Menu Close

Prehistorisch griezelen in Leids museum

Reusachtige dinosauriërs hebben altijd tot de verbeelding van mensen gesproken. Helaas zal niemand ze ooit in levende lijve kunnen aanschouwen: het laatste exemplaar overleed 65 miljoen jaar geleden. Op de expositie ‘Dinosauriërs in Leiden’ scheelt het echter niet veel. Een spookhuis annex spektakel-show ‘met enig wetenschappelijk gehalte’.

IN EEN RECENTE televisiespot van het Wereldnatuurfonds is te zien hoe primitieve mensen een groep schattige dinosauriërs ruw naar het leven staan. Op dreigende toon horen wij dat dinosauriërs inmiddels zijn uitgestorven, en dat de mens moet oppassen omdat anders de olifant hetzelfde tragische lot zal ondergaan.

De wens zelf eens oog in oog te staan met een heuse dinosauriër moet bij de makers van het spotje de vader van de gedachte zijn geweest. Want tussen de laatste ‘dino’ en de allereerste mens verstreken ruim 60 miljoen jaar. Ze hebben elkaar dus nooit gezien.

Toch hoeft de moed de liefhebbers niet helemaal in de schoenen te zakken. Vanaf volgende week kunnen zij zich in Leiden vergapen aan vijftien levensechte exemplaren. Vanaf een heuveltje kijkt daar bij voorbeeld een groene Apatosaurus neer op de argeloze toeschouwers. Af en toe draait hij de enorme nek naar beneden, kijkt het wezen voor hem indringend aan en stoot met opengesperde bek een oerkreet uit die het midden houdt tussen het getetter van een bange olifant en de hoest van een verkouden zeehond.

En dan te bedenken dat de Apatosaurus in de ‘vriendelijke’ zaal staat opgesteld, ver van de enorme, zwaar ademende Triceratops, die bijna voorover valt, en de dommige Stegosaurus, met akelige punten aan zijn staart. Ook de aanblik van de kaken van gigantische rovers als de Allosaurus en de Tyrannosaurus zal de nachtrust van jonge bezoekers waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen.

Ondergang

Dinosauriërs (deinos = schrikaanjagend, sauros = hagedis) mogen zich van oudsher in een grote belangstelling verheugen. Niet voor niets lijken voorstellingen van vuurspuwende draken en het monster van Loch Ness opvallend veel op de bekendste dinosauriërs.

Wetenschappers zijn gefascineerd door een ander aspect van de grote prehistorische dieren: hun opkomst, maar nog meer hun raadselachtige ondergang in de geschiedenis van het leven op aarde. Want de dierenwereld zoals wij die kennen, gedomineerd door zoogdieren en vogels, bestaat relatief nog helemaal niet zo lang. Alles wijst er op dat, gedurende ongeveer 140 miljoen jaar daarvoor, dinosauriërs het leven op onze planeet beheersten.

Als eerste groep gewervelde dieren ontwikkelden zij eieren die, dankzij een dooier, op het droge land konden overleven. Daardoor ontworstelden de dinosauriërs zich aan het water van de zee. Eenmaal op het land deden zij zich naar hartelust tegoed aan de weelderige plantengroei. Bij gebrek aan concurrentie breidden ze zich razendsnel uit.

Binnen betrekkelijk korte tijd ontstonden talloze soorten, met elk hun eigen voortbeweging, voedselkeuze en gedrag. 2e beheersten hun eigen lichaamstemperatuur, zodat ze ook tijdens de nacht en de winter actief konden blijven. Dat kostte veel voedsel, maar dat was er toch in overvloed.

Naast kleine dinosauriërtjes ontwikkelden zich reuzen van wel veertig meter lang, en naast vreedzame vegetariërs kwamen er snelle en behendige jagers.

Rond de 65 miljoen jaar geleden kwam echter een abrupt einde aan de hegemonie van de dinosauriër. In aardlagen die na dat moment zijn ontstaan, vinden we plotseling geen enkel fossiel dinosauriërbotje meer terug. Wel duiken al snel daarna steeds meer en grotere zoogdieren op. Het zijn ‘nakomelingen’ van de kleine insecteneters die na het plotselinge verdwijnen van de grote concurrenten het land opeens voor zich alleen hadden.

Zure regen

Het raadsel van die snelle uitroeiing is nog altijd niet volledig opgelost. De belangrijkste sleutel vormt een dun laagje gesteente, precies op de grens van de twee tijdperken, dat opmerkelijk veel van het zeldzame metaal iridium bevat en over de hele wereld is terug te vinden. Het duidt op de inslag van een enorme meteoriet, met een doorsnee van vele kilometers. De ‘catastrofe’ zou gepaard zijn gegaan met gigantische stofwolken en een verzengende hitte. De dampkring raakte volkomen ontregeld.

Door zure regen en gebrek aan zonlicht stortte de plantengroei op het aardoppervlak in elkaar. De dinosauriërs, met hun grote voedselbehoefte, kwamen – zo willen de meest gangbare theorieën – daardoor allemaal jammerlijk om van honger en kou.

Sommigen zullen de brute natuurramp, die het ecosysteem op aarde volledig ondersteboven keerde, betreuren. Maar zonder de inslag van de super-meteoriet zouden zoogdieren geen kans hadden gekregen zich te evolueren tot wat ze nu zijn. Van de mens zou helemaal nooit sprake zijn geweest.

De catastrofe-theorie kan de laatste jaren trouwens op hernieuwde belangstelling rekenen, omdat het frappante overeenkomsten vertoont met scenario’s voor het tijdperk na een grote kernoorlog. In onze verbeelding zien we al hoe over miljoenen jaren uit insecten voortgekomen wezens zich verbazen over bewegende en brullende modellen van mensen. Omdat ze over niet veel meer dan wat menselijke botten kunnen beschikken, lijkt het getoonde echter meer op een kleine gorilla. En hoe ze aan het snerpende stemgeluid, de paarse huidskleur en de groene vliezen tussen de vingers komen blijft ook voor de meesten van hen een wetenschappelijk raadsel.

Disneyland

De dieren van de prehistorische griezelshow in het Pesthuis in Leiden zijn gemaakt door het Amerikaanse bedrijfje Dinamation. In de Verenigde Staten, waar men gek is op pretparken à la Disneyland, trok de tentoonstelling in verschillende steden miljoenen bezoekers. Amerikanen laten zich graag schrik aanjagen door een bloeddorstige Allosaurus en vertederen door kleine ‘baby-dinosauriërs’.

Voor Nederlandse begrippen is een dergelijke aanpak van een natuurhistorische tentoonstelling opmerkelijk. Des te meer, omdat de organiserende musea tot nu toe niet bepaald naar spektakel leken te hunkeren. De exposities in het Leidse Rijksmuseum voor Geologie en Mineralogie en het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie, die nu zullen opgaan in het nieuwe Nationaal Natuurhistorisch Museum, ademden eerder de geest van stoffige vitrines, met daarin kleine fossiele botjes en vergeelde systeemkaartjes met Latijnse namen.

De beslissing om de Amerikaanse ‘show’ naar Leiden te halen is dan ook niet zonder slag of stoot genomen. De makers van zulke gedetailleerde modellen begeven zich per definitie op wetenschappelijk glad ijs. Natuurlijk gebruikten ze recente wetenschappelijke theorieën, van onder anderen de Amerikaanse paleontoloog R. Bakker van de universiteit van Colorado. Die staat al vele jaren garant voor steeds nieuwe opzienbarende vondsten en opvattingen over de opkomst en ondergang van dinosauriërs.

Het probleem is echter dat nog steeds heel weinig echt ‘bekend’ is over de voormalige aardbewoners. De wetenschap moet het, zoals gezegd, doen met hele en halve fossiele botten, en af en toe een paar voetsporen, eieren of de afdruk van een stukje huid. De rest van de grote puzzel kan alleen worden ingevuld door eindeloos te veronderstellen, redeneren, vergelijken en berekenen. Daardoor kan het gebeuren dat met slechts een paar nieuwe vondsten bestaande theorieën weer grondig aangepast moeten worden.

Wie de pogingen uit het verleden bekijkt om op basis van slechts enkele botjes complete reuzen te reconstrueren, compleet met huid, haar en een sociaal gedragspatroon, kan een glimlach vaak niet onderdrukken.

Uiteraard zijn er inmiddels wel zo veel botten gevonden, dat de belangrijkste lichaamsvormen met een gerust hart kunnen worden gereconstrueerd. Heel anders ligt dat echter met kenmerken die niet in de vorm van fossielen bewaard zijn gebleven. Zo is de vraag of de dieren warm- of koudbloedig waren, met alle consequenties van dien, niet gemakkelijk te beantwoorden. Ook blijft onzeker of ze felle kleuren hadden of juist niet, en of ze die kleuren zelf ook konden zien. Met het ‘nabootsen’ van de brullende geluiden die de dieren gemaakt zouden hebben spannen de makers van de Amerikaanse modellen voorlopig echter de kroon op het gebied van de speculaties.

Ook in Leiden realiseren ze zich dat maar al te goed. Paleontoloog L. Tjon Sie Fat: “Ook ik betwijfel of die beesten nou precies zo gebruld hebben. En het mag dan waarschijnlijk zijn dat ze kleuren hebben kunnen zien, dat zegt nog niets over de kleur die ze zelf hadden.”

Kermis

“Als paleontologen hier hebben wij gezegd: de reconstructies moeten beantwoorden aan de meest geaccepteerde wetenschappelijke theorieën. Als ze gek gaan doen, met levensechte modellen die bewegen en brullen, zit je natuurlijk op het hellende vlak naar de kermis. Deze expositie is geen voorproefje van wat we in de toekomst zullen tonen. We gebruiken het deels om dinosauriërs te laten zien, maar ook om de aandacht op het Pesthuis, ons nieuwe onderkomen, te vestigen. Want voordat het nieuwe museum opengaat, met alle serieuze exposities die we nu aan het voorbereiden zijn, zijn er weer een paar jaar voorbij. En om te voorkomen dat men ons dan is vergeten, hebben we gezegd: dan maar een spectaculaire expositie, met enig wetenschappelijk gehalte.”

‘Dinosauriërs in Leiden’, 28 juni t/m 28 oktober 1990. 10-17u. Pesthuis. Pesthuislaan, Leiden.