Dreumesen moeten luisteren naar Mozart en liefst meteen naar school, is de trend. Maar in weerwil van de claims biedt hersenonderzoek geen steun aan deze modegril.
Amerikanen lijken zich te hebben bekeerd tot klassieke muziek. Opnames van Beethoven, Mozart en Bach sieren de hitlijsten, en de ene na de andere titel verovert de markt.
Beter bekeken blijkt het niet te gaan om een gewone klassieke hausse: de kopers zelf moeten vaak weinig van symfonie-orkesten hebben. De cd’s dragen titels als Beethoven for babies — Brain training for little ones en Build your baby’s brain through the power of music. De cd-speler staat niet in de woonkamer, maar naast de wieg.
De opleving van Beethoven maakt deel uit van een trend, die ouders aanmoedigt al vroeg met de opleiding van hun kinderen te beginnen. Nooit meer is het brein zo flexibel, is de gedachte, als tijdens die fase van explosieve groei. Opleidingskansen die dan worden gemist, komen niet terug. Videobanden met titels als Your baby can read! leren baby’s van drie maanden oud om tientallen woorden te herkennen. Peuters van twee worden afgeleverd bij hun wekelijkse Franse les.
Als onderbouwing voor deze ideeën fungeren de resultaten van ‘modern hersenonderzoek’. Felgekleurde PET-scans en tellingen van het aantal synapsen zouden bewijzen dat de eerste drie jaar allesbepalend zijn. In werkelijkheid zijn die bewijzen echter zeer mager. Sterker nog: in veel opzichten wijst hersenonderzoek juist in de andere richting. Alleen bij het leren horen, zien en spreken lijken de eerste jaren cruciaal. Voor al het andere staan de hersenen nog lange tijd open, en zijn ze misschien wel bevattelijker ná de eerste drie jaar.
Lorenz-kuikens
De gedachte dat de eerste jaren doorslaggevend zijn is niet nieuw. Maar traditioneel ging het dan om de band tussen moeder en kind: voor een hechte ouderrelatie, leert de psychologie, geven de eerste zes maanden de doorslag. Babys werden vergeleken met de kuikens van Lorenz. Toen deze gedragsbioloog, bijna een eeuw geleden, een moedergans van haar uitkomende eieren weghield, waggelden de jongen hun leven lang trouwhartig achter de onderzoeker aan. De evolutie, zo bleek, maakt dat een kuiken het eerste bewegende object dat hij ziet, beschouwt als de zorgzame ouder.
Maar volgens de nieuwste versie van de theorie wordt ook de intellectuele ontwikkeling voor een belangrijk deel in deze ‘hypergevoelige’ fase bepaald. En dat terwijl over de ontwikkeling van de hersenen nog niet veel bekend is; het onderzoeksgebied is in zekere zin nog maar jong.
Wat we weten is dat de meeste van de honderd miljard zenuwcellen in de hersenen voor de geboorte ontstaan. Al in de baarmoeder vormen ze lange uitlopers, die het brein verbinden met alles van de ogen tot de huid van de kleine teen. Axons geleiden de uitgaande elektrische signalen, dendrieten vangen de biologische morsecodes van elders op. Maar onderling kennen die sprietige uitlopers nog maar weinig verbindingen; in het ontluikende brein is het neurale netwerk nog niet bijster complex.
In de eerste drie jaren komt daarin verandering. Kort na de geboorte beginnen de cellen verwoed nieuwe verbindingen te vormen. Daar waar axons en dendrieten elkaar ontmoeten, ontstaan synapsen, die zorgen voor de feitelijke overdracht van het elektrische signaal.
Synapsen komen en gaan gedurende het hele leven, maar in die eerste jaren overheerst het komen. Het aantal nieuwe verbindingen neemt explosief toe. Biljoenen synapsen vormen een ongeëvenaard ingewikkelde schakeling. Het plafond wordt, zo is het vermoeden, na de derde verjaardag bereikt. Ergens na de tiende verjaardag zet vervolgens een daling in: meer synapsen verdwijnen dan er nieuwe ontstaan. Een jonge volwassene houdt uiteindelijk ongeveer de helft van het hoogste aantal verbindingen over.
Welke synapsen verdwijnen en welke blijven, wordt mede bepaald door hun gebruik. Intensief gebruikte verbindingen, denken sommige neurowetenschappers, worden voortdurend versterkt. Connecties die er werkloos bij liggen, menen anderen, schrompelen juist weg. De leus use them or loose them vat hoe dan ook béide theorieën kernachtig samen.
Uit de nog tamelijk warrige kluwen van kennis over de hersenen trekken pleitbezorgers van ‘het flexibele peuterbrein’ drie loshangende draden, schrijft de Amerikaanse wetenschapper John Bruer in zijn boek The Myth of the First Three Years: de explosieve toename van het aantal synapsen in de eerste drie jaren, het bestaan van ‘gevoelige perioden’ voor het leren van sommige vaardigheden en de soms ernstige gevolgen van een gebrek aan prikkels uit de omgeving. Uit deze drie draden wordt de theorie van het flexibele peuterbrein gevlochten. Die luidt dat jonge kinderen moeten worden blootgesteld aan een ‘verrijkte omgeving’, teneinde hun explosief groeiende hersenen optimaal voor te bereiden op de intellectuele ontwikkeling.
Donkere kelder
Om met de eerste draad te beginnen: dat in het jonge brein nieuwe verbindingen opduiken zoals in het voorjaar de tulpen in de Keukenhof, wordt niet betwijfeld. De vraag is nog wel wanneer de top precies wordt bereikt. Oude tellingen, gebaseerd op enkele tientallen kinderhersenen, suggereerden dat het na drieënhalf jaar met de groei was gedaan. Maar kort geleden bracht de Amerikaanse psychiater Jay Giedd, met nieuwe scantechnieken, de hersenontwikkeling van honderden gezonde kinderen over langere tijd in kaart. En tot zijn eigen verbazing ontdekte Giedd dat de grijze massa, het deel van de hersenen waarin zich de zenuwverbindingen bevinden, tot ver in de puberteit groter wordt. Het lijkt erop, aldus Giedd, dat ver na de derde verjaardag, en in sommige hersendelen tot na het vijftiende jaar, nieuwe ‘groeispurten’ optreden.
Wat zo’n groeispurt precies zegt over het beste moment om te leren, is overigens nog allerminst duidelijk. De groei zelf lijkt eerder te worden bestuurd door de genen dan door prikkels uit de omgeving. De hersenen lijken op een beeld waarvan het gesteente eerst spontaan uitgroeit tot een vormeloze klomp; het eigenlijke kunstwerk ontstaat pas door in de volgende fase overtollige stukken weg te bikken. Niet een beeldhouwer met een hamer en beitel, maar het principe use them or loose them, bepaalt de vorm van het uiteindelijke beeld. Leren doe je als het aantal synapsen daalt, niet als het stijgt. Dat een kind baat zou hebben bij nóg meer verbindingen om het proces mee te beginnen, is nog nooit aangetoond. Om een fraaier kunstwerk te maken, is niet meer steen maar een betere beeldhouwer nodig.
De tweede loshangende draad is het bestaan van gevoelige perioden: tijdvakken waarbuiten een vaardigheid niet kan worden aangeleerd. Gevoelige perioden bestaan, bijvoorbeeld bij de vorming van een duurzame band met de ouders: de eerste zes maanden zijn daarvoor cruciaal.
In het algemeen zijn het vooral elementaire processen, zoals horen en zien, die niet eindeloos kunnen worden beïnvloed. Een peuter met een scheel oog, bijvoorbeeld, leert niet de signalen van twee ogen tot één driedimensionaal beeld te combineren. Wanneer het euvel op tijd wordt behandeld, is er niets aan de hand. Maar na de achtste verjaardag begint de visuele hersenkern te ‘bevriezen’, en kost het meer en meer moeite de balans te herstellen. Hetzelfde treedt op bij slechthorende kinderen: na verloop van enkele jaren valt de deur naar essentiële hersendelen definitief in het slot.
Ook bij de verwerving van taal zijn er gevoelige periodes. Na de tiende verjaardag wordt het bijvoorbeeld snel moeilijker een taal zonder accent aan te leren; de hersendelen voor het interpreteren en imiteren van klanken zijn tegen die tijd uitgeleerd. Evenzo wordt het leren van nieuwe grammaticaregels met de jaren steeds lastiger. Daar staat tegenover dat het vermogen om woorden en begrippen te leren een leven lang meegaat.
Gevoelige perioden bestaan dus, maar ze vallen eigenlijk nooit samen met de eerste drie jaar. Zintuigen hebben prikkels nodig om hun aanleg te perfectioneren. Maar dat betekent nog niet dat om te leren zien speciale, gekleurde behangetjes nodig zijn. Ook voor het leren van een moedertaal geldt dat de mensheid het lange tijd probleemloos zonder educatieve videobanden heeft gedaan.
Dat brengt ons bij de derde losse draad: de gedachte dat een omgeving rijk aan zintuiglijke prikkels de toch al explosieve groei van de prille hersenen nog verder zou kunnen bevorderen.
Aan de basis van die gedachte liggen vooral experimenten bij dieren. Zo ontdekte de Amerikaanse etholoog William Greenough dat de omgeving het aantal hersenverbindingen inderdaad kan beïnvloeden. Ratten die geïsoleerd worden grootgebracht, eenzaam opgesloten in een klein plastic bakje, hebben 25 procent minder synapsen, althans in het deel van de hersenen dat visuele prikkels verwerkt. In de frontale hersenschors, de breinkwab die bij mensen ingewikkelde taken behandelt, verandert er helemaal niets.
Niet zelden worden zulke resultaten gebruikt om te betogen dat bij kinderen in allochtone of achterstandsgezinnen het brein achterblijft: een tekort aan uitdagingen in de omgeving zou leiden tot kleinere hersenen. Maar om een rat in eenzame opsluiting te vergelijken met een kind in een achterstandsgezin, gaat nogal ver.
Voor een goede ontwikkeling hebben de hersenen prikkels nodig. Maar die afhankelijkheid moet ook weer niet worden overdreven. Wanneer bij jonge aapjes één oog wordt geblinddoekt, wordt het dier halfzijdig blind, net als de peuter met een onbehandeld ‘lui’ oog. Maar als béide ogen worden afgeplakt, blijft het zicht in béide ogen behouden: niet een tekort aan prikkels, maar een verstoorde balans maakte dat ene oog blind.
Mozart-effect
Het vlechtwerk van de drie draden is dus niet al te stevig. Bewijs voor unieke, eenmalige mogelijkheden in de eerste drie jaar is er niet. Integendeel, kun je haast zeggen: als íets onderzoekers de afgelopen jaren heeft verrast, dan is het hoe flexibel de hersenen zijn.
Dat rotsvaste overtuigingen over jonge hersenen kunnen berusten op misverstanden, blijkt uit de hype rond Beethoven, Mozart en Bach. Die begon met werk dat in 1993 in het blad Nature werd gepubliceerd. Psychologen van de universiteit van Californië ontdekten dat studenten beter scoorden op ruimtelijke IQ-tests als zij tevoren luisterden naar Mozarts sonate voor twee piano’s in D-groot. De onderzoekers vermoedden dat muziek de hersendelen prikkelt die zorgen voor ruimtelijk inzicht, vandaar.
Hoewel ondanks tientallen pogingen dit Mozart-effect nooit is herhaald, misten de vrolijke mediaberichten hun uitwerking niet. ‘Niemand twijfelt er meer aan dat luisteren naar klassieke muziek op zeer jonge leeftijd het ruimtelijk inzicht verbetert, waarop wiskunde, techniek en zelfs schaken zijn gebaseerd,’ verklaarde de gouverneur van de Amerikaanse staat Georgia, toen hij twee jaar geleden zijn volksvertegenwoordigers voorstelde elke boreling van staatswege een klassieke cd cadeau te doen.
Is het erg, die misplaatste nadruk voor het flexibele peuterbrein? Niet als het bij Mozart in de babykamer zou blijven. Maar helaas is dat niet het geval. De verhalen maken jonge ouders onzeker, nog meer dan ze vaak toch al zijn. De suggestie is immers dat voor de ontwikkeling van hun peuter het gebruikelijke spelen, voorlezen en liedjes zingen niet meer genoeg is.
Gevaarlijker nog wordt het als politici kritiekloos in het flexibele peuterbrein gaan geloven, en op grond daarvan bijvoorbeeld bepleiten kinderen uit migrantengezinnen op tweejarige leeftijd naar school te sturen. Nu al spendeert de overheid jaarlijks tientallen miljoenen guldens aan pogingen allochtone kinderen, via ouders of peutercrèche, een aanloopje te geven — ook al hebben onderwijskundigen moeten erkennen dat zulke projecten hooguit voor een korte tijd lijken te werken.
‘Eens achterop, altijd achterop’, vatte een kop in NRC Handelsblad vorig jaar het daaruit voortkomende fatalisme samen. En dat terwijl het bericht onder die kop wel degelijk hoop gaf, zij het juist niet voor de eerste drie jaren. Op goede basisscholen, ontdekte het Centraal Bureau voor de Statistiek, lopen allochtone leerlingen wel degelijk hun achterstand in. Probleem is alleen dat de kinderen met de grootste achterstanden niet op de beste scholen belanden.
Gegeven het bedrag dat we aan onderwijs willen besteden, is de vraag hoe het budget het effectiefst kan worden besteed. Moeten we geld vrij maken voor kennis-intensieve peutercrèches? Of moet het naar goed betaalde leraren en studiebeurzen, opdat laatbloeiers de kans krijgen hun achterstand goed te maken via goed onderwijs en misschien een wat langere ‘omweg’?
Aan die moeilijke afwegingen dragen kleurige PET-hersenscans nog weinig bij, hoe graag we dat ook zouden willen. Nu al kiezen voor flexibele peuterbreinen is op zijn minst prematuur.