn dan al 2270 mensen door het virus geveld, 79 van hen zijn eraan overleden. Het is twijfelachtig geworden of de uitbraak nog kan worden gestopt.
De wereld is, zegt het cliché, een global village geworden, maar de Wereldgezondheidsorganisatie is nog alles behalve een global GGD. Verouderde internationale afspraken op het gebied van besmettelijke ziekten maken de WHO afhankelijk van de vrijwillige medewerking van nationale regeringen om uitbraken snel op te sporen en in de kiem te smoren. En die regeringen talmen maar al te graag: onnodig de alarmklok luiden kan immers de stroom toeristen, zakenreizigers en exportgoederen binnen een paar dagen doen opdrogen, met rampzalige gevolgen voor een kleine economie.
Onderhandelingen over nieuwe afspraken zijn gaande — eind dit jaar wordt de publicatie van het ‘definitieve concept’ verwacht. Rond 2005 zullen de 191 bij WHO aangesloten landen moeten beslissen of zij uitbraken van nieuwe infectieziekten gevaarlijk genoeg vinden om de sleutels over te dragen aan de WHO.
De International Health Regulations, waaraan de lidstaten van de WHO zich in 1951 onderwierpen, kwamen voort uit de eerste internationale afspraken tegen grensoverschrijdende infectieziekten. Cholera-epidemieën hadden Europa eerder die eeuw overspoeld, en het verdrag uit 1892 moest helpen zulke golven in de toekomst te voorkomen.
Sindsdien werden de afspraken enkele malen licht aangepast, bijvoorbeeld omdat de hygiënische voorschriften voor schepen en vliegtuigen modernisering behoefden. Maar na 1981 bleven de regels ongewijzigd. Dat verklaart waarom, volgens de geldende richtlijnen, landen uitbraken van slechts drie ziekten verplicht zijn te melden: cholera, pest en gele koorts.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is duidelijk dat deze regels hopeloos zijn verouderd. Mochten we eind jaren zeventig nog denken dat infectieziekten over hun hoogtepunt heen waren, inmiddels weten we beter. ‘Oude ziekteverwekkers’ als cholera, knokkelkoorts en tuberculose steken in nieuwe gedaanten de kop op. Daarbovenop komt een gestage stroom nieuwe: de afgelopen decennia werd gemiddeld ruim één nieuwe menselijke ziekteverwekker per jaar ontdekt — gelukkig niet allemaal zo besmettelijk als Sars. Doordat ons leefmilieu, onze voedselproductie en onze gezondheidszorg steeds sneller veranderen, denken sommige wetenschappers, zullen ook steeds meer nieuwe ziekteverwekkers een weg naar menselijke populaties weten te vinden.
Onomstotelijk is in elk geval dat verstedelijking, verhevigde migratie en explosief toegenomen reisgedrag de voedingsbodem voor ziekteverwekkers geweldig verrijken. Waar het virus voor de Spaanse Griep er in 1918 nog maanden over deed om de wereld rond te gaan, kan een nieuwe epidemie die afstand vandaag binnen 36 uur afleggen.
Niet alleen ziekteverwekkers profiteren van de vooruitgang. Dankzij elektronische communicatie verspreiden ook geruchten over hun uitbraken zich tegenwoordig een stuk sneller. De WHO zelf maakt daarvan dankbaar gebruik: een in Canada ontwikkeld computerprogramma scant dagelijks duizenden internet-discussiegroepen en krantenwebsites op berichten over ziekte-uitbraken, en vangt zo meestal al signalen op voordat de WHO langs officiële kanalen wordt ingelicht.
Deze ongebreidelde geruchtenstroom maakt sommige landen echter behoorlijk zenuwachtig. En met enige reden. De eerste meldingen over een uitbraak van pest in India kostten het land naar schatting 1,7 miljard dollar aan inkomsten, en omringende landen spendeerden miljoenen aan noodmaatregelen. Uiteindelijk werd de pestbacterie alleen in ratten aangetroffen. Eén loos alarm kan de economische klok van een klein ontwikkelingsland jaren terug zetten.
Met diplomatie en overreding probeert de WHO landen hun angst te overwinnen en bij mysterieuze uitbraken direct aan de bel te trekken. Maar, zoals de ervaring met Sars laat zien, dat lukt niet altijd.
Een nieuwe versie van de International Health Regulations, waarvan een eerste concept afgelopen jaar in kleine kring rondging, moet aan deze moeizame vrijblijvendheid een einde maken. Voortaan zou een land élke potentieel grensoverschrijdende uitbraak onverwijld bij de WHO moeten melden – dus niet meer alleen cholera, pest en gele koorts. Wanneer de WHO op basis van opgepikte geruchten informatie vraagt, moet een land direct opening van zaken geven. Ieder land zou ten minste een basale infrastructuur moeten hebben die 24 uur per dag bereikbaar is.
Om het risico van valse alarmbellen te beperken zou een deel van het werk van WHO ondergronds gaan: zolang de organisatie niet zeker weet of er grensoverschrijdend gevaar dreigt, zou ze meldingen onder de pet houden. Pas na ‘verificatie’ mogen in Genève de bellen rinkelen.
Om aarzelende landen nog verder gerust te stellen, zou de WHO beloven in haar adviezen aan de wereld terughoudend te zijn en toerisme en handel proberen te ontzien. Bovendien zou de organisatie zich verplichten om, indien gewenst, een land praktische bij te staan met kennis, materieel en deskundigen, verzameld uit de 150 laboratoria waarmee de organisatie wereldwijd nauwe contacten onderhoudt.
Hoewel de nieuwe verdragsregels nog volop door de lidstaten worden bediscussieerd, is de WHO in de praktijk al op de toekomstige procedures overgestapt, bevestigt Sandy Cocksedge, in Genève nauw betrokken bij de herziening van het verdrag. Een Global Outbreak Alert and Response Network beoordeelt dagelijks tientallen meldingen van uitbraken op hun risico’s. Ongeverifieerde geruchten worden wel doorgegeven aan overheden van andere landen, maar niet openbaar gemaakt. Pas wanneer de dreiging reëel blijkt te zijn, meldt WHO de uitbraak op haar website . Een team van internationale deskundigen is dan meestal al onderweg.
Wat nog ontbreekt, zegt Cocksedge, is het ‘wettelijk raamwerk’: zonder nieuw, bindend verdrag blijft de wereld afhankelijk van vrijwillige medewerking van landen waar de uitbraken plaatsvinden.
Misschien dat de Sars-epidemie de komst van het nieuwe verdrag kan bespoedigen. Maar voorlopig, vreest Cocksedge, loopt het project vooral vertraging op, want ‘op dit moment hebben weinigen hier tijd om zich met dit soort papierwerk bezig te houden.’