Menu Close

Een frivole rechtszaak

Advocatenblad, augustus 2003

Sinds kort hoef ik niet ver meer te zoeken naar een voorbeeld van wat men hier in Amerika een frivolous lawsuit noemt — een onnozele rechtszaak. Een blik op mijn bankrekening is voortaan voldoende. Vorige week schikte ik een zaak die de qualificatie ‘onnozel’ ruimschoots verdient: de gedaagde had het gewaagd mij een fax te sturen.

Zaak 10510-03 bij de Superior Court of the District of Columbia, ofwel mijn woonplaats Washington, begon op 20 juni om 9:55 uur. Uit het faxapparaat in de werkkamer rolde een advertentie, mijn aandacht vestigend op een uitverkoop van kantoormeubilair in Baltimore.

Binnen enkele minuten had ik het vermelde telefoonnummer gedraaid. Niet omdat ik zat te springen om een nieuwe ladekast, maar omdat ik, na een recente studie van Amerikaanse wetgeving tegen de dagelijkse terreur van telemarketeers, rijp was om de strijd aan te binden met deze agressieve industrie. De ongevraagde fax was een geschenk uit de hemel.

Toen Amerikaanse bedrijven in de jaren tachtig de fax als reclamemedium ontdekten, reageerde het Amerikaanse Congres voor zijn doen opmerkelijk kordaat. Omdat de ontvanger van een fax kosten maakt, redeneerde de wetgever, in de vorm van papier, inkt en slijtage, diende ongevraagde faxreclame verboden te worden. ‘It shall be unlawful [.. to use any telephone facsimile machine, computer or other device to send an unsolicited advertisement to a telephone facsimile machine’, luidt sinds 1991 artikel 47/227-b-1-C van de U.S. Code.

Om naleving van het verbod te bevorderen riep het Congres de hulp in van de consument. Lid 3 van het zelfde artikel geeft ontvangers van ongevraagde faxreclame recht op een schadevergoeding van 500 dollar per overtreding, bij bewezen opzet te verhogen tot maximaal het driedubbele.

Het kostte een paar telefoontjes, en scherpe ondervraging van de dame aan de andere kant van de lijn, om te ontdekken wie de verzender van mijn faxblad was: het bedrijf Office Warehouse Wholesale in Phoenix, Arizona. Publieke registers, te raadplegen via internet, leverden naam en adres van de aansprakelijke rechtspersoon. Een dag later was mijn schikkingsvoorstel onderweg: voor duizend dollar, blufte ik, kon een zaak worden afgewend.

Op dit genereuze aanbod bleef het stil, dus toog ik naar een smoezelig loketje van de Small Claims Court, die claims tot 5000 dollar behandelt. Dankzij op internet gevonden voorbeeldbrieven had ik een indrukwekkend statement of facts op zak, en naar mijn eigen smaak een ijzersterke zaak. Voor vijf dollar prikte de griffie een zittingsdag.

Naarmate de weken verstreken, groeide de opwinding. Ik nodigde vrienden uit voor de zitting, en oefende volzinnen waarmee ik de rechter (‘Your Honor!’ ) zou aanmoedigen de gedaagde stevig aan te pakken. Maar tegelijk groeide de spanning. Waar was ik eigenlijk aan begonnen? Zou een ervaren bedrijfsadvocaat mij ter zitting spottend aankijken en mijn quasi-juridische klaagschrift in één zwaai van tafel vegen? Zou hij dreigen met de een of andere tegenclaim?

In mijn fantasieën maakte de vriendelijke, grijze rechter maakte plaats voor een norse bullebak, hevig geïrriteerd door mijn gezeur over één fax. Ik zag mij zenuwachtig bladeren door wetten en uitspraken die ik maar half begreep. En wat als ik gelijk kreeg? Hoe vorder je geld van een bedrijf op vier uur vliegen van je woonplaats?

Drie dagen voor de zitting ging de telefoon: of ik voor 200 dollar wilde schikken. Een dag later ging ik, opgelucht, akkoord met het dubbele; de cheque werd binnen 24 uur bezorgd.

Mijn day in court moet dus nog even wachten. Maar nu al laat ik mij over frivolous lawsuits niets meer vertellen: soms is het ook in kleine dingen verdomd handig om de rechter als grote broer te hebben. Van Office Warehouse Wholesale heb ik voorlopig geen last meer. Wie volgt?

Related Posts