Menu Close

VS handhaven waarschuwing verdachten

Amerikaanse politieagenten blijven verplicht verdachten voor hun verhoor te waarschuwen dat zij het recht hebben te zwijgen. Dat stelde vorige maand het Supreme Court, het hoogste rechtscollege in de Verenigde Staten, nadat een lagere rechtbank de regels voor het eerst in 34 jaar terzijde had gelegd.

De beslissing van het Hooggerechtshof, waarnaar tevoren met spanning was uitgekeken, leidde tot opluchting bij zowel advocatuur als Justitie.

‘De uitspraak erkent dat de Miranda-waarschuwingen goed zijn voor de wetshandhaving,’ aldus minister van justitie Janet Reno in een officiële verklaring; ‘Maar belangrijker is dat dankzij deze uitspraak de waarschuwingen het publieke vertrouwen in de eerlijkheid van ons rechtssysteem kunnen blijven bevorderen.’

Met de naderhand beroemd geworden Miranda-waarschuwingen hoopten Amerikaanse opperrechters in 1966 een eind te maken aan een wijdverbreide praktijk van gedwongen bekentenissen. Om overijverige opsporingsambtenaren te beteugelen, redeneerde het Hooggerechtshof, was een duidelijke lijn nodig, een regel waaraan iedereen zich had te houden. Voortaan moest elke verdachte voor het verhoor aldus worden gewaarschuwd: “U hebt het recht te zwijgen; alles wat u zegt kan en zal in de rechtszaal tegen u worden gebruikt. U hebt het recht een advocaat te raadplegen, ook tijdens het verhoor. Wanneer u geen advocaat kunt betalen, zal u een worden toegewezen. U mag deze rechten op ieder gewenst moment uitoefenen.”

Al direct stuitte die uitspraak op grote bezwaren. Menig jurist vond dat het Hof met de gedetailleerde voorschriften zijn boekje te buiten ging. Conservatieve Amerikanen vreesden bovendien de ineenstorting van het strafrecht, omdat verdachten massaal zouden zwijgen. Het verzet culmineerde in 1968 in een door het Congres aangenomen wet, die de waarschuwingsplicht introk. In plaats daarvan moest de rechter in brede zin onderzoeken of een bekentenis vrijwillig was gedaan.

Aan de daarmee ontstane juridische impasse wilde de Amerikaanse regering haar vingers niet branden: ondanks de aanvaarde wet verzetten aanklagers zich niet tegen toepassing van het Miranda-arrest.

Die rust werd pas vorig jaar doorbroken toen een beroepscollege op eigen gezag besloot de Grondwettelijke status van de waarschuwingen te toetsen. De waarschuwingen, oordeelden de rechters tot veler schrik, behoren níet tot de Grondwet, en zijn dus door de parlementaire wet uit 1968 herroepen.

Die opvatting, zo blijkt nu, wordt niet gedeeld door een ruime meerderheid van de Supreme Court: de Miranda-regels zijn een directe interpretatie van de Grondwet, aldus de hoogste gerechtelijke instantie, en kunnen als zodanig dus níet door het parlement worden herroepen.

De waarschuwing van verdachten, aldus voorzitter Charles Rehnquist en zes van zijn collega-opperrechters, is bovendien deel geworden van de ‘nationale cultuur’, en functioneert alles bij elkaar uitstekend. ‘Los van de vraag of het huidige college tot de zelfde conclusie zou zijn gekomen als haar voorgangers,’ verklaarde Rehnquist, zelf in het verleden een prominent criticus van het besluit, ‘het principe van stare decisis weegt zwaarder dan de argumenten om hun uitspraak te herroepen.’

Maar de belangrijkste reden om de beslissing te handhaven werd misschien niet eens met zoveel woorden genoemd. Het was niet de eerste keer, menen analisten, dat het Supreme Court de degens kruist met het parlement over de vraag wat de Grondwet bepaalt. ‘Het was een kwestie van macht, pure macht,’ aldus grondwetsdeskundige Leon Friedman van Hofstra Law School in de New York Times. ‘Het Hooggerechtshof zegt tegen het parlement: je kunt onze goede besluiten niet herroepen en je kunt onze slechte besluiten niet herroepen. Je kunt onze besluiten niet herroepen — punt uit.’

Tegenstanders van de waarschuwingen likken hun wonden. Nooit leek de afschaffing van de Miranda-waarschuwingen zo dichtbij. Maar dankzij de verrassende eensgezindheid van het Supreme Court liggen ze nu dieper verankerd dan ooit tevoren.