Menu Close

Race naar de maan was allesbehalve spannend

Twintig jaar lang hield de Sovjet-Unie vol dat er nooit zoiets was als een race om een-mens-op-de-maan. Nu de archieven open zijn, blijkt dat maar de halve waarheid. Anders dan de Amerikanen dachten, was het Russische programma echter zó’n fiasco, dat van een spannende wedloop eigenlijk geen sprake meer kon zijn.

WANNEER OP 3 juli 1969, op het lanceerplatform van Baikonoer in Kazachstan, het aftellen voor de start van de enorme N-1-raket is begonnen, zijn er nog maar weinig Russen die geloven dat hun land de wedloop om de maan van Amerika kan winnen. De lancering is meer een wanhoopsoffensief, een uiterste poging die slechts zin kan krijgen wanneer de vlucht van de Amerikaanse Apollo 11, voor twee weken later gepland, mocht mislukken. De maanlandingscapsule bovenin de raket is niet eens bemand – het gaat om een testvlucht, de tweede nadat vijf maanden ervoor de eerste N-l zijn vlucht na een minuut had afgebroken.

Het wordt een fiasco. Dit keer komt de raket niet eens van de grond – er ontstaat slechts een explosie die niet alleen de raket zelf, maar ook het lanceerplatform volledig verwoest. Zo groot is de schade, dat pas na twee jaar de eerste raket ervan weer kan vertrekken.

Tien dagen later, op 13 juli 1969, vertrekt de Apollo 11 met succes vanaf het Amerikaanse Cape Kennedy – door de ligging op de globe moeten de Amerikanen regelmatig hun Russische collega’s twee weekjes voor laten gaan. De Amerikanen hebben meer geluk: voor de ogen van de wereld zetten de astronauten hun maanlander netjes op de maan, wandelen rond, keren terug naar hun service module en landen veilig in de Stille Oceaan.

De Russen hadden, na de race om de eerste mens öm de maan, nu ook de wedloop om de eerste mens op de maan verloren – ook al ontkenden ze om het hardst dat er ooit zo’n wedloop was geweest. En, naar de laatste jaren is gebleken, die bewering was eigenlijk niet eens zo ver bezijden de waarheid. De pogingen van de Sovjet-Unie om de eerste mens op de maan te zetten liepen door interne strubbelingen en politieke intriges dermate vast, dat feitelijk niet van een eerlijke wedstrijd kan worden gesproken. Hadden de Amerikanen destijds geweten hoe slecht hun concurrenten ervoor stonden, dan hadden zij wellicht minder haast gemaakt, en minder risico’s genomen, dan zij eind jaren zestig deden.

De race om een mens op de maan begon in 1961. In de jaren ervoor hadden de Amerikanen knarsetandend toegezien hoe de Russen de ruimte veroverden. De Sovjets dankten die voorsprong vooral aan hun krachtige raketten – ontwikkeld omdat hun atoombommen te zwaar waren voor bommenwerpers.

In 1957 bereikte de eerste Spoetnik de ruimte, en in 1959 ontvingen de Russen al de eerste Loena-foto’s van het maanoppervlak. Wanneer op 12 april 1961 de wereld de adem inhoudt als Joeri Gagarin als eerste mens om de aarde cirkelt, en de Sovjets dit feit opvoeren als het bewijs van de suprematie van het Staatssocialisme, is voor de Amerikanen de maat vol.

President Eisenhower had niets willen weten van peperdure ruimteplannen met als enige doel het oppoetsen van het Amerikaanse blazoen. Zijn opvolger, J.F. Kennedy, zag dat anders. Mede op basis van het advies van Werner von Braun, de Duitse raket-expert die na de oorlog door de Amerikanen in dienst was genomen, presenteerde Kennedy een maand na Gagarins vlucht zijn plan aan het Amerikaanse congres – voor het decennium om was, zou er een Amerikaan op de maan staan.

De Koude Oorlog woedde volop, en het plan van de president ontmoette dan ook nauwelijks weerstand. Binnen twee jaar verviervoudigde het Congres het budget van de NASA. Met opmerkelijke eensgezindheid en openheid zette die het Apollo-project in gang. In december 1968 vloog de eerste bemande capsule rond de maan, en Armstrongs legendarische stap op de maan, vormde in 1969 de kroon op het geslaagde project – voor het oog van de wereld demonstreerde Amerika zijn leiderschap.

In de Sovjet-Unie waren de zaken beduidend minder voorspoedig verlopen. Als vanzelfsprekend was de opdracht voor de maanraket in eerste instantie gegaan naar Sergei Korolev, de Russische tegenhanger van Werner von Braun. Hij was verantwoordelijk geweest voor alle voorgaande belangrijke raketten, en werd slechts aangeduid met ‘chef-ontwerper’ – zijn naam werd pas na zijn dood onthuld.

Werkkamp

Maar Korolev was hevig gebrouilleerd met de directeur van het bureau dat de raketmotoren moest ontwerpen, Valentin Gloesjko. Schijnbaar ging de ruzie over de meest geschikte raketbrandstof, maar op de achtergrond speelde de wrok van Korolev, die in de jaren dertig mede dankzij een getuigeverklaring van Gloesjko naar een werkkamp was gestuurd.

Door de ruzie zouden de Russen tien jaar lang op twee gedachten blijven hinken. De twee kemphanen ontwikkelden beiden hun eigen plannen. De Sovjet-Academie van Wetenschappen, door het Politburo gevraagd om te kiezen, had goede redenen de keus voor zich uit te schuiven – noch Korolev, die de beste plannen had, noch Gloesjko, die via zijn medestander Chelomei een zoon van partijleider Chroesjtsjov in dienst had, durfden zij af te schrijven. Chroesjtsjovs zoon, en dus Gloesjko, kreeg voorlopig wel het meeste geld.

Chelomei maakte voor Gloesjko fantastische plannen voor raketten die na de maan ook andere planeten zouden aandoen. In 1964 kreeg hij de opdracht een raket te ontwerpen die in oktober 1967, vijftig jaar na de Revolutie, de eerste kosmonaut rond de maan moest brengen. De val van Chroesjtsjov, eind 1964, gooide echter roet in het eten. Nu Gloesjko’s bescherming via de zoon van Chroesjtsjov wegviel, kreeg Korolev van Brezjnjev een nieuwe kans. Zijn grote N-1-raket werd alsnog de kern van het maanlandingsprogramma. Korolevs gezag en invloed brachten het project binnen enkele maanden op volle toeren.

Helaas voor de Russen overleed Korolev binnen een half jaar aan de gevolgen van een slecht uitgevoerde operatie. Zijn opvolger, Vasili Misjin, beschikte niet over zijn ervaring, uitstraling en gezag, zodat een nieuwe episode van bureaucratische strubbelingen inzette. De eerste bemande testvlucht, in 1967, werd al direct een mislukking – de kosmonaut kwam om bij de landing.

De Amerikanen bleven in de waan dat de Russen flink opschoten. Luchtfoto’s van de CIA toonden in 1964 de bouw van een groot lanceerplatform in Kazachstan, in 1967 gevolgd door een tweede. De foto’s wezen op grote, bemande raketten.

Inderdaad deden de Sovjets nog eenmaal een uiterste, gewaagde poging de Amerikanen voor te zijn – een maand eerder was bij een vergelijkbare onbemande testvlucht de luchtdruk in de cabine nog weggevallen. Maar begin december 1968 stond op Baikonoer toch een raket klaar om twee kosmonauten in een baan om de maan te schieten. Amerikaanse schepen lagen in de buurt om de lancering van dichtbij te bekijken. De dagen voor 10 december, het einde van het ‘lanceervenster’, verstreken echter zonder dat er iets gebeurde. Op het laatste moment hadden de Russische leiders besloten de gok niet te wagen, kennelijk bang voor een afgang. Een week later slaagden de Amerikanen met Apollo 8 wel.

Toen ook 1969 voor de Russen in een fiasco uitliep, raakten de maanplannen steeds verder in het ongerede. Nog enkele jaren mocht Misjin proberen de N-1-raket te benutten voor plannen om kosmonauten lange tijd op de maan te laten verblijven – een terrein waarop de Russische ruimtevaart later vele records zou weten te breken. Maar ook de derde en vierde poging een N-l te lanceren faalden.

In 1974 werd Misjin vervangen. Zijn plaats werd – het kan verkeren – ingenomen door de weer in ere herstelde Gloesjko. Nauwelijks had die zijn kantoor ingericht, of hij maakte korte metten met het levenswerk van zijn oude rivaal. De resterende tien N-1-raketten werden vernietigd, inclusief twee die vrijwel gereed waren voor lancering. Onderdelen van de reusachtige raket eindigden eerloos als overkapping van een opslagplaats.

Toen in 1961 de race naar de maan door Kennedy werd uitgeroepen, diende het vooral als een ‘PR-stunt’, slechts bedoeld om het leiderschap van het kapitalistische Amerika te onderstrepen. Meer dan de Amerikanen zich destijds realiseerden, zou de wedloop echter aantonen dat de centraal geleide Sovjet-economie gedoemd was om in bureaucratische en politieke modder vast te lopen.

Related Posts