Menu Close

De wereld stapt over op vlees

Gekke koeien, varkenspest en mond- en klauwzeer bekeren sommige Europeanen tot het vegetarisme. Maar de rest van de wereld is nog maar net begonnen vlees te eten. De totale consumptie van vlees zal in nog geen veertig jaar tijd meer dan verdubbelen — met ingrijpende gevolgen.

CHRISTOPHER DELGADO is gewend aan boze reacties uit zijn gehoor. Zijn boodschap is, althans in het rijke westen, niet populair.

Delgado is onderzoeker bij het Internationale Onderzoeksinstituut voor Voedselpolitiek in Washington. In samenwerking met de FAO, de voedsel-afdeling van de Verenigde Naties, voorspelt hij hoeveel vlees de mensheid in de toekomst zal eten. Een belangrijke voorspelling, want schuivende eetgewoonten op wereldschaal hebben grote gevolgen voor de gezondheid, de economie en het milieu.

Volgens Delgado’s berekeningen zal de vraag naar vlees en andere dierlijke producten, zoals melk en eieren, explosief stijgen. Over twintig jaar, berekende de onderzoeker, eten wereldburgers tezamen jaarlijks 330 miljard kilo vlees — bijna twee en een half keer zo veel als in 1983.

De groei zit niet meer in rijke landen. Het zijn armere landen die hun ‘achterstand’ qua vleesconsumptie in sneltreinvaart inlopen. Werd in 1983 nog twee derde van alle vlees in rijke landen gegeten, over twintig jaar zullen de rollen zijn omgedraaid.

Die verschuiving zal dramatische gevolgen hebben. Deels zijn het veranderingen ten goede: de meeste bewoners van de derde wereld kunnen voor hun gezondheid wel een extra stuk vlees gebruiken. Maar een explosief groeiende veestapel zal ook enorme problemen geven: om miljarden extra dierenmagen te voeden, zullen ontwikkelingslanden nog veel meer westers graan moeten importeren dan nu. ’s Werelds mestvaalt zal zorgen voor de uitstoot van astronomische hoeveelheden zuren en broeikasgassen.

`Ik zeg niet dat dit een wenselijke ontwikkeling is,’ verweert Delgado zich tegenwoordig bij voorbaat tegen protesten dat hij de consumptie van vlees zou bepleiten. `De productie van vlees groeit omdat mensen in ontwikkelingslanden erom vragen. Wat wij daar in het westen van vinden, verandert daar weinig aan.’

In 1973, zo geven FAO-cijfers aan, at de gemiddelde bewoner van een geïndustrialiseerd land jaarlijks 67 kilogram vlees. Inclusief 188 kilo zuivel en 13 kilo eieren per jaar voorzagen dierlijke producten in twintig procent van al onze ingenomen calorieën. In een gemiddeld ontwikkelingsland werd daarentegen jaarlijks hooguit elf kilo vlees gegeten, en alle dierlijke producten tezamen voorzagen maar in zes procent uit van de dagelijkse calorieën.

Sindsdien is er veel veranderd. In rijke landen eten mensen een beetje meer, en de consumptie van vlees ging daarmee gelijk op. Maar met negentig kilogram vlees per jaar heeft de gemiddelde Nederlander zijn maximum wel bijna bereikt, suggereren de statistieken. In Europa is de consumptie van rundvlees recentelijk zelfs gedaald, vermoedelijk vooral door de angst voor de in Engeland uitgebroken gekke-koeienziekte.

In minder ontwikkelde landen, en dan vooral in Azië en Zuid-Amerika, is daarentegen het menu drastisch veranderd. Het inkomen van de bewoners neemt toe, en voor steeds meer mensen wordt vlees betaalbaar. Daar komt bij dat het platteland leegloopt in de richting van grote steden, waar traditioneel meer dierlijke producten worden gegeten. De gemiddelde bewoner van een ontwikkelingsland eet dit jaar ruim twee keer zoveel varkensvlees en drie keer zoveel kippenvlees als vijfentwintig jaar terug.

Het veranderende eetpatroon wordt versterkt door een onstuimige bevolkingsgroei. De komende vijftien jaar zal de gezamenlijke bevolking in arme landen met bijna een kwart groeien — tien keer zo snel als in ontwikkelde landen.

Beide ontwikkelingen samen leiden tot dramatische toekomstvoorspellingen. Aten ontwikkelingslanden twintig jaar geleden nog 20 miljoen ton (‘megaton’) varkensvlees, inmiddels is die consumptie volgens de FAO al opgelopen tot 47 megaton. Over twintig jaar, voorspelt Delgado op basis van zijn economische modellen, eten arme landen 80 megaton varkensvlees.

Nog explosiever groeit de consumptie van kippenvlees: van 10 megaton in 1983, via 30 megaton nu, tot 67 megaton in 2020 — bijna zeven keer zo veel. De consumptie van rundvlees en melk zal over dezelfde periode verdrievoudigen. Alleen al in China, geven Delgado’s jongste berekeningen aan, zal over twintig jaar meer vlees worden gegeten dan op dit moment in de hele geïndustrialiseerde wereld bij elkaar.

De aardverschuiving heeft niet alleen negatieve gevolgen. Meer vlees zou de gezondheid van het grootste deel van de mensheid bijvoorbeeld zeer ten goede komen, meent Charlotte Neumann, voedingsonderzoeker bij de Universiteit van Californië in Los Angeles. Miljarden mensen op aarde kampen met de gevolgen van chronische tekorten aan ijzer, zink, kalk of vitaminen — tekorten die dagelijks kilo’s bonen of maïs zouden vergen om aan te vullen. Bloedarmoede en vitaminegebrek leiden tot ontwikkelingsstoornissen, blindheid en een gebrekkige afweer tegen tropische infectieziekten.

Een beetje meer vlees op het menu zou zulke tekorten opheffen, zegt Neumann. Dierlijk voedsel is rijk aan zulke bestanddelen, en het is voor menselijke darmen veel gemakkelijker ze uit vlees op te nemen dan uit plantaardig voedsel. Zelfs ijzer uit groenten die samen met vlees worden gegeten, dringt veel beter door tot het bloed. De oude slagzin ‘Meer vlees mevrouw, u weet wel waarom’ gaat in ontwikkelingslanden dus nog steeds op.

Ook economisch zou een groeiende veeteelt een zegen kunnen zijn. Voor de zeshonderd miljoen allerarmsten op aarde, meent Cees de Haan, adviseur bij de afdeling Plattelandsontwikkeling van de Wereldbank in Washington, vormen een paar kippen, een geit en een varken in de achtertuin de belangrijkste inkomstenbron; als de grotere vraag naar vlees bij deze kleine producenten terecht zou komen, zou dat voor hen grote winst zijn, meent De Haan.

Toch gruwen velen bij de gedachte aan een explosie van de vleesconsumptie — en niet alleen omdat het doden van dieren voor voedsel in strijd is met hun geweten. Critici schermen vaak met de populaire stelling dat vleesproductie een grote verspilling van plantaardige voedingsstoffen betekent. Voor de productie van één kilo vlees, zo luidt het cliché, is zeven kilo graan nodig — graan dat beter direct door mensen zou kunnen worden gegeten.

Bij die stelling zijn echter kanttekeningen te plaatsen, meent Eric Bradford, zoöloog bij de Universiteit van Californië in Davis. Want volkomen ten onrechte nemen zulke rekensommen aan dat vee alleen voedsel krijgt dat ook door mensen kan worden gegeten. In de praktijk, heeft hij berekend, eet ‘s werelds veestapel grote hoeveelheden plantaardig voedsel die niet voor menselijke consumptie geschikt zijn. Geiten en schapen grazen op miljarden hectaren grond waar nooit graan of groente te verbouwen zou zijn — op steile berghellingen bijvoorbeeld, of in wegbermen en kurkdroge valleien. Daarnaast krijgt vee vaak delen van de graanoogst te eten die hoe dan ook zouden overblijven: stengels, schillen, schilfers, pitten, noem maar op. Tenslotte brengen akkers die worden beplant met het belangrijkste veevoer, maïs, gemiddeld twee keer zoveel voedingsstoffen op als akkers waarop tarwe wordt verbouwd, het belangrijkste graan voor de mens. Als de balans wereldwijd wordt opgemaakt, heeft Bradford berekend, kost de productie van één kilo vlees geen zeven, maar nog geen anderhalve kilo graan. En omdat de voedingswaarde van vlees ongeveer anderhalf keer zo groot is als die van plantaardig voedsel, zou met de consumptie van vlees per saldo geen voedingswaarde verloren gaan. Of de toenemende consumptie van vlees indirect zal zorgen voor grotere voedseltekorten, is dus niet direct gezegd.

Maar voedselverspilling is niet de enige mogelijke keerzijde van een exploderende veestapel. Voedselveiligheid is een ander zorgelijk punt. Het vooruitzicht van een grote vlees- en zuivelindustrie in landen met een tropisch klimaat is weinig aantrekkelijk; bacteriële voedselverontreinigingen zijn zelfs in gematigde klimaatzones al een groeiend probleem. Dat kan niet alleen leiden tot uitbraken van voedselvergiftiging onder lokale klanten, maar zal waarschijnlijk ook hevige handelsconflicten oproepen. Rijke landen zullen, zeker na de recente ervaringen, de grenzen voor vlees uit warme landen hermetisch willen sluiten wanneer ze niet aan de hoogste — en dus voor die landen onbetaalbare — veiligheidsnormen voldoen.

Ontwikkelingslanden zullen voor hun voedselvoorziening afhankelijker worden van ontwikkelde landen. Zo moet China over twintig jaar bijvoorbeeld 47 miljoen ton graan uit het buitenland halen — zes keer zo veel als nu. India, het enige grote ontwikkelingsland dat nu graan exporteert, zal moeten omzien naar bronnen van buiten. Per saldo zal de uitvoer van graan van rijke naar arme landen verdubbelen — van honderd tot tweehonderd miljoen ton per jaar. De aantrekkende vraag zal de gestage prijsdaling van landbouwgewassen, voorzover het gaat om typische veevoergewassen als soja en maïs, doen stagneren. Alleen de prijzen van ‘menselijke’ voedingsgewassen, zoals tarwe en rijst, zullen volgens Delgado’s modellen blijven dalen.

Het grootste schrikbeeld van de ophanden zijnde vleesrevolutie is echter wel het visioen van duizenden en nog eens duizenden intensieve veehouderijen. Want ook al hoopt de Wereldbank dat het anders loopt, tot nog toe blijkt uit de statistieken dat de groeiende vraag naar vlees níet terecht komt bij keuterboertjes. Net als in Nederland begint de productie van vlees en melk in ontwikkelingslanden industriële vormen aan te nemen. In China en Zuidoost-Azië schieten reusachtige varkensmesterijen als paddestoelen uit de grond.

Die schaalvergroting doet niet alleen dat het armste deel van de bevolking zijn laatste middel van bestaan verliezen. Ook het milieu zal hard worden getroffen — want van een ‘mestbeleid’ heeft ter plaatse nog niemand gehoord — de stromen uitwerpselen van duizenden dieren lopen er volstrekt ongehinderd naar buiten. Grote delen van de wereld veranderen in een soort Brabantse Peel, met een vleesindustrie die met stikstofoxiden de omgeving verzuurt en met methaangas het broeikaseffect een versnellinkje hoger zet.

Als vertegenwoordiger van de Wereldbank is De Haan nauw betrokken bij pogingen om negatieve gevolgen van de overschakeling op veeteelt te beperken. Lokale regeringen, meent hij, zouden moeten stoppen grote bedrijven te stimuleren met subsidies voor de import van graan. Maar bovenal zouden ze strenge milieuwetten op moeten stellen, die ervoor zorgen dat industriële veehouderijen verantwoordelijk worden voor het onschadelijk maken van hun eigen mest.

Maar het gevecht is taai, erkent De Haan, en succes niet erg waarschijnlijk. `In het ideale geval komt de omschakeling naar dierlijk voedsel zowel de allerarmsten als het milieu ten goede. Maar het is heel goed mogelijk dat dat mislukt, en dat ons uiteindelijk niets anders rest dan te proberen honderden miljoenen kleine boeren een andere bron van inkomsten geven. De veranderingen zijn ingrijpend, en we hebben nog geen duidelijk antwoord. Het enige dat we weten is dat we íets moeten proberen.’

Related Posts