Menu Close

Op de bres voor terrorist

Advocatenblad, november 2004

Een Amerikaanse advocate wacht straf wegens het schenden van afspraken rond de beperkingen opgelegd aan een verdeelde terrorist.

WAAR EINDIGT de onverschrokken belangenbehartiging van een in de gevangenis wegkwijnende cliënt, en begint medewerking aan een terroristische organisatie? Voor die vraag staat een jury in New York momenteel in een geruchtmakend proces — en het antwoord zal dezer dagen in Nederland met weer wat grotere belangstelling worden gevolgd.

Al maanden duurt de rechtszaak tegen Lynne Stewart, een 65-jarige grootmoeder én een bekende, links-activistische advocate in New York. Haar cliënt is Omar Abdel Rahman, een blinde Egyptische sheik die in 1995 levenslang kreeg wegens steun aan een samenzwering om beroemde gebouwen, waaronder het kantoor van de Verenigde Naties, op te blazen.

Volgens de aanklacht bracht Stewart, in strijd met regels waaraan ze zich had gebonden, boodschappen van de sheik over aan de pers. Haar zaak zorgt voor verdeeldheid binnen de Amerikaanse advocatuur. Voor de een is Stewart een held, die strijdt tegen een overheid die burgerlijke vrijheden steeds verder inperkt en advocaten van terrorisme-verdachten intimideert. Anderen vrezen dat haar acties slechts zullen leiden tot nóg draconischer maatregelen om te voorkomen dat advocaten hun privileges misbruiken.

Sheik Omar Abdel Rahman behoort tot de geestelijke leiders van de ‘Islamic Group’, een Egyptische organisatie die een islamitisch bewind nastreeft en verantwoordelijk wordt gehouden voor, onder meer, de moord op president Anwar Sadat en aanslagen op tientallen toeristen. De organisatie heeft nauwe banden met Al-Quaida, een relatie die in het verleden werd onderstreept door dreigementen dat aanslagen zouden volgen als Rahman niet werd vrijgelaten. Ook in gevangenschap reikte de invloed van Rahman ver. Onder zijn radicale achterban in Egypte woedde in 2000 discussie of een eerder afgekondigde ‘wapenstilstand’ met de Egyptische regering moest worden opgeheven. De mening van de sheik droeg, vanzelfsprekend, veel gewicht.

Sheik Rahman was, met andere woorden, niet een doorsnee cliënt wiens belangen Lynne Stewart na zijn veroordeling besloot te blijven behartigen. ‘De ethische regels,’ verklaarde zij tijdens haar rechtszaak, ‘verplichten ons zaken te accepteren, zelfs als het mensen betreft die door het brede publiek worden gehaat.’

De Amerikaanse regering was overtuigd dat Rahman niet met zijn volgelingen mocht communiceren, omdat ieder contact kon leiden tot terreurdaden wegens opheffing van het bestand. En dus stelde Justitie hem in 1997 onder strenge beperkingen: Rahman mocht alleen nog contact hebben met zijn familie en advocaat. De laatste moest op haar beurt beloven dat ze geen boodschappen van Rahman aan volgelingen of de media zou doorgeven.

Achteraf valt te vermoeden dat Stewart in 2000, een jaar vóór de aanslag van 11 september, de ijver van Justitie om haar te betrappen heeft onderschat. Op grond van wettelijke regels, na 2001 nog uitgebreid, werden haar gevangenisbezoeken aan Rahman minutieus in de gaten gehouden. Dat bleek pas goed toen eind augustus in de rechtszaal een film werd getoond die was opgenomen met een in het plafond verborgen camera.

Beeld en geluid maakten pijnlijk duidelijk hoe Stewart had geprobeerd waarnemers achter een glazen wand om de tuin te leiden door luidkeels over koetjes en kalfjes te praten, terwijl haar tolk op fluisterende toon brieven van volgelingen aan de sheik voorlas en zijn reacties noteerde. De sheik betuigde steun aan leden van zijn organisatie die de wapenstilstand ter discussie wilden stellen. Tekst van die strekking belde Stewart een paar weken later door aan een Reuters-journalist in Cairo die ze prompt publiceerde.

Hoewel de aanklager niet claimt dat het bericht tot terreurdaden heeft geleid, achtte hij het duidelijk dat de advocate een terroristische organisatie had geholpen.

Vanuit de getuigenbank probeerde Stewart eerder deze maand de jury uit te leggen dat zij het haar plicht achtte de internationale aandacht gericht te houden op de zware omstandigheden van haar cliënt, die blind, suikerziek en volkomen geïsoleerd wegkwijnde in een cel. Haar hoop was dat Egypte, onder druk van de publieke opinie, de VS zouden vragen om uitlevering van Rahman. Zelf was ze weliswaar een ‘revolutionair met een kleine r’, maar geenszins een moslimfundamentalist. De regels die ze had ondertekend, meende Stewart, verboden haar ‘boodschappen’ door te geven aan de pers. Openlijke persberichten voldeden in haar ogen niet aan die definitie.

Of de jury bereid is die redenering te volgen, zal binnenkort duidelijk worden. Mochten zij Stewart op alle aanklachten schuldig vinden, dan wachten haar in potentie tientallen jaren gevangenisstraf. Zelf zal ze dan alleen in een andere rol last kunnen krijgen van de steeds verdergaande beperkingen die Amerikaanse advocaten in terrorisme-gerelateerde zaken worden opgelegd. Zeker lijkt nu al dat haar acties de geloofwaardigheid en manoeuvreerruimte van collega’s in vergelijkbare zaken heeft aangetast.

Related Posts