Menu Close

Regionale omroepen vrezen ‘appeltje van Herben’

Voor de derde maal probeert het Rijk om regionale omroepen onder de hoede te brengen van provinciebesturen. Maar bij de omroep zelf is men niet onverdeeld enthousiast. ‘Wie betaalt, bepaalt,’ zo is de vrees.

DE BELANGRIJKSTE TAAK voor een regionale radio- en televisieomroep, schreef staatssecretaris Medy van der Laan (OCenW) vorige maand aan de Tweede Kamer, is bij te dragen aan een levendige democratie. ‘Een goede nieuws- en informatievoorziening,’ aldus de staatssecretaris, ‘vormt de zuurstof waarmee de [regionale] democratie kan ademen.’

Zelfs de grootste critici van haar pogingen om de zorg voor regionale omroepen te decentraliseren zijn dat met haar eens. Sterker nog: zij vinden de onafhankelijke, journalistieke taak van regionale omroepen zó belangrijk, dat ze de financiering ervan niet aan provincies durven te delegeren.

Iedereen in omroepland kent het inmiddels bijna spreekwoordelijke ‘appeltje van Herben’ — het dreigement van voormalig LPF-fractievoorzitter Mat Herben dat zijn partij, boos over de berichtgeving over leider Fortuyn, met de publieke omroep ‘nog een appeltje had te schillen’. Moeten regionale omroepen de komende jaren vrezen voor appeltjes van provinciale bestuurders, wanneer die de wacht krijgen over alle regionale omroepgeld?

Ja, zeggen journalistenvakbond NVJ en sommige omroepredacteuren — de ervaring doet vrezen dat provincies zullen proberen omroepen inhoudelijk te kneden volgens de aloude logica van ‘Wie betaalt, bepaalt’.

Nee, beklemtonen bestuurders — provincies zullen alleen financieel-organisatorische voorwaarden stellen; de redactionele vrijheid is bij de provincie even veilig als bij het Rijk.

Op het eerste gezicht gaat het de dertien regionale publieke omroepen redelijk voor de wind. Met bijna zestienhonderd arbeidsplaatsen vormen ze inmiddels een serieuze bedrijfstak die een groot publiek bedient. Bij elkaar bereiken de regionale televisiezenders dagelijks 24 procent van de Nederlanders, aldus het jaarverslag van de overkoepelende stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS), In Groningen, Limburg, Zeeland en Drenthe ligt het bereik zelfs boven de 30 procent.

Toch gaan achter die schijnbaar zonnige cijfers problemen schuil. In Zuid-Holland gingen twee omroepen, RTV West en RTV Rijnmond, een paar jaar geleden bijna failliet, deels uit mismanagement, deels wegens gebrek aan geld. In andere provincies, zoals Drenthe en Flevoland, is de situatie minder dramatisch, maar dwingt de combinatie van kostenstijgingen en nauwelijks groeiende budgetten omroepen toch nieuwsuitzendingen te schrappen in plaats van uit te breiden. “Na zeven jaar zitten we hier nog steeds op drie kwartier televisie per avond,” zegt hoofdredacteur Elibert Maathuis van RTV Drenthe, “terwijl dat al lang twee uur had moeten zijn.” Op 1 januari zal zijn station sport- en nieuwsuitzendingen in het weekeinde staken.

Hongerig

Regionale omroepen hebben tot nog toe twee structurele geldbronnen. De eerste is het Commissariaat voor de Media, dat namens het ministerie van OCenW een pot van ruim 40 miljoen euro verdeelt die in principe jaarlijks aan de stijgende kosten wordt aangepast. In een tijd van elkaar opvolgende bezuinigingen ontpopt het ministerie zich echter bepaald niet als suikeroom, en vorig jaar moest de Tweede Kamer eraan te pas komen om krimp te voorkomen.

De tweede bron is het Provinciefonds, door het ministerie van Binnenlandse Zaken gevuld met bijna 65 miljoen euro en door de provincies zelf over hun prioriteiten verdeeld. Sommige provincies, zoals Friesland, zien regionale omroep als een manier om de eigen taal en cultuur te versterken en trekken relatief grote bedragen uit, soms in de vorm van extra incidentele subsidies. (Omrop Fryslân kreeg geld voor een Friese soap). Andere provincies, zoals Noord-Holland, trekken per inwoner aanmerkelijk minder uit voor regionale radio en tv.

Hongerig naar fondsen om uit te breiden, maar in de praktijk geconfronteerd met twee zuinige geldschieters die elkaar aankijken, vragen de regionale omroepen al jaren om een nieuwe financieringsstructuur. Eind 2003 lag een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer dat het budget van OCenW overhevelde naar het Provinciefonds. Om de zenders continuïteit te verzekeren, verplichtte het wetsvoorstel provincies ten minste één omroep in stand te houden op het heersende peil.

Subtiel

De Kamer had van alles op het voorstel aan te merken, maar de staatssecretaris trok het vooral in wegens harde kritiek van woordvoerders van twee regeringspartijen: de oud-journalisten Joop Atsma (CDA) en Bert Bakker (D66) vonden dat zij de kat op het spek bond, door provinciale politici alle macht te geven over de financiering van regionale omroepen die hen kritisch behoren te volgen.

Vergelijkbare waarschuwingen kwamen deze zomer van het Amsterdamse Instituut voor Informatierecht (Ivir), dat op verzoek van ROOS het wetsvoorstel analyseerde. ‘Het is zeker niet ondenkbaar dat provinciebesturen [..] in de verleiding zouden kunnen komen om bepaalde voorwaarden aan de bekostiging te stellen,’ aldus het rapport Publieke Omroep in de Regio. ‘Immers, voor wat hoort wat.’

Zorgen over de journalistieke onafhankelijkheid zijn vooral gebaseerd op wat zou kúnnen gebeuren, zegt ROOS-directeur Schuiteman, niet op dramatische ervaringen uit het verleden. Ook Thomas Bruning, bij journalistenvakbond NVJ secretaris voor omroepzaken, heeft geen ‘zwartboek’ vol schandalen in de la. De werkelijkheid, zegt hij, is subtieler. “Bestuurders zijn niet zo dom om te zeggen: ‘als je dit nu niet uitzendt, dan draaien wij de geldkraan dicht’.”

Wie rondbelt in de wereld van regionale omroepen hoort een beperkt aantal van zulke ‘subtiele’ verhalen, waar niet altijd goed een vinger achter te krijgen valt — soms omdat ze berusten op halve waarheden, soms omdat, vermoedt Bruning, hoofdredacteuren er niet graag mee naar buiten treden.

Boertjes van buut’n

Eén terugkerend verhaal speelt in Drenthe, waar het provinciebestuur vorig jaar opeens een concept-medianotitie produceerde. In de herinnering van Rob Staal, directeur van RTV Drenthe, sprak de notitie onder meer over ‘doelgroepenbeleid’, over een omroep die moest ‘leveren’ en over een provincie die in ruil voor financiering van alles ‘verwachtte’ en ‘wenste’. “Het waren passages waarmee wij zacht gezegd niet gelukkig waren,” zegt Staal. En hoewel de notitie van tafel ging toen Van der Laan haar wetsvoorstel introk, zat bij hoofdredacteur Maathuis de angst voor vergaande bemoeienis van provinciebesturen er vanaf toen goed in.

Gedeputeerde Hans Schaap (PvdA) van Drenthe antwoordt niet op vragen over de conceptnotitie. Hij zegt wel zich te ergeren aan Kamerleden die suggereren dat provincies (‘als een stelletje boertjes van buut’n’) geen onderscheid zouden kunnen maken tussen financiële verantwoordelijkheid en inhoudelijke beïnvloeding. Zulk wantrouwen is misplaatst, vindt Schaap. ‘Niemand hier wil de journalistieke onafhankelijkheid ter discussie stellen,’ zegt hij. Maar als het bredere thema’s betreft, ziet Schaap geen enkel verschil tussen landelijke en provinciale politici. ‘Zoals de Kamer mag praten over de toekomst van Hilversum, zo mogen provincies nadenken over hun relatie met de regionale publieke omroep.’

Ook Zuid-Holland wordt regelmatig genoemd als provincie waar, na reddingsoperaties voor RTV West en RTV Rijnmond, het bestuur via een ‘toezichthouder’ een gevaarlijk grote vinger in de pap verwierf. Maar volgens gedeputeerde Erik van Heijningen is van inhoudelijke controle of beïnvloeding bij de twee omroepen nooit sprake geweest. De ingehuurde externe toezichthouder, zegt hij, keek alleen mee bij financieel-organisatorische beslissingen, omdat het provinciebestuur haar noodhulp van zeven miljoen euro niet graag in een zwart gat zag verdwijnen. Per 1 januari, verwacht de gedeputeerde, zal van toezicht zelfs helemaal geen sprake meer zijn.

Ook Van Heijningen zegt het wantrouwen jegens provinciale overheden niet te begrijpen. “Van redacties moet je afblijven,” zegt hij. “Die zijn mans genoeg om zelf aan nieuwsgaring te doen.” Maar, meent Van Heijningen, “als de provincie de middelen mag verstrekken, dan is het ook goed als de provincie er wat beleid op maakt.” Als voorbeeld van provinciale bemoeienis noemt hij het tv-programma Vernis, dat dankzij een gerichte subsidie tv-kijkers toont wat de provincie aan kunst te bieden heeft. “Een beetje promotie van het kunst- en cultuurbeleid,” zegt Van Heijningen. Zulke samenwerkingsovereenkomsten, benadrukt hij, staan los van structurele financiering. “Zolang het niet uitmondt in het uitventen van overheidsbeleid of het afficheren van bestuurders, vind ik het geen probleem.”

Kan hij zich een situatie voorstellen waarin het provinciebestuur wél inhoudelijk zou willen ingrijpen? Van Heijningen: “Stel, theoretisch, dat een omroep uitermate slechte kijkcijfers heeft, amper belangstelling zou trekken. Dan zou ik wel willen weten wat er aan de hand is.”

Ook de provincie Noord-Holland maakte zich niet populair, zegt ROOS-directeur Schuiteman, toen Provinciale Staten een stuk produceerden waarin werd gepleit voor meer sport en cultuur op de regionale tv. Zulke gebeurtenissen, erkent Schuiteman, doen bij omroepmensen de nekharen recht overeind staan. “Ik ben niet bang dat gedeputeerden op de stoel van een hoofdredacteur gaan zitten,” zegt hij. “Ik ben wél bang dat provincies de bekostiging terugschroeven als de omroep hen niet zou bevallen.”

Garantie

Dat verklaart waarom ROOS vurig hoopt dat het gewijzigde voorstel dat Van der Laan op 15 november naar de Kamer zond het dit keer wél zal halen. Het nieuwe wetsvoorstel, zegt Schuiteman, verankert een belofte van provincies dat zij hun budgetten jaarlijks zullen aanpassen aan de kostenontwikkeling, zoals in een ‘zwaarwegend advies’ door het Centraal Planbureau zal worden berekend. Bovendien zal de nieuwe structuur elke drie jaar door het Commissariaat voor de Media worden geëvalueerd.

Voor het eerst, zegt Schuiteman, zouden alle regionale omroepen een garantie krijgen dat hun reële budgetten niet zullen dalen. En bestuurders die proberen hoofdredacteuren inhoudelijke keuzes op te dringen, kunnen erop rekenen onmiddellijk bij het Commissariaat voor de Media te worden gemeld.

Misschien, zegt de ROOS-directeur, valt het met die beïnvloeding ook wel mee. Veel incidentjes, zegt hij, komen mede voort uit ‘onwetendheid’ bij provinciale politici, die vaak weinig ervaring hebben. Uitleg over de mediawet kan dan al veel oplossen, weet hij. Schuiteman: “Uiteindelijk ben ik het afgelopen jaar niet meer tegengekomen dan probeerseltjes die bij nader inzien weer werden ingetrokken. We moeten ook weer niet té bang zijn.”