Op 1 april telt Amerika zijn inwoners. Dat van de optelsom weinig zal kloppen, is al bij voorbaat duidelijk. Maar pogingen om de fouten te verbeteren stuiten op wetten en partijpolitieke bezwaren.
Nog even en de volkstellers zwermen uit over het wijde Amerikaanse land. Ze bellen aan bij miljoenen huizen, om te ontdekken wie er woont. Als niemand thuis is komen ze terug — net zolang tot er wél iemand open doet.
Op 1 april is het tijd voor de volkstelling, die volgens de Amerikaanse Grondwet elke tien jaar moet worden gehouden. Maar net als tien jaar geleden zullen de tellers zich dit jaar weer grondig vergissen. Ruim acht miljoen Amerikanen werden in 1990 over het hoofd gezien, zo bleek achteraf uit een flinke steekproef. Ruim vier miljoen werden juist dubbel geteld. In plaats van de officiële 248.709.873 inwoners, vermoedt het bureau voor de volkstelling, had Amerika er dat jaar in werkelijkheid meer dan 253 duizend.
Pogingen van de regering om fouten dit jaar te corrigeren, en en passant miljarden guldens te besparen, liepen stuk. Daardoor komen er dit jaar twéé antwoorden op de vraag hoeveel Amerikanen het land bewonen — één evident onjuist maar Grondwettelijk verantwoord, één meer nauwkeurig maar onbruikbaar volgens de wet.
Dat Amerikanen elke tien jaar moeten worden geteld, is voor het land een bittere noodzaak. Bij afwezigheid van een goed burgerregister is het de enige manier om de woonplaats van zijn inwoners te achterhalen. En weten waar ze wonen is nodig om de federale schatkist te verdelen — van infrastucturele subsidieregelingen tot toewijzingen aan scholen en ziekenhuizen, voor de toewijzing van geld uit Washington levert de volkstelling de sleutel.
Maar in een land dat zijn volksvertegenwoordigers kiest via districten heeft de telling nog een andere, principiëler functie: de eerlijke verdeling van democratische macht. De verdeling van de 435 zetels in het federale Huis van Afgevaardigden — de Amerikaanse Tweede Kamer — is rechtstreeks gekoppeld aan de tienjaarlijkse telling.
In 1990, bijvoorbeeld, zorgde de census in het Huis voor een forse verschuiving. Zuidelijke staten kregen er zetels bij, vooral door immigratie uit Centraal-Amerika. Het noorden en midden-westen leverden vertegenwoordigers in.
Ook bínnen een staat heeft de telling gevolgen: kiesdistricten bevatten alle ongeveer evenveel kiezers, en dus schuift de grens tussen districten op wanneer kiezers verhuizen.
Wanneer de telfouten evenredig zouden zijn verdeeld, zou niemand er een probleem van maken. Maar in de praktijk zijn het overwegend arme Amerikanen, niet-Engels-sprekenden en etnische minderheden die buiten de cijfers vallen: omdat ze geen vast huisadres hebben, als illegale vreemdeling niet tuk op formulieren zijn of simpelweg omdat ze niet van ambtenaren houden. Het effect wordt nog versterkt doordat rijke blanken nogal eens twee keer worden geteld — omdat ze twee huizen hebben, of omdat ze als student op twee adressen wonen.
Doordat de ‘vergeten’ Amerikanen en hun buren overwegend Democratisch stemmen, hebben de telfouten politieke gevolgen: gebieden waar —Democratische— kiezers over het hoofd worden gezien, verliezen deels hun —Democratische— volksvertegenwoordigers. In de telling van dit jaar, berekenden demografen, zou een correctie van de telfouten voor 24 zetels in het Huis gevolgen kunnen hebben. In afzonderlijke staten zouden bij elkaar 113 Senaatszetels en 297 zetels in de Assembly’s van partij kunnen wisselen.
Door fouten in de telling te verbeteren, zou de balans van de macht dus naar de Democraten om kunnen slaan.
Het is dan ook geen wonder dat de regering-Clinton de afgelopen jaren broedde op een manier om de getallen bij te stellen. In plaats van vruchteloos bij dichte deuren aan te bellen, bedacht het verantwoordelijke Census Bureau, zouden tellers mogen stoppen wanneer ze negentig procent van de huizen hebben geteld. De laatste tien procent, zou worden aangenomen, lijkt op de eerste negentig. Een steekproef onder 750 duizend huishoudens zou de cijfers ten slotte naar boven of beneden corrigeren. De procedure zou miljarden besparen, omdat de laatste tien procent van de huizen de meeste inspanning vergt.
Maar het voorstel stuitte op bezwaren. Van Republikeinen bijvoorbeeld, die de electorale regenbui al zagen hangen. Statistische correctie, aldus de conservatieve partij, is subjectief, en dus kwetsbaar voor manipulatie door een zittende regering. Toen de grondleggers van de Amerikaanse natie schreven dat de regering haar bewoners ‘tellen’ moet, bedoelden ze ook téllen, aldus de Republikeinen, en niet schatten met steekproeven en getalsmatige correcties.
Voor de verdeling van parlementaire zetels vonden zij het Hooggerechtshof aan hun zijde. Maar voor andere doeleinden van de telling lieten de rechters het Census Bureau vrij.
En dus trekken miljoenen tijdelijk gerecruteerde tellers de komende maanden alsnog aan de bel bij alle 45 miljoen huishoudens die hun formulier niet op de post hebben gedaan. Zonodig zal dat ritueel zich maanden blijven herhalen, totdat de voordeur alsnog opengaat of een toevallige voorbijganger de gevraagde informatie levert. Weeshuizen, woonbarakken en verpleeginrichtingen zullen door tellers worden bezocht, en onder bruggen en fladderende dekens zullen daklozen voorzichtig worden bevraagd. Leeftijd, raciale achtergrond en de aard van de huisvesting zijn de belangrijkste onderwerpen.
Op 1 augustus mogen de tellers hun pogingen staken. Wat dan nog rest is een steekproef onder 350 duizend adressen, om althans voor de verdeling van het belastinggeld de cijfers nog te kunnen corrigeren.
Het wordt de duurste volkstelling aller tijden: ruim zestien dollar per inwoner is ervoor uitgetrokken. Maar belastingbetalers krijgen waar voor hun geld: niet één, maar twee officiële cijfers over het ware aantal Amerikanen; 260 duizend of 274 duizend — gelieve straks door te halen wat minder wenselijk is.